Afscheid van Groot-Nederland

Keeskoppen en Belgische toestanden

Bemoeizuchtig, arrogant en opdringerig gezellig: de Nederlander maakt zich bij de zuiderburen meestal niet echt geliefd. Dat de gemeenschappen langzaam van elkaar vervreemden, heeft niet iedereen in de gaten.

Wie het wil hebben over de verschillen tussen Nederland en België moet zich eerst bewust zijn van de ongelijkheid die er tussen beide landen bestaat. Een Nederlander weet doorgaans veel minder van zijn zuiderburen dan de Belg, meer precies: de Vlaming, van wat er boven de Moerdijk zoal gebeurt. Voor de komst van de commerciële televisie in België (in 1989) keken Vlamingen massaal naar de Nederlandse televisie. Jos Brink, Mies Bouwman, Van Kooten en De Bie waren voor de toenmalige Vlaamse tv-kijker even bekend als Luc Appermont, Regine Clauwaert, Jos Ghysen of Walter Capiau, namen die in Nederland geen belletje zullen doen rinkelen.

Nog tot op de dag van vandaag wordt vaak naar Nederland gekeken als Het Grote Voorbeeld. Weliswaar minder dan voorheen, maar toch. De hervorming van het middelbaar onderwijs die momenteel in Vlaanderen op stapel staat, lijkt bijvoorbeeld erg veel op de hervormingen die in Nederland al faliekant zijn mislukt. Wat dat aangaat heeft de slogan ‘Nederland gidsland’ in Vlaanderen zijn kracht nog niet helemaal verloren. De verbijstering in Vlaanderen over de opkomst van eerst Pim Fortuyn en daarna de pvv was dan ook zeer groot. Vanzelfsprekend ging de Vlaming ervan uit dat racisme in de politiek een typisch Vlaamse eigenaardigheid was (iets wat men overigens ook in Wallonië denkt). Zoiets kon onmogelijk voorkomen in Nederland, waar immers altijd alles goed geregeld was. Waarmee bedoeld werd: beter dan in België. De Vlaamse kranten schreven destijds met de nodige zelfspot over 'Belgische toestanden’ in de Nederlandse politiek.

Kortom: Vlaanderen kijkt tegen Nederland op; Nederland kijkt gewoonlijk over Vlaanderen (en de rest van België) heen. Dat laatste maakt dan weer dat de Nederlander, beter: de Hollander in Vlaanderen niet erg geliefd is. Sterker: de Hollander is voor de Vlaming wat de Duitser voor veel Nederlanders is. 'Keeskop’ (kaaskop), dat was het eerste wat ik naar mijn hoofd kreeg toen ik eind jaren negentig mijn intrek nam in een arbeiderswoning in een volkswijk van Gent. Direct daarop volgde een welgemeend excuus voor zoveel onverhoeds eigen 'racisme’. Het minderwaardigheidscomplex van de Vlaming maakt van het grote voorbeeld dat Nederland in veel opzichten nog steeds voor hem is, tegelijkertijd datgene wat hij ten diepste haat, omdat het hem terugwijst naar wat hij als zijn eigen 'kleinheid’ beschouwt.

Toen ik naar België verhuisde kon ik me in die Hollander-haat eigenlijk wel vinden. In Nederland woonde ik altijd in de buitengebieden: in Overijssel, in Groningen, in Leeuwarden. De reserves die men in die gebieden heeft tegenover 'de westerling’, 'de Randstedeling’, tegenover bewoners van de provincies Noord- en Zuid-Holland, komen goed overeen met wat de Vlaming aan de spreekwoordelijke 'Hollander’ zo tegenstaat: de bemoeizucht, de arrogantie, die opgeblazen ego’s die zichzelf en hun omgeving tot centrum van de wereld hebben verklaard en zo blijk geven van een ronduit pathetische zelfoverschatting. Ik heb me dan ook nooit 'Hollander’ gevoeld. Ik was Nederlander. Het is een onderscheid dat de Vlaming niet maakt.

En blijkbaar moest ik zelf eerst de grens over om te ontdekken dat ik met die Hollander toch meer gemeen had dan me lief was. Zo was ik opdringerig gezellig in het openbaar, sprak ik te luid in restaurants, maakte ik (blijkbaar) ongepaste grapjes tegen caissières in supermarkten en hield ik me aan de verkeersregels terwijl 'iedereen’ toch wist dat ze in die en die straat niet golden. Ik sprak agenten tegen, en in discussies gaf ik blijk van een rechtlijnigheid die de meeste Belgen vreemd is, terwijl ik het gemarchandeer met principes dat in België de gewoonte is op mijn beurt onbegrijpelijk vond. Ik stuitte kortom overal op verschillen die mij definieerden als iemand die ik in mijn eigen ogen nog nooit was geweest: een Hollander, iemand met min of meer dezelfde taal, maar met een totaal andere cultuur. Ik liep aan tegen de grenzen van wat ik altijd als normaal had beschouwd.

Want dat is wat typisch Nederlands is: de eigen vooronderstellingen, waarheden, omgangsvormen en gebruiken als normaal beschouwen - zo normaal dat het niet bij de Nederlander opkomt dat het hier om hoogstens een Nederlandse normaliteit gaat. Het is waarom nationale identiteit voor een Nederlander nooit werkelijk een issue is. Of misschien is het beter om in het verlengde van de politieke ontwikkelingen in de laatste vijftien jaar te zeggen: nooit werkelijk een issue wás. Nederland is een consensusland, zo stelde de publicist Paul Scheffer ooit - en voor wie zich het sterk verzuilde Nederland van voor en direct na de Tweede Wereldoorlog nog herinnert, komt dat misschien toch een beetje als een verrassing. Meer naast elkaar staande en streng van elkaar gescheiden gehouden waarheden waren er elders in de wereld toch nauwelijks te vinden, zo leek het. Niet alleen socialisten naast en tegenover katholieken en katholieken naast en tegenover protestanten, maar binnen de protestantse zuil hoefde maar één iemand bepaalde bijbelteksten net even anders te lezen, of er werd een nieuwe kerkgemeenschap opgericht: hervormd, gereformeerd, remonstrants, evangelisch-luthers, gereformeerd vrijgemaakt, hersteld hervormd, enzovoort. En dat op een stukje land ter grootte van een postzegel. Maar ook voor diegenen die na de ontzuiling van de jaren zestig volwassen werden en in Nederland altijd een tolerante, open en vooral vooruitstrevende natie van vrijgevochten individuen hebben gezien, lijkt consensus wel het laatste waaraan je bij Nederland en de Nederlanders denkt.

Toch, al die zuilen steunden een en hetzelfde dak en het is niet voor niets dat men in het recentelijk sterk naar rechts opgeschoven Nederland meteen wilde afrekenen met wat met het nodige venijn 'de linkse kerk’ uit de jaren zeventig werd genoemd. Juist die benaming laat mooi zien hoe de linkse mode uit de jaren zestig en zeventig - een haast wereldwijd fenomeen in die dagen - in Nederland een dwingend voorschrift werd voor iedereen, haast een kerkelijke leer, een dogma waaraan niet getornd mocht worden. En omdat de consensus heilig is, werden en worden de zaken die daar niet mee in overeenstemming zijn in Nederland gewoonlijk verzwegen.

'Nederland is niet gewend aan echte discussies’, schreef Geert Van Istendael in Tot het Nederlandse volk (2010), een in briefvorm geschreven analyse van het huidige Nederland. 'U weet dat u het nooit eens zult worden over bepaalde dingen. De conclusie luidt: dan praten we er maar niet over. Maar als u ergens niet over praat, blijft het etteren in het schemerduister.’ Wat later stelt hij: 'Het kenmerk van een geslaagd compromis is dat achteraf iedereen ontevreden is. Het kenmerk van consensus is dat iedereen de hele tijd doet alsof hij tevreden is.’ Het is het verschil tussen Nederland en België in een notendop. Het consensusdenken heeft in ieder geval gemaakt dat Nederlanders zich niet zelden superieur gedragen ten opzichte van inwoners van andere landen waar het slechter geregeld zou zijn ('Belgische toestanden’), of die een verleden hebben dat ze ten eeuwigen dage als voorbeeld ongeschikt maakt (nog steeds kan een ver na de Tweede Wereldoorlog geboren Duitser in Nederland geconfronteerd worden met de vraag: 'Wo kann ich mein Fahrrad bekommen?’, gesteld door Nederlanders die eveneens lang na 1945 werden geboren en die het nooit aan een fiets heeft ontbroken). Maar alweer zal een Nederlander zelf niet echt het idee hebben dat hij zich superieur opstelt. Zijn gedrag is normaal, dus ook: niks bijzonders, niet per se beter dan dat van anderen (hoogstens is het gedrag van anderen slechter), maar 'gewoon’, wat ook betekent: zoals het hoort (als het al niet 'zoals het ís’ betekent). Theo Maassen suggereerde ooit al dat de Nederlandse wapenspreuk niet 'Je maintiendrai’ (ik zal handhaven) zou moeten luiden, maar 'Doe ’s normaal, man!’

Ter vergelijking: áls men het in België al over een overkoepelende normaliteit heeft, dan verwijst men gewoonlijk naar het surrealistische karakter van het land. Het onlogische, het absurde en het ongerijmde zijn er de gewoonste zaak van de wereld, zo lijkt het. Geen wonder in een land met vijf regeringen die elkaar continu stokken in de wielen lijken te willen steken (de federale regering, de Vlaamse regering, de Waalse, de Brusselse en de Duitstalige regering). Een land met drie gewesten (Vlaams, Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), drie gemeenschappen (Vlaamse, Franse en Duitstalige gemeenschap), vier taalgebieden (Duits, Frans, Nederlands en het officieel tweetalige Brussel) en tien provincies en één bestuurlijk arrondissement, zijnde Brussel-Hoofdstad, dat tot geen enkele provincie behoort. Wie ook nog eens nagaat welke instantie precies welke bevoegdheid heeft (de Duitstalige gemeenschap ressorteert onder het Waals gewest, om maar wat te noemen), kan zich verbazen over het feit dat dit land überhaupt iets voor elkaar krijgt. Het heraanleggen van een weg kan al tot onoverzichtelijke complicaties leiden.

L'union fait la force, zo luidt het in meer belgicistische kringen, maar de noodzaak van het compromis maakt steeds meer compromissen nodig om het land nog bij elkaar te houden - waardoor de onvrede alleen maar toeneemt. Het Vlaams nationalisme van de fatsoenlijke, democratische soort (vertegenwoordigd door de n-va van Bart De Wever en niet te verwarren met het meer racistische Vlaams Belang van Filip Dewinter) zou je kunnen zien als een reactie op de bestuurlijke chaos en de algehele inefficiëntie. Het is in ieder geval hoe de n-va zich aan de kiezer verkoopt. Daar hoort het misnoegen bij over het feit dat elke Vlaming jaarlijks zo'n negenhonderd euro aan Wallonië betaalt (meer dan vijf miljard in totaal).

Maar uiteraard gaat het hier niet alleen om een economisch rekensommetje. Achter het Vlaamse nationalisme duikt een hele geschiedenis op van onderdrukking, vernedering en uitbuiting waartegen men in opstand is gekomen. Er bestaat een diepe behoefte om de eigen cultuur duidelijk af te grenzen tegenover die van de anderen, al bestaat er over de invulling daarvan de nodige onenigheid. De cultuurdragers van Vlaanderen zijn kunstenaars als Luc Tuymans, Jan Fabre, Michaël Borremans, Wim Delvoye; schrijvers als Claus en Boon, maar ook Tom Lanoye of Dimitri Verhulst, om de bekendsten te noemen; het gaat om choreografen als Anne Teresa De Keersmaeker, Alain Platel en Sidi Larbi Cherkaoui. Kortom: het zijn (linkse) kunstenaars die in de ogen van de Vlaamse nationalisten met hun werk nu juist de 'echte’ Vlaamse cultuur zouden ontkennen. Die 'echte’ Vlaamse cultuur, zo krijg je de indruk, is rechts en zou vooral bestaan uit vendelzwaaien en boertig volkstoneel.

De strijd tegen de verfransing van Vlaanderen is een ander element dat Vlamingen samenbindt en het land verdeelt. Ze duurt tot op de dag van vandaag voort. Niet alleen rond Brussel, maar tegenwoordig ook al in Aalst, dat dicht genoeg bij Brussel ligt om aantrekkelijk te zijn voor Franstaligen die het in vele ogen 'onleefbaar’ geworden Brussel willen verruilen voor een rustig provinciestadje en dan (natuurlijk!) weigeren om Nederlands te leren. Vlamingen die in de officieel Nederlandstalige rand rond Brussel hun moedertaal verdedigen tegenover inmiddels een meerderheid van Franstaligen, worden door die laatsten dan weer niet zelden uitgemaakt voor fascisten - dit vanwege de duistere allianties die de flaminganten in het verleden zijn aangegaan met de Duitse bezetter in de hoop op die manier toe te kunnen treden tot een Groot-Diets Rijk, of dan toch tot een Groot-Nederland. Enfin, men leze Hugo Claus’ Het verdriet van België. Gezien de problemen rond de tweetaligheid willen naïeve Nederlandse politici nog wel eens suggereren dat Vlaanderen zich dan maar moet aansluiten bij Nederland. Maar de Belgische 'union’ mag dan in plaats van een 'force’ eerder een farce zijn - uiteindelijk zijn de verschillen tussen Nederland en Vlaanderen groter dan die tussen Vlaanderen en Wallonië.

Wie daarvoor een verklaring zoekt, kan bijvoorbeeld teruggaan naar de Tachtigjarige Oorlog en de Val van Antwerpen in 1585. Het verschil tussen beide landen wordt dan vooral een kwestie van religie: het katholicisme van de Belg versus het protestantisme van de Nederlander en de impact die dat heeft op het eigen gedrag. Zelf ben ik a-religieus (maar daarom niet per se anti-religieus) opgevoed en zag ik vroeger nooit een kerk van binnen. Maar sinds ik in Vlaanderen woon besef ik dat ik ben opgevoed in een in wezen protestants land en dat ik daardoor meer dan ik zelf voor mogelijk hield ben bepaald. Ik had het hiervoor al even over rechtlijnigheid versus gemarchandeer. Ik voel me tegenover Vlamingen soms als Luther die het over de aflaat heeft. In België zijn zelfs de meest vrijzinnige (dat is atheïstische) milieus nog katholieker dan de katholieken in Nederland, al heeft ook in België de secularisering ferm toegeslagen. Wat van dat katholicisme blijft hangen in het leven van alledag is een manier van redeneren, van omgang met autoriteit, en ook van omgang met elkaar die hemelsbreed verschilt van de wijze waarop dat in Nederland gaat.

Dat verschil vindt zijn oorzaak natuurlijk in nog andere historische gebeurtenissen. Wat te denken van het feit dat de Eerste Wereldoorlog in het collectieve bewustzijn van de Nederlander helemaal niet lijkt te bestaan, terwijl hij in België nog dagelijks wordt herdacht aan de Menenpoort in Ieper? En ook collaboratie en verzet in de Tweede Wereldoorlog, met aan Vlaamse zijde de Oostfronters die voor Kerk en Vlaanderen de communisten gingen bestrijden aan de zijde van de Duitsers, aan Waalse kant de rexisten van Léon Degrelle - het is nog iets heel anders dan al die Hollanders die zich, zonder het excuus van een taalstrijd en onderdrukking door een Franse elite, enthousiast tot de SS bekeerden, iets wat na de oorlog dan weer niet paste binnen de Nederlandse consensus zoals die door Loe de Jong in zijn standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (1969-1991) werd verwoord: een land van verzets-helden en slechts een handjevol verraders. Het zijn allemaal historische feiten die hun uitwerking hebben gehad op het zelfbeeld of de zelfbeelden die in beide landen bestaan, beelden die hebben gemaakt dat Nederland en België steeds verder uit elkaar zijn gegroeid.

Een Belgische literatuur bestaat niet - wel een Vlaamse, die in toenemende mate apart staat van de Nederlandse literatuur, na overigens heel lang binnen die Nederlandse literatuur vooral stiefmoederlijk te zijn behandeld. We kennen elkaars schrijvers niet meer, behalve de paar commerciële boegbeelden die om andere dan strikt literaire redenen aan beide zijden van de grens bekend zijn. Omdat literatuur vandaag echter niet langer het principiële medium is aan de hand waarvan een natie zich verwerkelijkt, is het misschien beter om te zeggen dat we elkaars tv-persoonlijkheden niet meer kennen: veel bekende Nederlanders zijn in Vlaanderen even onbekend als bekende Vlamingen dat in Nederland zijn. Als teken hoe vreemd we voor elkaar geworden zijn, kan zoiets tellen.


Marc Reugebrink is een Nederlandse schrijver woonachtig in België. Hij schreef essays, poëzie en romans, waaronder Het grote uitstel en Menens