Groen

Keffen

Zo nu en dan gaat het hier over vogels. Vogels waren voor mij altijd gewoon vogels. Ik zag ze, maar had er verder niet bijster veel aandacht voor. Tot ik een paar keer met de libellentelman op pad ging, die niet alleen verstand heeft van libellen, maar ook van vogels. Door zijn verrekijker zag ik een fitis en een gekraagde roodstaart, en ook een ordinaire mus, die door die extra ogen heel speciaal werd. Ik schrijf dit nu op omdat ik een boek gelezen heb van Jean-Pierre Geelen, de tv-recensent van de Volkskrant, een boek dat Blinde vink heet. Daarin probeert hij duidelijk te krijgen, vooral ook voor zichzelf, waarom het nou zo leuk is om naar vogels te kijken. Door zijn boek besefte ik dat ik, simpelweg door de plek waar ik geboren ben, het (toen nog onbewust) bezig zijn met vogels met de paplepel ingegoten heb gekregen. Ik heb er verder nooit aandacht aan geschonken, maar die basis is er. Basiskennis vooral ook, nooit heb ik weidevogels uit het hoofd hoeven leren, ik wist altijd al hoe kieviet, wulp, scholekster of grutto eruitzagen, en als ik een beetje mijn best doe, weet ik ook wat ze roepen. Geelens boek heeft me daarnaast laten inzien hoe makkelijk vogels zijn. Zoogdieren bijvoorbeeld verstoppen zich altijd maar in holen, of rennen hard weg. Vogels laten zich veel makkelijker zien, die vliegen, trippelen of zwemmen, en soms is het net of ze dat speciaal voor ons plezier doen.
Nog zo iets met vogels, een praktijkvoorbeeld: regelmatig staat er onder mijn slaapkamerraam midden in de nacht een auto stationair te draaien, zonder dat ik weet waaróm. Dan heb je mij binnen één minuut zo woest dat ik met zakken witte verf wil gaan smijten. Even regelmatig beginnen midden in de nacht de meerkoeten op het IJ te keffen. Daar kan ik uren naar luisteren, maar dat lukt niet want ik val er gewoon bij in slaap. Je neemt een dier, zeker een vogel, zoiets niet kwalijk. Ik laat me dan ook in het voorjaar en de zomer volgaarne wakker kwinkeleren.