Keihard bonjour

Ik was even weer heel erg voor Parijs geporteerd. Dat kwam zo. Ik ging erheen met de trein, een valies vol met boeken en nog meer boeken in het bagagenet, onzin natuurlijk, want ik moest zelf schrijven.

Ik vervloekte al die bagage, en besloot een taxi te nemen naar mijn tijdelijke onderkomen in plaats van de metro. Er stond een lange rij bij de taxistandplaats waarin ik heel langzaam naar voren schoof. Toen ik bijna vooraan stond kwam er een taxi aanrijden, de chauffeur stak zijn hoofd door het raam naar buiten en lachte naar me. Zo’n vrolijk leuk hoofd, ik kon alleen maar teruglachen. Hé, die taxi is voor mij, dacht ik meteen. En ja, hij zwenkte mijn kant op, ik rolde heel die fucking bagage er naartoe, de vrolijkerd stapte uit, nam als vanzelfsprekend de last van me over, ik zeeg op de achterbank, en ja, vort, daar gingen we, Parijs kronkelde en blonk in de namiddagzon.

Nu heb ik er toch al heel wat voetstappen liggen, maar toch, ik word als een kind zo blij als alleen al het Parijse trottoir zich voor me ontrolt, het bloed dat hier gevloeid heeft, de liefde die er is bedreven, en ja, de boeken die hier zijn bedacht. Eerder deze maand was ik bij mijn dochter op bezoek die in Indianapolis studeert, en die opeens breeduit midden op straat ging staan om eens flink wat lucht naar binnen te snuiven. ‘American air!’ riep ze uit. ‘I love it!’ Op dat moment lachte ik er haar hartelijk om uit, maar in die taxi had ik ook moeite het raampje niet open te schuiven en tout le monde Parisien een keihard bonjour toe te roepen.

U lijkt op een Franse actrice, sprak de taxichauffeur ondertussen, losjes manoeuvrerend, één oog op het verkeer, het andere op mij. Sowieso goed nieuws natuurlijk, ik heb in m’n leven nog geen lelijke Franse actrice gezien. Oké, zei ik, op z’n Frans. Wie dan? Er kwam een naam die ik niet kende, en die ik fonetisch opsloeg in mijn geheugen. Alleen heeft u mooiere ogen, zei hij. Het was dat hij echt zo’n leuk hoofd had, anders was ik er wat van gaan denken. Nu kon ik niet anders dan als een malloot lachen. Dit werd een serieuze flirtage, ik was er klaar voor.

Ik kwam erachter dat hij behalve taxichauffeur ook bakker was. En wel vlak bij mijn onderkomen, het was niet te geloven. Quelle coincidence!

Het grote koeterwalen nam een aanvang, het ging van Amsterdam naar Parijs, van de geneugten van de stad versus die van het platteland, van kerst naar kerst, en ja, natuurlijk, wat ging ik doen in Parijs, hoe lang zou ik er blijven, waar werkte ik dan. Telkens als ik iets zei, zoekend, haperend, zei hij halverwege dat hij me helemaal begreep. Ideaal. Je vous ai compris. Zei De Gaulle dat ook niet tegen het Algerijnse volk vlak voor het genaaid werd?

Waar ik ondertussen achter kwam: dat hij behalve taxichauffeur ook bakker was. En wel vlak bij mijn onderkomen, het was niet te geloven. Quelle coincidence! Iedere ochtend zou ik mijn croissantje gaan halen bij deze leukerd, voorzover hij dat niet persoonlijk aan de deur kwam afleveren. En nog wat. Ik mocht nooit gaan fietsen in Parijs. Echt nooit. Ter illustratie van wat er met mij dan zou gebeuren, reed hij op de Place de la Concorde een fietser aan. Belooft u dat u niet gaat fietsen? Ik beloofde het. Ik was compleet week. Was (als in kaarsen). De wolkenlucht boven de Quai d’Orsay kleurde roze, de Seine woelde dat het een aard had. Aan het Musée d’Orsay hingen wapperende banieren met naakte mannen erop, gehelmd en met speer in de aanslag. Er was een grote expositie gewijd aan het mannelijk naakt, ik had er in de trein al over gelezen, Le masculin. Mocht het schrijven niet lukken, dan kon ik in ieder geval gaan wandelen langs de vloeibare torso’s van Francis Bacon, de naakte voetballers van Pierre et Gilles, de witte billen aan het zwembad van David Hockney. De vitrines van Pierre Hardy schoten voorbij, schatbewaarders van de mooiste schoenen ter wereld. Niet om te dragen, maar om naar te kijken. Of beter nog: om wel te dragen, terwijl je rustig zit te schrijven en verzekerd bent van het Parijse leven rondom.

Vervuld van de gedachte aan verse croissants en andere schone zaken zette ik het eenmaal te bestemder plaatse op een googlen naar de Franse actrice, mijn dubbelgangster. Michelle Lecroque of Michèle Laroque, zoiets moest het zijn. Eerst stuitte ik op een grote negerin. Ja, dacht ik, kán. Zelfs dacht ik een beetje: eindelijk. Eindelijk iemand die het ziet. Vervolgens stuitte ik op een blonde vrouw met een lang melancholiek gezicht. Ook goed, vond ik. Type taart in de oven en hoofdrol Rouw siert Electra. Oui, c’est moi. Om ten slotte uit te komen bij de vrouw van wie ik heel even schrok. Ze was een uitgelaten variant van mezelf.