Kenianen betalen voor een lege stoel

Nairobi – Als conducteur stond Charles Lumba er nooit bij stil, maar nu heeft zijn eenvoudige baan opeens iets gevaarlijks. Elke dag drukken honderden mensen geld in zijn handen. Wat als aan één van die briefjes het coronavirus kleeft? Hij trekt zijn mondkapje onder zijn kin en schuift een hap vis met kool naar binnen. ‘Je weet maar nooit’, zegt hij luid kauwend. ‘We willen niet dat het hier wordt zoals China of Italië.’

De angst voor corona grijpt in Kenia sneller om zich heen dan het virus zelf. Volgens de laatste cijfers zijn er 142 besmettingen vastgesteld, vier personen zijn aan de gevolgen ervan overleden. Op een bevolking van vijftig miljoen mensen is dat miraculeus weinig. Of staat het land nog maar aan het begin?

De hoop van de Kenianen rust op de drastische maatregelen waartoe hun overheid al vroeg besloot: passagiersvluchten zijn sinds twee weken van de baan, scholen en restaurants sloten al eerder de deuren. In heel het land geldt vanaf zeven uur een avondklok.

Ook het openbaar vervoer krijgt restricties opgelegd. Elke matatu, zoals de opeengepakte snelle busjes hier worden genoemd, is potentieel een besmettingshaard. Deze mogen nu de helft minder passagiers vervoeren. Prima, vinden de uitbaters – maar dan moeten forenzen wel voor de lege stoel naast hen betalen.

In een wolk van stof en uitlaatgassen raast een lege matatu het busstation binnen. Charles onderbreekt zijn eetpauze en grijpt naar een bus ontsmettingsmiddel. Iedereen die instapt krijgt een toef op de handen. ‘We doen wat we kunnen’, zegt zijn collega Lucky John. ‘Want we willen niet dood.’

Zo simpel is het. Net als miljoenen andere Kenianen weet hij dat, mocht het zover komen, een ziekenhuisopname er niet zomaar in zit. De honderd intensivecarebedden en het schamele aantal beademingsapparaten die het land telt, zijn alleen beschikbaar voor mensen die zich dat kunnen veroorloven. De rest is overgeleverd aan de grillen van het virus.

Verkoopster Jane Irawoga haast zich naar haar bus, een emmer vol zakjes pinda balancerend op haar hoofd. Thuis in Kawangare, een van de grootste sloppenwijken in de stad, wachten zeven ongeduldige kinderen op haar. ‘Maatregelen tegen corona?’ Jane knippert verbaasd met haar ogen. ‘Daar heb ik geen geld voor.’