Cassius Dio

Keizers der decadentie

Cassius Dio, Vier keizers: Rome onder Tiberius, Caligula, Claudius en Nero

Vertaald door G.H. de Vries Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep 304 blz., ƒ75,-

Het schandelijke leven van Heliogabalus, de decadentste keizer van Rome.

Vertaald door Vincent Hunink Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep 64 blz., ƒ15,-

Wat zou er gebeuren als Wim Kok ineens absolute macht kreeg? Zou hij zich overgeven aan decadente vreetpartijen en seksuele uitspattingen, zou hij met satanisch genoegen politieke tegenstanders gaan martelen en intussen de staatskas tot de laatste florijn leegroven? Het lijkt niet waarschijnlijk. Voor dergelijke vormen van machtsmisbruik is meer nodig dan dat er gelegenheid toe geschapen wordt. Een verkeerde opvoeding bijvoorbeeld, een familietraditie, pure verveling en vooral veel verbeeldingskracht. De schoften van deze wereld kunnen inspiratie putten uit de levensbeschrijvingen van hun illustere Romeinse voorgangers. Met kennelijke wellust hebben Griekse en Romeinse schrijvers zich op de biografieën van monsters als Caligula en Nero geworpen, wat niet in alle gevallen belangrijke literatuur heeft opgeleverd, maar doorgaans wel onderhoudende lectuur.

De grootste prozaïst van de oudheid is Tacitus (ca. 40-120). Zijn cynische Annalen zijn voor een aanzienlijk deel nog op verslagen van ooggetuigen gebaseerd. Wat Tacitus over Tiberius, Claudius en Nero schrijft, is van stijl vaak even verwrongen als de hersenspinsels van de protagonisten, maar heeft, juist door de bondigheid die Tacitus’ handelsmerk vormt, een zeggingskracht die bij iedere lezing weer onthutst. Iets later schreef Suetonius zijn vermakelijke keizersbiografieën. Anders dan Tacitus is Suetonius niet zozeer geïnteresseerd in de geschiedenis van de door hem opgeroepen periode, als wel in saillante details betreffende de levenswandel van de keizers. Zijn teksten zijn dan ook niet chronologisch opgezet, zoals die van Tacitus, maar thematisch.

Een eeuw later zette de Griek Cassius Dio (ca. 160-235), die zelf deel uitmaakte van de Romeinse senaat, zich aan zijn geschiedenis van het Romeinse rijk. Een periode van ongeveer duizend jaar werd chronologisch behandeld in tachtig boekrollen, waarvan tweederde verloren is gegaan. G.H. de Vries vertaalde de boeken over Tiberius, Caligula, Claudius en Nero. Cassius Dio moet ook het kortstondige bewind van Heliogabalus hebben meegemaakt, die in 218 als veertienjarige tot keizer werd uitgeroepen en vier jaar later uit de weg werd geruimd. In de zogeheten Historia Augusta, een verzameling keizersbiografieën uit de vierde eeuw, staat een sensationele levensbeschrijving van deze verknipte jongeman. Vincent Hunink vertaalde het boekje.

De veronderstelling dat decadentie een traditie behoeft, wordt door deze boeken ruimschoots ondersteund. Hoewel Tiberius (keizer van 14 tot 37) geen Wim Kok was, wortelde hij nog in de republikeinse tijd en was hij een gehard veldheer. Zijn probleem was niet dat hij slecht was opgevoed, maar dat hij bij zijn moeder Livia onder de plak zat. Toen zij er eindelijk in was geslaagd haar zoon op 56-jarige leeftijd tot keizer te laten uitroepen, had Tiberius allang geen zin meer in regeren. Wat Cassius Dio over Tiberius’ karakter zegt, strookt wel met de mededelingen van Tacitus en Suetonius, al is Cassius’ psychologie niet half zo subtiel als die van Tacitus. Tiberius «liet nooit merken wat hij graag wilde, en als hij zei dat hij iets wilde, meende hij daar eigenlijk niets van: zijn woorden waren precies het tegenovergestelde van waar zijn voorkeur echt naar uitging».

Bij Caligula (37-41) gaat het, zoals bekend, echt mis: «Een van zijn paarden nodigde hij vaak uit bij het diner. Hij zette het dier gouden gerstekorrels voor en bracht een toost uit met wijn in gouden bekers. Hij legde een eed af bij voorspoed en heil van het paard en beloofde zelfs dat hij het tot consul zou laten benoemen.» Caligula’s wreedheid is legendarisch, maar je krijgt er geen hoogte van of de man nu gewoon gestoord was of een wat uit de hand gelopen gevoel voor humor bezat.

Claudius dronk te veel maar was verder een bekwaam keizer. Zijn achterneefje Nero (54-68) pakte het echter groots aan. Wie Cassius Dio erop naslaat, ziet al zijn vooroordelen over sadistische Romeinse keizers bevestigd. Toch is wat Nero op het gebied van feesten uithaalt slechts kinderspel vergeleken bij de extravagantie van Heliogabalus, wiens vindingrijkheid in het najagen van genot zijn weerga niet kent. Ministers werden geselecteerd op de omvang van hun geslachtsdelen, hij had ligbanken van massief zilver, hij at kamelenhielen en van levende hanen afgesneden hanenkammen, hij liet zwembaden met wijn vullen, serveerde gasten voedsel van ivoor en aardewerk, en hij liet zich publiekelijk in al zijn openingen neuken. «Ook had hij de gewoonte om acht kale mannen te eten te vragen of acht eenogigen of acht jichtlijders, acht doven, acht negers, acht lange mannen of acht dikkerds. Al die mensen wilde hij zo laten uitlachen.» Met zijn wreedheid viel het wel mee: voor moorden was hij te blasé. Vermoedelijk was het zijn financieel wanbeheer dat hem fataal werd. In 222 vond hij de dood in een openbaar toilet.