Keniaanse stropers redden olifanten

Nairobi – ‘Vroeger was ik zelf een stroper.’ Lokale ranger Lkilet draagt een legerjas, en een kalasjnikov over de schouder. Met de verkoop van een paar slagtanden kon hij zijn familie maanden onderhouden. ‘Maar nu heb ik een baan, en profiteert de gemeenschap van de olifanten. Ik ga dus niet meer op jacht.’

Het gaat slecht met de Afrikaanse olifant. Elk jaar worden meer dan dertigduizend dieren op brute wijze gedood vanwege hun slagtanden. Een groot deel van het ivoor verlaat het continent via de haven in de Keniaanse kuststad Mombasa, op weg naar de zwarte markt in Azië.

Een paar honderd kilometer ten noorden van Nairobi ligt Namunyak. In dit gebied leeft een groot deel van de Keniaanse olifantenpopulatie. Het is een van de plekken waar succes wordt geboekt in de oorlog tegen stropers. De regio is stoffig en warm. Her en der houden jonge herders gehuld in rode doeken met een stok hun koeien en geiten bijeen. Overal klinken rammelende bellen. Tom Letiwa, manager van de Namunyak Wildlife Conservation Trust, zet zich samen met de lokale Samburu-bevolking in voor de bescherming van olifanten. ‘In Kenia leven de meeste wilde dieren buiten de bekende nationale parken, op plekken die zij moeten delen met mensen. Juist daarom moet de bevolking bij de strijd tegen stropen betrokken worden.’

Volgens de statistieken werkt deze aanpak; al jarenlang worden hier minder olifanten gedood. Regelmatig ontstaat er conflict tussen de wilde dieren en de nomaden die hier rondtrekken met hun vee. Leeuwen eten hun koeien op en olifanten dringen hun dorpen binnen en vertrappen de oogst. Dit maakt het lastig om de bevolking aan de ‘juiste kant’ te krijgen. ‘De bescherming van olifanten moet hen concreet iets opleveren’, zegt Letiwa. Daarom geeft zijn organisatie jonge mannen een baan als ranger. In teams patrouilleren ze in de bush op zoek naar stropers en in de dorpen vertellen ze de inwoners waarom ze de dieren juist moeten omarmen. Met de inkomsten uit twee luxe safari lodges in het gebied bekostigt de organisatie een basisschool en een kliniek. ‘We zien nu wat we ervoor terugkrijgen’, legt voormalig herder Joshua uit. Hij werkt sinds een jaar als ranger in het gebied rond zijn dorp. ‘Maar als de geldstroom stopt, dan moet ik weer gaan jagen.’