‘Maar wil je je, wil je je please alsjeblieft, wil je je netjes gedragen?’

Uit: Judith Herzberg, Reispijn

Mijn vriendin F werkt sinds nog niet zo lang in een Amsterdamse boekwinkel aan het Spui. Mijn lievelingswinkel: ze hebben alles en er werken de leukste mensen. F is een groot lezer, maar ze heeft geen ‘achtergrond’ in de literatuur. De afgelopen twintig jaar bracht ze door in zwembaden. Tussen het winnen van Olympisch en ander goud door, las ze – uren, jaren, stapels boeken.

Met geen ‘achtergrond’ bedoel ik dat niemand haar heeft aangeleerd hoe je arrogant moet doen over cultuur, moet strooien met kennis, moet bluffen en anderen de maat nemen.

F is een van de leergierigste en nieuwsgierigste mensen die ik ken. Nu ze is gestopt met zwemmen, wil ze weten hoe de rest van de wereld eruitziet. De eerste weken bij de boekhandel waren niet mals. Een schamper lachje als ze een naam verkeerd uitsprak, een meewarige blik als ze iets moest opzoeken: het leek of ze constant getest werd.

Op een middag had er een ronduit onaardige klant aan haar balie gestaan, die een boek had besteld en niet de moeite nam haar te vertellen onder welke naam hij dat had gedaan. Kende zij hem dan niet? Hij was een schríjver!

Een paar weken later stond er een stukje van de onaardige schrijver in de krant. Hij bleek een rubriek te hebben over ‘boeken en boekhandels in Amsterdam’. Op gezette tijden schreef hij larmoyante stukjes over de goede oude tijd: dode mannen en antiquariaten. Deze slotaflevering, getiteld ‘Niets is meer zoals het was’, is een pijnlijk eerlijke weergave van hoe het voelt om als een oude verwarde man door een stad te dolen en compleet de weg kwijt te raken. Tram 12 blijkt tram 13, de boekhandel heeft plotseling ‘overal trappetjes die naar zaaltjes leidden die er eerder niet waren geweest’ en tot overmaat van ramp waren de ‘dames en heren’ van weleer (met wie de schrijver ‘vaak lange gesprekken over boeken voerde’) vervangen door ‘meisjes’. Het kwam me voor dat deze schrijver al zeker vijftien jaar überhaupt niet buiten was geweest.

Maar goed, hij had een boek van Georges Perec besteld (in het Frans!), en met gevaar voor eigen leven ging hij dat nu ophalen. Om bij de balie de genadeklap toebedeeld te krijgen: mijn vriendin F, die hij curieus genoeg bij haar voornaam noemt in zijn stukje, weet niet wie hij is.

Dit is allemaal op zich lachwekkend, natuurlijk: de schrijver die meent omlaag te kunnen trappen naar iemand die hem niet herkent, maar alleen zijn eigen kleinzieligheid tentoonstelt (en zich volledig onbewust lijkt te zijn van het feit dat hij zijn Perec krijgt overhandigd van een Olympisch kampioen – een kans die uiteindelijk maar weinigen is gegund).

Wat er jammer aan is, is dat zulke mensen toch je dag kunnen verpesten. En dat ze symbool staan voor een culturele wereld die geslotener en meer naar binnen gekeerd is dan ze van zichzelf vermoedt. Je vergeet het soms, als je je aan de binnenkant bevindt: je denkt dat toegang vanzelfsprekend is, makkelijk, gratis.

De tijd dat ik zelf onderaan in de hiërarchie stond, zal ik nooit vergeten. Ik werkte als programmamaker bij een cultureel centrum, waar ik in noodtempo van alles leerde, niet in de laatste plaats over mensen die zich allerlei onaangenaam gedrag meenden te kunnen permitteren door hun plek aan de bovenkant in diezelfde hiërarchie.

Ik moest mensen bellen die overduidelijk geen zin en tijd hadden om met mij te spreken – bij één uitgeverij werkte iemand die de telefoon gewoon oplegde midden in het gesprek als zij vond dat het afgelopen was. Er waren arrogante hoogleraren, met speciale leerstoelen en nog specialere behandelingen. Dieuwke Wynia-achtigen die naar hun pijpen dansten en tijdens dat gedans iedereen aan de kant beukten die in de buurt stond. Sommigen van die mensen gedroegen zich later, toen ik eenmaal schrijver was, ineens ontzettend hoffelijk.

Ik zal nooit vergeten wie er toen al aardig waren (de directrice van ons centrum, die een geweldige baas was; de toenmalige directeur van de boekhandel aan het Spui), zoals ik nooit zal vergeten voor wie dat beslist niet gold.

Wat die laatste groep verenigt is, onder andere, het misplaatste geloof dat de tijd stilstaat. Dat zij altijd bovenaan zullen staan, dat de meisjes altijd de meisjes blijven. Ze vergeten dat de tijd zich uiteindelijk tegen hen keert. Dat schrijven een vorm van wraak is. Een maaltijd die, zoals iedereen weet, het best koud opgediend wordt.