De glorieuze terugkeer van het ‘ik’

Ken uw selfie

Digitaal exhibitionisme en doorgeschoten egoïsme, tekenen van een nieuw ik-tijdperk zijn makkelijk aan te wijzen. Maar is een beetje narcisme niet juist gezond?

Medium narcisme

Afgelopen december was Helle Thorning-Schmidt, de premier van Noorwegen, het onderwerp van een schandaaltje. De sociaal-democratische landsbestuurder – bijgenaamd Gucci Helle, vanwege haar voorkeur voor haute couture – had een selfie gemaakt tijdens een bijeenkomst waar meer wereldleiders bijeen waren dan op een gemiddelde VN-bijeenkomst: de begrafenis van Nelson Mandela. Thorning-Schmidt werd geflankeerd door David Cameron en Barack Obama die samen met haar in de lens van haar smartphone grijnsden. De kwestie kreeg een o-la-la-tintje vanwege Michelle Obama die stuurs voor zich uit leek te kijken terwijl haar man richting de blonde Noorse premier leunde. Maar de meeste ophef rondom deze selfie ging over de vraag of het wel kon, jezelf kieken tijdens de begrafenis van een van de belangrijkste politici van de afgelopen honderd jaar.

Zelf zag Thorning-Schmidt er geen kwaad in. ‘Er werden volop foto’s genomen, maar het is leuker om zo een foto te nemen omdat het mensen bij elkaar brengt; je ziet er altijd wat maller uit op een selfie. Dus vind ik selfies leuk’, verklaarde ze in een interview met The Financial Times. Veel kranten deden er minder luchtig over. The New York Post noemde haar ‘een Deense taart’. De Engelse Daily Mail vond het een narcistische vertoning. Door de camera op zichzelf te richten maakte Thorning-Schmidt haar eigen persoon, en die van Cameron en Obama, belangrijker dan de overledene die werd geëerd.

Nu kun je eindeloos bakkeleien over de vraag of zelf een foto nemen nu echt zo anders is dan een leger persfotografen uitnodigen die hun camera’s mogen richten op alle aanwezigen, maar de stap van een digitaal zelfportret naar het verwijt van narcisme is snel gemaakt. Geen beter symbool van het nieuwe ik-tijdperk dan ‘selfie’, dat in 2013 door de Oxford Dictionary werd gekroond tot woord van het jaar. Narcissus kon zichzelf niet meer losrukken van zijn weerspiegeling en stierf van honger en dorst aan de waterkant. Anno 2014 zijn we allemaal narcisten en hoeven we niet te vrezen voor zo’n tragisch lot. We hebben onze spiegel permanent bij ons, klaar om onszelf op ieder gewenst moment vast te leggen. En dus staan Facebook, Instagram en Twitter vol met digitale zelfportretten, genomen op feesten, met De nachtwacht of de Taj Mahal op de achtergrond of – een recente trend – post-coïtaal, met je partner erbij. Nog fraaier zijn de selfies voor de spiegel: het ik dat naar zichzelf kijkt, met Droste-effect.

Wie zoekt naar een aangrijpingspunt voor een rondje cultuurpessimisme komt dus al gauw op de selfie uit. In het digitale zelfportret komt heel wat gesomber over het narcisme van de huidige tijd samen. Over de generatie van verwende millennials die denken dat de wereld om hen draait, over exhibitionistische popsterren en acteurs of gewoon over jan en alleman die denken dat de wereld zit te wachten op hun zelfetalering. Ook vanuit de wetenschap wordt bewijs aangedragen dat het digitale tijdperk hand in hand gaat met obsessieve aandacht voor het eigen zelf. Volgens Tomas Chamorro-Premuzic, hoogleraar business psychology aan University College London, leven we in een tijdperk van ‘digitaal narcisme’ en is er een directe correlatie tussen de hoeveel status updates, tweets en selfies die iemand de wereld in stuurt en zijn score op de narcisme-index. Jean M. Twenge, een psycholoog verbonden aan San Diego State University en auteur van Generation Me en The Narcissism Epidemic, staat het onomstotelijk vast dat huidige generaties narcistischer zijn dan de voorgaande.

‘Ik heb één leven en ik mag het leven zoals ik dat wil.’ Het was een motto dat kon worden aangegrepen voor alles

Het klinkt allemaal bekend. De conclusie dat we lijden aan een collectieve narcisme-stoornis is een regelrechte echo van de jaren zeventig, het decennium dat door Tom Wolfe werd bestempeld als the ‘me’ decade. Volgens Wolfe bood de naoorlogse welvaart ongeëvenaarde ruimte voor zelfbeschikking en preoccupatie met het eigen welzijn. De leden van de alternatieve counterculture van de jaren zestig, die de nadruk legde op het ontdekken van ‘je ware zelf’, waren wat dat betreft pioniers. In de jaren zeventig werd de ik-cultuur gemeengoed, ook onder de middenklasse die zich massaal bekeerde tot het ethos van zelfontplooiing en verantwoordelijk zijn voor je eigen geluk. De jongens en meisjes van reclamebureaus hadden, zoals wel vaker, de tijdsgeest al vroeg in de smiezen. ‘If I’ve only one life, let me live it as a blonde!’, een slogan voor een bepaald merk haarverf, vatte the ‘me’ decade perfect samen, zo schreef Wolfe. Voor ‘blond’ kon je volgens hem alles invullen, de boodschap bleef dezelfde: ik heb één leven en ik mag het leven zoals ik dat wil. Het was een motto dat kon worden aangegrepen voor alles, voor het scheiden van je vrouw tot het jezelf overgeven aan seksuele experimenten, voor het gebruiken van drugs tot het opzeggen van je baan om met een motor het land rond te toeren.

Een reclameslogan is ook wat Simon Blackburn veertig jaar na Tom Wolfe aanzette tot nadenken over de ik-cultuur. Blackburn is filosoof, met een lange carrière achter de rug aan Oxford en Cambridge. Hij boekte succes met populair-filosofische boeken over ’s levens grote onderwerpen , zoals Being Good, Lust en Truth: A Guide. In zijn recente Mirror, Mirror: The Uses and Abuses of Self-Love is L’Oréal het afzetpunt voor een beschouwing over hedendaags narcisme. ‘Because you’re worth it’ is de marketingklassieker waarmee dat bedrijf cosmetica aan de man/vrouw brengt (opvallend: in Nederland werd de slogan vervormd tot ‘omdat ik het waard ben’. Sinds 2005 gebruikt het bedrijf ook in Engelstalige landen het ‘Because I’m worth it’. Ging Nederland voorop in de ik-cultuur?)

De slogan, naar alle waarschijnlijkheid niet gericht op een kalende, gepensioneerde Engelsman die graag Immanuel Kant leest, houdt Blackburn naar eigen zeggen al jaren bezig. Het biedt een blik op de donkere kant van de mens, met zijn trots, ijdelheid en zucht naar bevestiging. De tweede reden waarom de filosoof geobsedeerd is door L’Oréal-reclames is dat hij uitgevonden is door een specifieke generatie ‘die over de jaren heen het motto “greed is good” zo schaamteloos heeft geïmplementeerd’. ‘Het is de generatie die Margaret Thatchers There is no such thing as society onderschreef en die hun roofbouw op het algemeen belang als verworven recht beschouwt, “omdat ze het waard zijn”.’

Blackburn zaagt hier dikke planken van het kromhout waaruit de mens gemaakt is. De opmaat van reclameslogans, inhalige bankiers en eigentijds narcisme belooft een sombere cultuurbespiegeling die zo naast Wolfe op de boekenplank kan. Het pakt anders uit. In de ogen van Blackburn is aandacht voor jezelf zoiets als alcohol: een bescheiden dosis ervan doet veel goeds voor het sociale verkeer en het individuele welzijn, maar te veel verandert iemand in een onuitstaanbaar persoon. Blackburn haalt het voorbeeld aan van William Darwin, de oudste zoon van Charles Darwin (Blackburn heeft een scherp oog voor volslagen obscure, maar treffende anekdotes). Oom William werd door zijn nichtje omschreven als ‘de meest zelf-onbewuste persoon die ooit had bestaan’. Op de begrafenis van zijn beroemde vader in Westminster Abbey, zo vertelt kleindochter Darwin, zat oom William op de voorste rij als hoofd van het rouwende gezelschap, zoals het een eerste zoon betaamt. William voelde een tochtje langs zijn kale hoofd waaien. Ter bescherming legde hij zijn handschoenen boven op zijn hoofd. Zo zat hij erbij, de hele dienst ‘with the eyes of the nation upon him’.

Goede manieren en een vleugje narcisme zouden wel eens twee kanten van dezelfde medaille kunnen zijn

Nu zou je kunnen zeggen dat Uncle William een leuke excentrieke Engelsman is, die zich niets van de wereld aantrekt. Maar, vraagt Blackburn zich af: was het ook zo leuk geweest als hij, oblivious voor de ogen die op hem zijn gericht, had besloten om zijn broek uit te trekken omdat die jeukte, of het orgel had vergezeld door op een mondharmonica te spelen? Blackburns punt: wie niet met zichzelf bezig is, doet rare dingen en is anderen tot last of brengt ze in verlegenheid. ‘Is het niet zo dat het persoon zonder zelfbewustzijn het gesprek domineert, niet begrijpend dat hij anderen dodelijk verveelt?’ Goede manieren en een vleugje narcisme zouden dus wel eens twee kanten van dezelfde medaille kunnen zijn.

Natuurlijk bestaat er volgens Blackburn ook zoiets als te veel aandacht voor wat anderen van je denken. In de pas met denkers die beweren dat we zwelgen in collectief narcisme haalt Mirror, Mirror uit naar de uitwassen van de selfie-cultuur. Blackburn windt zich op over ‘zwermen egoïsten die bezienswaardigheden, kunstgaleries, concerten, de publieke ruimten en cyberspace onveilig maken’. ‘Dit slag heeft als voornaamste doel vast te leggen dat ze erbij waren en als tweede het resultaat daarvan te delen met zo veel mogelijk anderen.’ De smartphone is de ‘vloek van de publieke ruimte, waarmee mensen maar wat in de rondte klikken, de lens vooral op zichzelf gericht, en pas in tweede instantie op wat er om hen heen te zien is.’

Maar zijn al die zelf-rapporteurs ook narcisten? Nee, zegt Blackburn, althans niet in klassieke zin. Narcissus had genoeg aan één persoon die hij zag toen hij in de waterspiegel keek. Hij maakte geen gebruik van de sociale media van zijn tijd: praten met anderen (‘omg!, ik heb nou toch iemand ontmoet…’). De nimfen die naar hem lonkten, deden hem niets. Voor Narcissus, in tegenstelling tot de nemer van een selfie, bestond de wereld om hem heen eigenlijk niet. Hij is meer oom William dan een allegorie van de eigentijdse, door zichzelf geobsedeerde mens. Maar een belangrijk, en vaak vergeten, detail van de mythe is dat Narcissus zich aanvankelijk niet realiseerde dat hij naar zichzelf keek. Toen dat tot hem doordrong, schrok hij weg van de waterkant. Maar op dat moment was hij al fataal verliefd, niet op zijn selfie maar op wat hij dacht dat een prachtige onbekende jongeman was. Tragisch tot en met. Zo bezien is het gebruiken van de naam van die arme kerel om een collectieve stoornis van de consumentenmaatschappij te omschrijven in feite een onrecht.

Medium narcismegroene2
‘Narcisme verklaarde onze capaciteiten voor creativiteit en idealisme, evenals onze woede en wreedheid’

Wie wil weten hoe dat onrecht in de wereld kwam kan terecht bij The Americanization of Narcissism van Elizabeth Lunbeck. In haar boek gaat deze historicus aan Vanderbilt University op zoek naar de wortels van de veelgehoorde klacht dat de samenleving steeds narcistischer wordt. Zoals Lunbeck terecht opmerkt worden de vermeende zonden van de laat-kapitalistische samenleving bijna altijd teruggevoerd op een of andere vorm van egoïsme: roekeloze Wall Street-jongens, zonnekoningen in het openbaar bestuur, de leeghoofdige jeugd en de botox-afhankelijke ouderen, allemaal worden ze opgevoerd als voorbeelden van te veel zelfbewondering en te weinig zelfbeheersing.

De melodie van die klaagzang is volgens Lunbeck geschreven door Christopher Lasch, die eind jaren zeventig the ‘me’ decade afsloot. In 1979 verscheen zijn bestseller The Culture of Narcissism: American Life in an Age of Diminishing Expectations. Schreef Wolfe nog een ironisch-afstandelijk portret van de ik-cultuur, Lasch trok ertegen ten strijde. Welvaart en overvloed, zo klaagde hij, hadden de Amerikaan veranderd van een hard werkende, gemeenschapsgezinde steunpilaar der natie in een slappe, gefeminiseerde consument voortdurend op zoek naar het bevredigen van zijn impulsen. Lasch beklaagde de ondergang van traditionele instituties zoals het gezin. Er zat een misogyn ondertoontje in zijn betoog. Het waren vooral vrouwen die werden aangejaagd tot hersenloos consumeren. De wasmachine en de pil waren in zijn ogen eerder een vloek dan een zegen.

In de ogen van Lunbeck staat Christopher Lasch symbool voor een hele generatie mopperende mannen die vanaf de jaren vijftig tot en met de jaren zeventig hun verhalen over culturele malaise als gevolg van individualisering konden spuien. Daar zou je nog aan kunnen toevoegen dat hij ook symbool staat voor de cultuurkritiek van deze tijd. Het is opvallend hoe weinig het conservatieve betoog is vernieuwd in de afgelopen veertig jaar. Individualisme, slappe ruggengraten en ziekelijke zucht naar bevrediging zijn nog altijd de demonen die conservatieven uit hun slaap houden.

Lasch en anderen leenden narcisme van de psychoanalyse en maakten er een maatschappelijke diagnose van. Het sloeg direct aan bij het Amerikaanse (en ook het Nederlandse) publiek dat in de jaren zeventig door en door vertrouwd was met het psychoanalytisch vocabulaire. Wat Lunbeck – die expert is in de geschiedenis van psychiatrie en psychoanalyse – stoort, is dat bij de popularisering van het begrip ‘narcisme’ de nuance verloren ging. De term was oorspronkelijk gemunt door niemand minder dan Sigmund Freud in zijn essay uit 1914 Zur Einführung des Narzißmus. Tot aan de jaren zeventig was het een relatief onbelangrijke categorie in de hele freudiaanse rataplan, ondergeschikt aan zaken als het oedipuscomplex, castratieangst en hysterie.

Mensen zonder zelfkennis zijn misschien nog vervelender dan de persoon die zichzelf met de Taj Mahal op de foto zet

Voor Freud en andere analytici was narcisme zowel goed als slecht. ‘Het werd gebruikt om zowel het beste als het slechtste in de mens aan te duiden’, schrijft Lunbeck. ‘Het verklaarde onze capaciteiten voor creativiteit en idealisme, evenals onze woede en wreedheid, zowel ons streven naar perfectie als onze neiging tot destructiviteit.’ Narcisme, zo schreef de psychoanalyse voor, is nodig voor het streven van een kind om zelfstandig te zijn, op eigen benen te staan. Eenmaal volwassen, maakt het kinderlijke egoïsme plaats voor een gezonde aandacht voor het eigen welzijn, gecombineerd met aandacht voor de noden van anderen. Wie lijdt aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis is blijven hangen in de fase waarin de mens denkt dat alles op aarde om hem draait.

Dit pseudo-wetenschappelijke raamwerk werd door de cultuurcritici aangegrepen om hun aanklacht tegen de naoorlogse consumentencultuur te doen. Alleen werd narcisme gestript van zijn oorspronkelijke dubbele betekenis. Voor mannen als Lasch was het een kwaal die de samenleving te gronde richtte, punt uit. Maar, zoals meestal, wat voor de een geldt als ondergang is voor de ander een bevrijding. Lasch’ ondertitel is veelzeggend: An Age of Diminishing Expectations. Dat gold misschien voor hem, maar voor veel anderen (jongeren, vrouwen, niet-heteroseksuelen, in Lasch’ ogen de voorhoede van narcistische ik-cultuur) begon het allemaal pas. Zij waren als de kinderen die een dosis narcisme nodig hadden om de stap naar maatschappelijke volwassenheid te kunnen zetten.

Vandaag de dag, zou je kunnen zeggen, beleeft het ‘ik’ een glorieuze terugkeer (als het al ooit echt weg was). De ene na de andere titel over ‘het zelf’ verschijnt. In Self gaat filosoof Barry Dainton in op de vraag of het zelf bestaat zonder lichaam. In Me, Myself and Why: Searching for the Science of Self maakt journalist Jennifer Quellette een ronde langs de verschillende wetenschapsgebieden waar het zelf momenteel hot topic is. De neurowetenschappelijke revolutie heeft de vraag ‘wat is het “ik”’ op scherp gezet. Is de kern van ons ware zelf te vinden in onze hersenpan, en inzichtelijk te maken met een fMRI-scan? Zíjn wij ons brein, zoals Dick Swaab beweert? In hitfilms speelt de narcist tegenwoordig een hoofdrol. Op schoenen van het fijnste leer schuifelt Jep Gambardella in La grande bellezza door de straten van Rome, ‘geboren om Jep Gambardella te zijn’, alsof die stad een decor is dat om hem heen is gebouwd. We gniffelen om Jordan Belfort in The Wolf of Wall Street, die burgermannetjes financieel een poot uitdraait en zijn fortuin viert met in champagne gedrenkte feesten.

Tegelijk is narcisme terug als cultuurkritiek. Zelfoverschatting – en blindheid voor anderen – wordt steevast opgevoerd als reden waarom zowel politiek als economie ontspoort. De financiële crisis is een case in point. Het waren narcistische bankiers die zichzelf superieur waanden en het algemeen belang offerden op het hakblok van hun eigen salarisstrookje. Ook de meest desastreuze politieke keuzes in de recente geschiedenis worden toegeschreven aan dit soort hybris. In 2009 schreef David Owen, dokter en politicus, het boek The Hubris Syndrome: Bush, Blair the Intoxication of Power waarin hij constateerde dat veel leiders, politieke leiders vooral, zich op zo’n manier gedragen dat ze in aanmerking komen voor de kwalificatie ‘medisch erkende afwijking’. Ze geloven in de onfeilbaarheid van hun eigen gelijk, dichten zichzelf een haast messianistische rol toe en geloven dat zij boven wet en norm verheven zijn. Het zijn trekjes die in ieder mens aanwezig zijn, maar bij leiders en bestuurders vaak pathologische vormen aannemen, met alle destructieve gevolgen van dien.

En opent zich opnieuw de valkuil die Elizabeth Lunbeck signaleert in The Americanization of Narcissism, dat ‘narcisme’ een kant-en-klaar label wordt, vrij te plakken op alles wat we afkeuren, terwijl we vergeten dat het ook een goede kant heeft? Niet als het aan Simon Blackburn en Lunbeck zelf ligt. Blackburns betoog draait uit op een pleidooi voor zelfkennis en gepaste trots op de eigen prestaties, zonder daarin door te slaan. Maar wie zichzelf wil kennen, zal naar zichzelf moeten kijken en misschien zelfs een beetje van zichzelf moeten houden. Zelfhaat, het tegenovergestelde van narcisme, is net zo hinderlijk, zij het meer voor de persoon zelf dan voor de maatschappij. Een beetje narcisme dus, maar niet te veel.

Wat dat betreft kan Blackburn geruststelling putten uit hoe het afloopt met de hedendaagse narcist. The Wolf of Wall Street gaat aan zelfoverschatting ten onder. Zijn vrienden verlinken hem, hij wordt verlaten door zijn vrouw (twee keer) en moet de kost verdienen door op te treden als motivational speaker voor diezelfde burgermannetjes die hij zo minachtte. Jep Gambardella is uiteindelijk alleen, komt tot de conclusie dat Rome eeuwiger is dan hij en realiseert zich dat schoonheid hem nooit meer zo in vervoering zal brengen als die ene keer, toen hij als adolescent keek naar zijn vakantieliefde die haar bh uittrok. Hybris eindigt in straf en nederigheid.

Dat narcisme een noodzakelijk station is richting zelfkennis is ook de overtuiging van filosoof en schrijver Martijn Meijer. In Moeilijk te geloven dat ik echt besta: Over het verlangen naar zelfkennis windt hij er geen doekjes om. ‘Waarom ik een filosofische narcist ben’, zo opent zijn boek, dat een verzameling korte overpeinzingen bevat over hoe het ik met zichzelf wordt geconfronteerd. Niet dat Meijer, zoals hij schrijft, een ‘onrealistisch zelfbeeld cultiveert’ maar hij gelooft in zelfreflectie die uiteindelijk moet leiden tot zelfkennis. Hij is bovenmatig geïnteresseerd in zichzelf als studieobject. Opnieuw niet omdat hij nu zo interessant is, maar simpelweg omdat er niemand dichter bij hem staat dan hijzelf.

Meijer meent net als velen dat we in een narcistisch tijdperk leven. Was in de negentiende eeuw de dandy met zijn zorgvuldig geconstrueerde verschijning een uitzondering, zo merkt hij op, ‘vandaag leven en slapen we allemaal voor de spiegel’. Loop op een gemiddelde dag door Amsterdam en je ziet wat Meijer bedoelt: een parade van zorgvuldig gestylede mensen, in de zomer met vintage-zonnebril, ’s winters met de juiste muts en donsjack. Maar hoewel we zo gecharmeerd zijn van ons eigen voorkomen komen we nog altijd te kort en daarom zoeken we bevestiging bij anderen. En dus wordt de telefoon te voorschijn gehaald om een selfie te maken voor onze vrienden op Facebook. We kijken naar onszelf, maar doen dat door de blik van anderen. Maar dat leidt niet tot zelfkennis, en mensen zonder zelfkennis zijn misschien nog vervelender dan de persoon die zichzelf met de Taj Mahal op de foto zet, of een kiekje van zichzelf neemt op iemands begrafenis. Voor zelfkennis moet je tijd met jezelf doorbrengen, ongehinderd door anderen. Wees daarom een narcist, en dan wel een echte graag, die naar zichzelf kijkt en genoeg heeft aan zichzelf. Daar komt de middenweg die filosofen Blackburn en Meijer bepleiten op neer. Maar vergeet niet jezelf op tijd los te rukken van dat spiegelbeeld.