Robert Dallek, An Unfinished Life: John F. Kennedy

Kennedy’s kicks

Robert Dallek schreef de zoveelste biografie van John F. Kennedy. Maar wel eindelijk een die ter zake doende is.

Hoewel er geen gebrek is aan boeken over John F. Kennedy hadden we tot nog toe geen verantwoorde historische biografie zonder heldenverering of verkettering. Daarin heeft de gerenommeerde historicus Robert Dallek nu voorzien. Zijn An Unfinished Life zal geen einde maken aan de mystificaties rondom Kennedy, want ook Dallek onderkent dat nog lang niet alles bekend is (Robert Kennedy’s archieven zijn nog niet open). En altijd zal de «wat als»-vraag de gemoederen blijven bezighouden.

In dit uitstekend geschreven maar toch weer te dikke boek zijn «moed» en «moedig» waarschijnlijk de meest voorkomende woorden. Daar draaide Kennedy’s leven in de visie van Dallek om. Kennedy ging herhaaldelijk tot het randje van zijn fysieke mogelijkheden. Dat gold voor zijn oorlogsverrichtingen in de Pacific, zijn afmattende politieke campagnes, maar ook voor een dagelijks leven met een indrukwekkende verzameling ziektes en aandoeningen, in het dragen van de lasten van het presidentschap en last but not least in zijn seksuele uitspattingen. Roekeloos is misschien een beter woord: Kennedy daagde het noodlot uit.

Afgezien van het medicijngebruik en de toevoeging van één stagiaire aan de reeks gebruikte en afgedankte vrouwen, heeft Dallek geen onthullingen. Hij moet het van de analyse en het perspectief hebben. Dallek ontkomt niet aan de bewondering die iedere Kennedy-vorser lijkt te bevangen. Hij maakt echter wel duidelijk waar die bewondering door wordt veroorzaakt. Zo onderstreept hij nog eens hoe goed Kennedy was ingevoerd op buitenlands terrein: hij was geen amateur die in 1961 aan de slag ging. Op binnenlands gebied was hij minder wereldwijs. De verwende kandidaat zag armoede en ellende in West-Virginia — per ongeluk tijdens de primaries — maar deed er weinig mee. Hij zag en verafschuwde de segregatie in het Zuiden maar schatte de morele verwerpelijkheid ervan te laag in. Kennedy had haast om president te worden: hij wist dat hij niet oud zou worden. De senator kon niet wachten tot na Nixon, tot na 1968, want dan zou hij niet alleen «oud nieuws» zijn maar waarschijnlijk ook zichtbaar ziek.

De enige zwakte van dit boek is dat Dallek, afgezien van een galopperende vlucht voor de dood, Kennedy’s diepste motivatie niet helder kan duiden. Maar ja, wat motiveert iemand? Misschien is zo’n besef van tijdelijkheid wel voldoende. Kennedy had wel iets van een junk: voortdurend op zoek naar de kick.

Volgens Dallek waren Kennedy’s kwalen veel ernstiger dan bekend en dat geldt ook voor zijn medicijngebruik (met name de oppeppende middelen die zijn arts met «Dr. Feelgood»-reputatie hem toediende). Dallek betoogt dat ze niet van invloed waren op zijn prestaties als president. Tegelijkertijd echter wijst hij in een aantal crisissituaties op de spuiten en pillen die Kennedy nodig had om te kunnen functioneren. Een belangrijke toespraak: hup een spuit en tien milligram zus of zo. En zouden Kennedy’s lange gesprekken met Chroesjtsjov in 1961 — die een zwakke indruk achterlieten en sovjetavonturisme uitlokten — misschien toch te lijden hebben gehad onder fysiek ongemak? Bovendien wijt Dallek Kennedy’s roekeloze en gevaarlijke seksleven voor een deel aan die medicijnen. En Dallek neemt Kennedy kwalijk dat hij het land een vals beeld voorspiegelde: de burger wist niet wat voor risico’s hij nam met deze president.

Wat vooral opvalt in Dalleks boek is Kennedy’s intelligentie, gekoppeld aan een verfijnde politieke neus en een nogal hands-on-presidentschap (soms op het randje). Onervarenheid brak Kennedy op in de Varkensbaai, toen hij zich liet verleiden om stupide CIA-plannen te volgen. Maar hij leerde een belangrijke les, namelijk dat de militairen geen perspectief hadden en meteen alles wilden laten escaleren. Als het aan de generaals had gelegen, waren de diverse crises van de Koude Oorlog (Berlijn, Cuba) stuk voor stuk op militaire en dus nucleaire confrontaties uitgelopen. Kennedy’s finest hour is dan ook het opleggen van civiel gezag aan de militairen.

Dallek stelt vast dat Kennedy’s presidentschap gedomineerd werd door buitenlandse politiek. Hoewel economisch beleid steeds op de agenda stond, was de bewegingsvrijheid daar beperkt. En waar het ging om Amerika’s grootste binnenlandse probleem, de segregatie, schatte Kennedy de morele kracht van de burgerrechtenbeweging helemaal verkeerd in. Voor hem, en voor zijn broer Bobby, was het een politiek probleem. Dat Kennedy als een halve heilige voortleeft in de zwarte gemeenschap is meer dan hij verdient.

Geen biografie van Kennedy kan om de vraag heen of de oorlog in Vietnam ook onder hem was doorgegaan. Dallek stelt dat Lyndon Johnson de bedoelingen van Kennedy met Vietnam verkeerd inschatte. Hij baseert zich op nieuwe documenten en op een nieuwe beoordeling van wat bekend is, en meent dat Kennedy zich in een tweede termijn uit Vietnam zou hebben teruggetrokken. Hij zou McNamara opdracht hebben gegeven een pad voor terugtrekking te vinden, uiterlijk in 1965. Ik ben niet overtuigd, maar ik geef niet veel om «wat als»-vragen. Kennedy wérd vermoord en Vietnam vónd plaats. De conclusie is eigenlijk dat Kennedy geen idee had wat hij met Vietnam wilde doen. Dat kwam pas na de verkiezingen van 1964 aan de orde. Kennedy’s manier van problemen oplossen, maakt Dallek duidelijk, was ze pas aanpakken als je er niet meer omheen kon.

Gevaarlijk, zowel politiek als wegens afpersing, was Kennedy’s voortdurende seksuele gescharrel. Ik betwijfel of het respect voor de privé-sfeer was die journalisten ervan weerhield om erover te schrijven, zoals Clinton-fans wel betogen. Eerder was het ouderwets respect voor de macht en, vaker nog, onbetamelijke druk van de Kennedy-clan op hoofd redacteuren en krantendirecties. Ik kan me niet goed voorstellen dat de journalistiek Kennedy tot 1969 met rust gelaten zou hebben.

Dallek concludeert dat de wetgevende successen van Kennedy tot 22 november 1963 minimaal waren. Het was Lyndon Johnson die de oogst binnenhaalde, geholpen door de dood van Kennedy en zijn eigen gigantische overwinning in 1964, waarmee de macht van conservatieve zuidelijke senatoren werd gebroken. Of dat Kennedy allemaal gelukt zou zijn, zoals Dallek denkt, is de vraag. Er zijn weinig presidenten die van hun tweede termijn een succes maakten.

John F. Kennedy’s leven werd in Dalleks termen «niet afgerond». Of misschien juist wel. Dallek toont overtuigend aan dat Kennedy’s groei in het presidentschap en zijn beangstigende medicijngebruik en roekeloze seksleven twee kanten zijn van dezelfde medaille. Zonder de veelbezongen moed en het doorzettingsvermogen zouden de natuurlijke intelligentie en het gezond verstand van JFK niet tot hun recht gekomen zijn en zonder de fysieke tegenslagen en het disfunctionele leven van zijn ouderlijk huis zou die stoutmoedigheid zich niet hebben ontwikkeld. Ze horen bij elkaar.

Ik zou haast zeggen dat Kennedy juist een heel afgerond leven leidde. Altijd op het scherp van de snede, uitdagingen opzoekend tot de dood erop volgt. Ik kan me, ook na Dalleks evenwichtige biografie, niet aan het gevoel onttrekken dat Kennedy heel tevreden zou zijn geweest met dit open ended levensverhaal.

Robert Dallek

An Unfinished Life: John F. Kennedy, 1917-1963

Uitg. Little Brown, 848 blz., € 34,99