Kunst: Michael Soi

Kenia op de korrel

Michael Soi verbeeldt op vaak geestige, maar ook confronterende wijze wat in het door en door christelijke Kenia iedereen weet, maar wat niet openlijk gezegd mag worden.

Implementing covid rules 1 © Michael Soi

Het is alsof het coronavirus de Keniaanse schilder Michael Soi (1972) vleugels heeft gegeven. Vrijwel dagelijks verschijnen op zijn Instagram-account foto’s van nieuw werk. Van het schilderij dat hij maakte op ‘Day 9’ en ‘Day 10’ van de coronacrisis in Kenia plaatste hij ook een filmpje. Kenya’s version of fighting the Rona noemt hij het. Op het doek wordt een groep welgevormde, bemondkapte Keniaanse vrouwen in strakke, felgekleurde jurken belaagd door drie politieagenten die uitgerust zijn met wapenstokken en mitrailleurs. Een vrouw wordt bij de hals gegrepen, een andere in elkaar getrapt. Wat is hier aan de hand?

Twee dagen ervoor had president Uhuru Kenyatta de avondklok ingevoerd. Met uitzondering van mensen in ‘essentiële beroepen’ mocht van zeven uur ’s avonds tot vijf uur in de ochtend niemand zich meer op straat begeven. Ter voorkoming van verspreiding van het virus. Op Twitter en in de Keniaanse media verschenen de volgende dag filmpjes van groepen mensen die op weg naar de laatste bus of veerpont door politie en leger met wapenstokken werden geslagen, bijeengedreven en gedwongen werden op de grond te liggen, in rijen dicht naast elkaar. Want iedereen had, vonden de agenten en militairen, al binnen moeten zijn. Het was nog niet eens zes uur.

Refereert Soi met zijn Kenya’s version of fighting the Rona aan het geweld dat die namiddag en avond in verschillende delen van het land plaatsvond? Twee mensen lieten daarbij het leven. Of wordt hier, op het doek, een nachtclub binnengevallen? De dagen ervoor had Soi nog verscheidene schilderijen gemaakt van een van zijn favoriete thema’s: het nachtleven van Nairobi. Daarop draaien bier drinkende mannen en vrouwen om elkaar heen en dansen halfnaakte vrouwen om een paal. Een enkeling draagt een mondkapje. Op het laatste schilderstuk van deze serie lopen twee mannen met veel misbaar de ruimte uit, de overige aanwezigen verbaasd achterlatend. ‘Kenya under curfew’, staat er op de muur van de gelegenheid in blokletters geplakt: Soi heeft een kop uit een nationale krant geknipt. Hij verbeeldt wat een Keniaanse columniste in deze dagen geërgerd noteerde: de regels van de overheid gelden kennelijk niet voor de rijke middenklasse, die gaat niet in quarantaine – zelfs niet als ze net uit China, Amerika of Europa is komen binnenvliegen – maar blijft gewoon doorfeesten.

Covid party 2 © Michael Soi

Bijna drie jaar geleden ontmoette ik Michael Soi voor het eerst. Op zoek naar een andere kunstenaar kreeg ik een rondleiding langs de ateliers van het Go Down Arts Centre, gevestigd op een oud industrieterrein van Nairobi. In het oord dat erg deed denken aan het kunstenaarscentrum op het ndsm-terrein in Amsterdam – behalve ateliers herbergden de oude, vervallen fabriekshallen ook een opnamestudio en een theater – huurde Soi een van de grootste ruimtes. Overal hingen en stonden manshoge, kleurrijke werken vol verhalen. Op de grond tegen het raam stond een schilderij van een slanke man in een stijlvol, lichtblauw pak die in extase omhoog kijkt, in zijn ene hand heeft hij een bijbel, zijn andere hand ligt op de ronde billen van een van de drie naakte vrouwen die voor hem op de grond knielen. Aan de wanden hingen schilderijen van een nachtclub met schaars geklede vrouwen en zoenende mannen in pak, van zwarte mannen op het strand die een groep witte vrouwen in bikini dkny-tassen en tassen van Louis Vuitton proberen aan te smeren. Vanachter een stapel schilderijen staande tegen een muur keek de Chinese president Xi Jinping me indringend aan. Op een lang, smal doek in een hoek van de ruimte sjokten twee ezels achter elkaar aan naar een stembus waarboven een bos wortels hing.

Buitengewoon verrast was ik geweest, die vrijdagochtend in augustus, daags na de verkiezingen van 2017. Als student antropologie had ik dertig jaar daarvoor Michaels vader Ancent Soi (1937) gesproken, op dat moment een van de bekendste kunstenaars van Kenia. Michael moet toen vijftien zijn geweest. De gelijkenissen tussen vader en zoon waren onmiskenbaar, zowel in uiterlijk als in schilderstijl. Beiden maken volle, cartoonachtige schilderijen in heldere kleuren waarop de personages met sprekende, diepzwarte pupillen in witte, ovaalvormige ogen de wereld aanschouwen. Alsof ze zich allebei laten inspireren door de traditionele Ethiopische schilderkunst. Ook in de werkruimte van Ancent Soi en in de kraam waar hij zijn werk verkocht, was indertijd ongelooflijk veel te zien geweest, alsof ook hij altijd aan het werk was. Alsof de hoofden van zowel vader als zoon zo vol beelden zitten dat er wel geschilderd moet worden om wat rust te krijgen.

Maar Michael Soi wilde van geen vergelijking weten. Op geen enkele wijze. Hij raakte erdoor geïrriteerd. ‘Ik ben in de stad geboren, mijn vader op het platteland, ik behandel maatschappelijke kwesties, hij deed veel wildlife. Hij is nog gezond, en toch is hij gestopt met schilderen. Hij is met pensioen. Hoe kun je als kunstenaar nu ophouden met schilderen?’

Ik leg vast wat ik zie, hoor en meemaak, ik vertel het verhaal dat anderen niet vertellen

Als ik Soi in november 2019 wat uitgebreider spreek, wordt wat duidelijker waar zijn irritatie vandaan komt. Zijn atelier heeft hij op dat moment in een ander kunstenaarsverzamelgebouw in het centrum van Nairobi omdat het Go Down Arts Centre wordt gesloopt. Zodra er genoeg geld is ingezameld, zal er op het voormalige industrieterrein een nieuw, supermodern cultureel centrum verrijzen, geheel onbezoldigd ontworpen door een Zweeds architectenbureau.

Terwijl Soi rustig verder werkt aan Every one loves Africa, waarop de landkaart van Afrika wordt omsingeld door de graaiende handen van Rusland, China, Amerika en Europa, vertelt hij dat zijn vader nog nooit een tentoonstelling van hem heeft bezocht. De allereerste keer was hij zo geschrokken van al dat naakt aan de muren dat hij meteen rechtsomkeert maakte. ‘Sindsdien wil hij dat ik ook wildlife doe. Of scènes op een markt. Ik ben documentalist, ik registreer, ik leg vast wat ik zie, hoor en meemaak, ik vertel het verhaal dat anderen niet vertellen. Nee, niet om mensen te veranderen, maar om mensen te laten zien wat er in ons land gebeurt. Ik verbeeld hoe verstrekkend de invloed van de Chinezen op ons land is. Ik wil laten zien hoe patriarchaal de Keniaanse samenleving nog is, ik vertel de Keniaanse vrouw waar op donderdag-, vrijdag- en zaterdagavond hun man, hun broer, hun neef en hun zonen uithangen.’

Implementing covid rules 1 © Michael Soi

Soi staat in een traditie; veel Keniaanse kunstenaars vertellen verhalen, registreren ‘voor later’ en becommentariëren in hun werk wat om hen heen gebeurt. Ook zijn vader Ancent Soi deed dat. Hij was op het idee gekomen om te gaan schilderen door zijn werk in een souvenirwinkel in Nairobi waar schilderijen van plaatselijke kunstenaars werden verkocht. Omdat hij als kind al veel getekend en geschilderd had, dacht hij: dat kan ik ook. Voor hem vormde ‘traditioneel Kenia’ een van zijn geliefde thema’s omdat in zijn omgeving veel gewoonten en gebruiken zo snel verdwenen. Masai-vrouwen beeldde hij uit omdat hij hun sieraden zo mooi vond en hij zeker wist dat ze die over een jaar of tien niet meer zouden dragen. Van zijn eigen bevolkingsgroep de Wakamba schilderde hij graag de ‘witch doctors’, de tovenaars, bij wie zijn ouders nog regelmatig te rade waren gegaan. Zijn kinderen hadden nog nooit in hun leven een witch doctor gezien.

Voor veel kunstenaars was indertijd de snel veranderende samenleving een favoriet onderwerp, maar ze schilderden ook over de onafhankelijkheidsstrijd van de Mau Mau, of over het harde leven van vrouwen op het platteland en van straatkinderen in Nairobi. Tegenwoordig maken jonge kunstenaars zich vooral druk om ‘pollution’, ‘climate change’, verkiezingsgeweld, corruptie en de snelle digitalisering van de samenleving. Op een van de grote muurschilderingen langs de lange oprijlaan naar het Railway-museum loopt een grijze massa mensen volledig in beslag genomen door hun mobieltjes schijnbaar doelloos heen en weer. ‘Zombiez of Nairobee’ en ‘Social Stupidity’ heeft de kunstenaar eronder geschreven.

Toch is het bij Michael Soi anders. Hij lijkt verder te gaan, in zijn werk neemt hij de hele Keniaanse maatschappij op de korrel. Of het nu de arme sloeber is die tijdens de yogales of op het strand een rijke witte dame aan de haak probeert te slaan, de priester die stiekem een homoseksuele relatie onderhoudt of een groep modern geklede, sexy jonge vrouwen die voortdurend selfies aan het maken is – Soi spaart niemand. Op vaak buitengewoon geestige, maar ook confronterende wijze verbeeldt hij wat in het hedendaagse, door en door christelijke Kenia iedereen weet, maar wat niet openlijk gezegd mag worden. Hij is de analyticus met kwast die het ongemak van een samenleving in beeld brengt, van een samenleving die, als ik zijn werk goed begrijp, fundamenteel in de war lijkt te zijn en in zijn ogen misschien wel aan collectieve schizofrenie lijdt.

Nadat Soi in 1995 afstudeerde aan het Creative Art Centre in Nairobi duurde het toch nog zeker een jaar of tien voor hij een stijl had ontwikkeld waarin hij zich comfortabel voelde. ‘In het begin was ik behalve schilder ook beeldhouwer, maar als beeldhouwer vond ik het moeilijker om verhalen te vertellen. Ik kreeg voor het eerst een beetje succes toen ik politiek getinte werken ging maken met katten en varkens als hoofdpersonages. Net als politici zijn katten alleen aardig tegen je als ze iets van je willen, de rest van de tijd kijken ze niet naar je om.’ Op een van die schilderijen heeft hij een bekende Keniaanse dominee als varken afgebeeld, met daarnaast een ‘prayer menu’: de kosten die de dominee in rekening brengt voor een gebed voor het vinden van een baan (twintig dollar), een echtgenoot (vijftig dollar), of een dure auto (honderd dollar). Spraakmakend was zijn serie over de rechtszaak tegen Uhuru Kenyatta en diens gevolg door het Internationaal Gerechtshof in Den Haag over hun vermeende rol bij het geweld na de Keniaanse verkiezingen in 2007 waarbij bijna vijftienhonderd mensen het leven lieten. De eerste van de reeks schilderde hij al in 2008, drie jaar voordat de rechtszaak daadwerkelijk plaatsvond. ‘Ik dacht: die mensen worden nooit terechtgesteld, dus laat ik het maar zelf doen’, vertelde hij in 2012 op een Keniaanse hiphopsite.

Soi schetst een zeer verontrustend beeld van de invloed die China heeft op Afrika

Niet lang daarna begon hij met de reeks ‘Heaven can Wait’ over het nachtleven van Nairobi, waar tot op de dag van vandaag nieuwe afleveringen bij komen. Volgens Soi is het een ontwikkeling van de laatste tien jaar: in Nairobi wordt het voor zowel mannen als vrouwen steeds gewoner om je met commerciële seks in te laten. Natuurlijk, zegt hij, heeft prostitutie altijd bestaan. Maar vroeger, in de jaren zestig, zeventig, tachtig, was het vrijwel uitsluitend een uitweg voor doodarme plattelandsvrouwen die op geen enkele andere wijze voor zichzelf en hun kinderen konden zorgen. De meesten van hen trokken naar de kust om daar hun lichaam aan toeristen te verkopen. Dat was, aldus Soi, ook de gangbare opinie in Nairobi: als je naar de hoeren wilde, moest je naar Mombassa.

Soi besloot op onderzoek uit te gaan, hij wilde weleens weten wat zich in al die nacht- en privéclubs afspeelde, wat de mannen, maar vooral de vrouwen, bewoog en liet zich regelmatig in dezelfde gelegenheden zien om hun vertrouwen te kunnen winnen. ‘Het is’, zegt hij, ‘zoals het er in de hele wereld aan toe gaat: ’s ochtends sluiten respectabele mannen met elkaar een deal die ze ’s avonds met veel drank en vrouwen willen beklinken. En jonge vrouwen hebben geld nodig om hun dure mobiel of hun dure appartement in de stad te kunnen betalen. Want als je als student een kamer huurt op de universiteitscampus ben je tegenwoordig een loser. Ook in Nairobi zijn vrouwen als Kim Kardashian en Paris Hilton rolmodellen. Het gaat al lang niet meer om armoede, het is allemaal ijdelheid en consumentisme.’

Het is een verschijnsel dat ook Carien Westerveld overtuigend schetst in haar boek De Afrikaanse droom over de middenklasse in Nairobi. In Nairobi draait alles om status en om geld. Waar je in de stad woont, of en wat voor auto je rijdt, welke mobiel je je kunt veroorloven, bepaalt in hoge mate het soort vrienden dat je hebt en het aanzien dat je in de gemeenschap geniet. Zelfs de liefde staat in dienst van sociale stijging. Net als in traditioneel Kenia, schrijft Westerveld, lijkt het huwelijk voor vrouwen vooral een zakelijke overeenkomst waarin de vermeerdering en de bescherming van bezit centraal staan. En net als in traditioneel Kenia is het voor de moderne Keniaanse man heel gewoon om er al dan niet officieel meerdere vrouwen op na te houden. Het polygame huwelijk is zelfs bij wet toegestaan. Ondertussen is vrijwel iedere zichzelf respecterende Keniaan overtuigd christen en verkondigen de dominees en priesters elke zondag dat overspel een zonde is en het monogame huwelijk het ideaal. Met die dubbele moraal lijkt Soi zijn landgenoten te willen confronteren. Of: in Nairobi heeft iedereen meerdere identiteiten, niets mis mee. Of: laten we eens ophouden met onze vrouwen uit te buiten.

No mask no fun © Michael Soi

Soi houdt er in ieder geval van vrouwen af te beelden en seksueel geladen werk te maken. In een van zijn eerste schilderijen uit de reeks ‘China loves Africa’ kijkt Amerika in de persoon van Thomas Jefferson verontrust toe hoe Afrikaanse en Chinese mannen en vrouwen elkaar seksueel bevredigen. In 2011 begon hij met deze serie over de prille liefde tussen China en het Afrikaanse continent. Hij zou tien schilderijen over het onderwerp maken, dacht hij toen nog, het werden er uiteindelijk honderd. Het laatste voltooide hij in februari van dit jaar. Daarop torent de Chinese president Xi Jinping gekleed in een lang rood gewaad als een soort Messias hoog boven een grote groep Afrikaanse mannen uit die smekend naar hem opkijken. Om Xi’s hoofd heeft Soi een aureool geschilderd, in diens ene hand een stapel dollars, in de andere een fles bier.

Hoe hilarisch sommige afbeeldingen ook zijn, de serie stemt weinig vrolijk, sterker: Soi schetst een zeer verontrustend beeld van de invloed die China op Afrika heeft. In het ene schilderij wordt het continent overspoeld met Chinese wapens, in het andere gaan Chinezen ervandoor met illegaal geroofd ivoor. In China Loves Africa 56 krijgt China als patiënt infusen toegediend met olie, goud, koper en titanium komend uit de borsten van een zwarte vrouw: Afrika.

Een nieuwe vorm van kolonialisme, noemt Soi de wijze waarop China zijn land en zijn continent exploiteert. Soi: ‘Het cynische is: de Britten kwamen met geweren en de bijbel, wij hebben de Chinezen zelf uitgenodigd.’ De invloed van China op de Keniaanse overheid is zelfs zo groot dat tijdens de Biënnale van Venetië in 2015 de minister van Sport, Cultuur en Kunst Kenia liet vertegenwoordigen door maar liefst zes Chinese kunstenaars, van de acht in totaal. Voor het eerst in de geschiedenis was juist dat jaar een Afrikaan, een Nigeriaan, de curator van de Biënnale. Keniaanse kunstenaars hebben hemel en aarde moeten bewegen om de Keniaanse vlag van het paviljoen te laten verwijderen. Soi maakte het schilderij The Shame of Venice over de gebeurtenis.

Van elk werk plaatst Michael Soi foto’s op Facebook en Instagram. Een enkele keer heeft hij een serie schilderijen aan lantaarnpalen in Nairobi gehangen. Vrijwel elk jaar houdt hij in Nairobi een expositie in een voor iedereen makkelijk toegankelijke gelegenheid. Toen een organisatie hem een keer sponsorde om voor een show dertig doeken te maken, wilde hij na afloop zijn werk gratis weggeven aan de Keniaanse bezoekers van de tentoonstelling.

Soi noemt zich gewoon maar een documentalist. Hij registreert, zegt hij, ‘opdat mensen over een jaar of veertig nog weten hoe het Nairobi van het begin van de 21ste eeuw eruitzag’. Het is alsof ik een echo hoor: in de jaren tachtig zei zijn vader Ancent precies hetzelfde. Hij maakte schilderijen van Nairobi tijdens spitsuur omdat hij zeker wist dat over dertig jaar alles in zijn stad anders zou zijn. Toch is zoon Michael veel meer dan een chroniqueur. Of het nu kerkgangers zijn die zich financieel een poot laten uitdraaien, politieagenten die onschuldige burgers in elkaar slaan, Afrikaanse leiders die op de knieën gaan voor Xi Jinping of mannen en vrouwen die uitsluitend uit zijn op elkaars lichaam of elkaars geld – tegen iedereen lijkt hij te roepen: ‘Mensen, word toch eens wakker. Waar is jullie waardigheid.’


Werk van Michael Soi is te zien op Facebook en Instagram. Kunsthistorica Rosalie van Deursen verzorgt op 16, 23 en 30 september bij Veilinghuis Bonhams in Amsterdam de lezingenreeks African Art is Booming! Zie bonhams.com