Keihard werken

Ik ging met een vliegmachine naar Bordeaux. Toen iedereen was ingestapt, kwam er vanuit de cockpit een mededeling. Bij het tanken was een of andere klep beschadigd. De piloot zou ons op de hoogte houden. Later kwam hij met een microfoon in het gangpad staan om te vertellen dat er nog veel onduidelijk was en dat hij nu toch echt binnen tien minuten een bericht zou krijgen over het hoe & wat. Ondertussen keek ik uit het raampje en zag al een tijdje bagage uit het vliegtuig stromen. Ik wist allang dat deze ‘kist’ – zoals de piloot zijn vliegmachine noemde – niet zou gaan vliegen. Goed. Iedereen eruit, ander toestel. Dat toestel kwam uit Moskou, en het was er nog niet. Wij wachten. Daar kwam het. Iedereen eruit, wij erin. Na een tijdje zag ik uit het raampje alle bagage uit de vliegmachine stromen. Ik wist allang dat we niet ‘within five minutes’ zouden vertrekken. Er waren problemen met de bagagepapieren, meldde de piloot na een tijdje. De stewardessen deelden water en een plakje cake uit. Goed, lang verhaal kort: we kwamen met drie uur vertraging – en honger, want buiten het plakje cake was er in de vliegmachine uit Moskou niets te eten geweest – in Bordeaux aan, en ik kwam vervolgens een half uur te laat op de lezing die ik moest houden in Royan, en waar de interviewster aan de bezoekers vertelde wat een toestand het in Frankrijk toch altijd was met die treinen. Laat maar, dacht ik.

In Bordeaux liepen ontzettend veel mensen met de kop van hun elektrische tandenborstel in hun oren. En ze praatten in zichzelf. Heel vreemd. Er waren nauwelijks honden. De rivier was heel breed. Het regende veel. Er was nog een lezing, weer ergens ver buiten de stad, in een prachtige bibliotheek, ik ben de naam van het plaatsje vergeten. Ik probeerde een grapje te maken – uitstekend vertaald door mijn tolk Marie-Caroline van Seggelen – over het aantal bezoekers en het aantal mensen op het toneel. Dat in mijn land de ongeschreven regel bestaat dat als zich op het toneel evenveel of meer mensen dan in de zaal bevinden het evenement afgelast wordt. Dat vonden de drie vrouwen die aanwezig waren geen leuk grapje want het was al half twaalf en volgens hen had de lezing om elf uur moeten beginnen en toen de twee bibliotheekmedewerkers erbij kwamen zitten, bevonden zich in de zaal vijf mensen en achter de lezingtafel drie, dus waar zeurde ik over.

En toen was er nóg een lezing, in Mérignac. Ik dacht dat ik op een schrijversfestival terecht zou komen, in Bordeaux. Gezellig zuipen met buitenlandse collega’s. Allemaal in hetzelfde hotel. Brakke koppen bij het ontbijt. Dat bleek dus niet zo te zijn. (‘Raar!’ zei iemand van de organisatie later toen ik vertelde van de drie bezoeksters. ‘Bij Tommy Orange waren wel honderd mensen!’) Bij binnenkomst stonden er acht stoeltjes in een enorme ruimte, en een meter of twintig verderop – op een hoog podium waar ook tafels stonden met mensen eraan, die zaten te lezen of werken – een aantal rode fauteuils. Daar moesten wij op. ‘Dat zal niet gaan’, zei ik. ‘Zonder microfoon.’ Het was dan wel een bibliotheek, het was er ook nogal rumoerig. Op de rode fauteuils zaten jongens met de kop van hun elektrische tandenborstel in hun oren in zichzelf te praten. We wilden onze jassen kwijt. Wat? O ja. Doe maar daar, bij het bordje accueil. De vrouw bij het bordje accueil zei nors dat daar echt geen jassen konden liggen. ‘Ik heb wel zin in een kopje koffie’, zei ik in het Frans. Koffie? O jee. O ja, daar in die hoek – honderd meter verderop – staat een koffiemachine. Niemand maakte aanstalten koffie voor ons te halen, dus liep de interviewster maar naar de verre hoek. Ik was tegen die tijd zó recalcitrant geworden dat ik later tijdens het gesprek een soort black-out kreeg en met de beste wil van de wereld niet wist wat ik met een naar ik meen niet eens zo moeilijke vraag aan moest. ‘Red me’, zei ik tegen Marie-Caroline van Seggelen. Ze redde me. Dat doet ze wel vaker, want Marie-Caroline van Seggelen is om de een of andere reden altijd mijn tolk als ik iets te doen heb in Frankrijk.

Het kan die bibliotheken allemaal geen barst schelen. Er is een organisatie en die geeft enorm veel geld uit om schrijvers van over de hele wereld aan te laten vliegen, onder te brengen in hotels, te voeden. Maar daar stopt het. De bibliotheken – ik merk het in Nederland ook wel eens – hebben er helemaal geen belang bij. Het is een overheidsinstelling, of een gemeentelijke instelling, weet ik veel, er werken ambtenaren, er moet een bepaald bedrag voor ‘zulke activiteiten’ uitgegeven worden. Er staan boeken maar er vallen geen boeken te verkopen. Er is geen enkele reden om je best te doen om zo veel mogelijk bezoekers naar binnen te lokken. Boekhandelaren doen daar wel hun best voor, want hoe meer mensen, hoe meer boeken er mogelijk verkocht gaan worden. Voor bibliotheekmedewerkers betekent het meestal alleen maar vervelend overwerk. ‘Wie is die Tommy Orange eigenlijk?’ vroeg mijn man. ‘Fransen houden helemaal niet van Amerikaanse schrijvers.’ (Dat weet hij omdat hij lang in dat land woonde.) ‘Een hype’, zei ik. ‘Maar dan wel een die schrijft over indianen, pardon, Native Americans, dus het is een politiek boek, en daar smult iedereen dan van, zelfs Fransen.’

Verder was Bordeaux erg fijn. Ik had regenbooglori’s en ringstaartmaki’s op mijn kop zitten in de dierentuin, er zijn foto’s als bewijs, en we ontmoetten in een trein boomlange en forse Chinezen, wat mij zo verbaasde dat ik er een aansprak en vroeg waar zij vandaan kwamen, gezien hun postuur. Uit het Noorden soms? ‘Kleine Chinezen zijn een cliché’, zei hij. Nou, dat weten we dan ook weer. Jammer genoeg was op maandag het natuurhistorisch museum dicht. Dode, opgezette dieren, ik ben er dol op. De terugvlucht verliep vlekkeloos, er stroomde op geen enkel moment bagage uit de vliegmachine. Nu ben ik weer thuis en nu ga ik me beraden over ‘zulke activiteiten’.