Kees Hin, 9 december 1936 – 4 oktober 2020

Kees Hin, handelsreiziger van het beeld, moet steeds weer hebben gezocht naar een essentie waar hij zelf niet meer in voorkwam. Hij maakte ruim honderd films. K. Schippers werkte jaren met Hin samen.

De eerste keer sprak ik Kees Hin in z’n huis vlak bij de Nieuwmarkt in Amsterdam. Z’n vriend Jan Roeland, de schilder van een ei in een fles, woonde vlak bij hem in de buurt, zo leerde ik ze in 1965 ongeveer samen kennen. Het geschenk van mijn leven. Mocht het commentaar schrijven bij Hins eerste regie Onderaards, hoe krijg je olie uit de grond. De film had een enorm tempo, probeerde het ook in m’n tekst. Toen ik er kwam, ging Neeltje Hin net de trap af, gekleed als schermster, had een floret bij zich die ze niet naar me uitstak.

‘Probeer er iets meer van te maken dan een schnabbel’, zei Kees, toen ik de trap af liep.

Nooit meer gestopt met film maken, zie hem voor me in allerlei standen. Hoe hij in het huis op nummer 17 in Maastricht naar het midden kroop en de grammofoon een zet probeerde te geven. Dat bleef erin bij de montage, Kees zelf in een film over de dichter Pierre Kemp, heel even maar.

Bussum, er werd voor Beeldspraak van de nos gemonteerd in een kerk, een glas water over het hoofd van regisseur Jan-Kees de Rooy, hij werkte een cabine verder, terwijl Kees stikkend van het lachen cutter Jacqueline Frankenhuis corrigeerde en die kon er wat van.

Hoe hij me in Den Biesbosch liet zien hoe een appeltje heel licht verkleurde, als het net was geschild of het een kleur zocht die tot dan door niemand aan het licht was gebracht. Hij was zo vervuld van film dat het hem niet uitmaakte waar hij sliep. We werkten aan een film over Zeeland, ik moest terug, hij bleef, als zo vaak, handelsreizigers van het beeld.

‘Waar slaap je nou?’ vroeg ik. Het hotel was vol. ‘Hier op de gang’, zei hij en hij wees naar een muur tussen twee kamers waar al een matras was neergelegd. Dit hinderde hem in het geheel niet, vervuld als hij was van de beelden die hij morgen zou filmen.

Hoe het in zijn hoofd toeging weet ik ook niet. Ergens moet hij steeds weer hebben gezocht, maar dan zonder opzettelijk te zoeken, het kwam gewoon, naar een essentie waar hij niet meer in voorkwam, iets doorgeven van wat er maar heel even is en toch net met de kenmerken waaraan je iets herkent.

Het is of het doek door Hins manier van filmen wordt schoongeveegd

Een van de laatste films die we maakten heet Screen, in 2015 voor het eerst gedraaid op de dagen van Kees Hin in het filmmuseum Eye, waar z’n hele werk is ondergebracht. Iedereen kan het zien, nu op internet is er een herdenkings-stream. Screen moest een eerbetoon worden aan het filmscherm, geen film kan zonder en toch zie je het nooit alleen. Hoe konden we het pakken, betrappen, hoe zeg je het, door het te filmen natuurlijk. Maar waar?

We kozen drie schermen in Amsterdam, De Uitkijk, The Movies en Rialto of was het een andere zaal, dat moet iedereen zelf maar ontdekken. Ze verschillen van elkaar.

Op de première werd Screen begeleid door zang van het koor Neon, dat danste op een choreografie van Beppie Blankert, met wie Kees en ik eerder hadden gewerkt. Wat zag je van het scherm? We kwamen zo dichtbij dat het zich letterlijk voor je opende. Rijen van de lichtste gaatjes, heel close, bleken het totale wit te vormen. Die zag je anders nooit, omdat je er te ver vanaf zat. Nu wel. Ze hebben een technische functie, die seriële openingen, om het geluid achter het scherm tot de zaal te laten doordringen. Daar zit het avontuur niet alleen in. Het is eerder of het doek door Hins manier van filmen wordt schoongeveegd, of de afdruk van alle films die eroverheen zijn gegaan wordt verwijderd, om het doek te tonen in zijn eerste staat.

Zo blijft elk doek nu openlijk wit voor nieuw werk van Kees dat we na zijn verdwijning zelf moeten maken.

‘Denk je dat we het kunnen?’ vroeg ik hem elke keer weer als ik de trap op ging, hij woonde intussen onder me.
‘Denk het niet’, zei hij.

Een van de laatste keren dat ik hem sprak, ging het over zijn toen pas verdwenen dochter Barbara Hin (1964-2020), die een verwant vak had gekozen, de montage, weergaloos. Verdwenen, zo kon je het noemen, maar niet voor ons. Hij zei niet veel meer, Kees, ’t hinderde niet, gewend als hij was in beelden te denken. Hoe konden we Barbara weer terug laten komen? Vanuit haar laatste montages, die beelden. Als je er twee uit elkaar trekt, dan komt Barbara met de van haar bestaande beelden weer te voorschijn in het gat van de tijd, dat ze zelf zo vaak elegant had gedicht.

Dat is het plan, nu wordt de film iets langer, moeten we Kees ook tevoorschijn laten komen. Met film kan dat. Open de schnitts, laat ze vervallen, is hij er, begeleid door z’n eigen beelden. Daar voelt hij zich thuis. Vindt hij Barbara in het midden, zijn ze bij elkaar in wat ze hebben gesneden, verricht, verlicht, wat opwaarts blijft, het zwijgen van Kees, het lachen van Barbara, kunnen ze nooit meer verdwijnen.