8 juni 1924 – 13 mei 2013

Kenneth Waltz

De wereld zou veiliger worden als elk land kernwapens kreeg. Kenneth Waltz, de vader der realisten, schreef met Theory of International Politics een bijbel van de macht, dat net zo hard werd bewonderd als gehaat.

De wereld draait om macht en de meeste macht ligt bij de staat. Tussen de staten is het anarchie en de ene staat wint alleen aan macht ten koste van een andere. Al het andere – van internatio­naal recht en internationale samenwerking tot ‘gedeelde waarden’ en ‘soft power’ – is naïef gekwebbel in de marge. Dat is hoe de wereld altijd heeft gewerkt en tot die ‘betere wereld’ er op miraculeuze wijze komt, is dat hoe de wereld altijd zal werken.

Het lijkt heel logisch, zoals dat er staat. En het is anno 2013 ook de standaardvisie op wereldzaken geworden. Maar de meeste mensen die probeerden te analyseren hoe de wereld nu precies werkte, waren er tot voor kort van overtuigd dat het anders zat. Tot in de twintigste eeuw was de geijkte mening dat internationale zaken draaiden om de aard en aanvechtingen van Grote Mannen of dito volkeren. Toen was een tijdje de consensus dat internationale zaken draaiden om ideologie: communistische staten hadden nu eenmaal een ingeboren neiging tot uitbreiding en agressie. Of fascistische. Of kapitalistisch-imperialistische – dat hing af van iemands politieke overtuigingen. Het idee dat landen in wezen niet verschillen, en dat het er nauwelijks toe doet welk poppetje ergens aan de macht is of naar welk ideologisch systeem een land is ingericht, kreeg pas een paar decennia geleden vaste voet aan de grond.

Het ijkjaar is 1979. Toen schreef de Amerikaanse politicoloog Kenneth Waltz zijn Theory of International Politics. Dat boek onderschreef niet alleen intuïtieve ideeën over de aard van de wereld, maar bood ook een uitweg uit de doodgelopen ideologische discussies over politiek. Bovendien bood het de naar wetenschappelijke legitimiteit smachtende politicologie een heuse, echte theorie, opgesteld in hermetische taal en met ampele verwijzingen naar de geschiedenis, denkers en orakels zoals de onvermijdelijke ­Thucydides.

Theory of International Politics werd een even bewonderde als gehate bijbel van de macht.

Aanhangers noemden zich ‘neorealisten’ en binnen de politicologie zijn zij al decennia intellectueel dominant. Tegenstanders vinden dat Waltz’ theorie machtspolitiek legitimeert en aan de Universiteit van Amsterdam nam de oude garde politicologen het boek daarom liefst alleen met doktershandschoenen ter hand. Zeker is dat er nooit meer een boek als ­Theory… is geschreven, met zoveel impact binnen, maar ook buiten de academica. Via het kernwapendebat sijpelden neorealistische ideeën namelijk in versimpelde vorm (zie de eerste alinea) door naar een breed publiek. En in het publieke debat werd al snel het voorvoegsel ‘neo’ uit het neorealisme geschrapt, zodat ‘realisten’ daar makkelijk schieten hadden op hun tegenstanders – want als zij ‘realisten’ tegenspraken, waren zij kennelijk idealistische dromers. Van de Golfoorlog tot Afghanistan deden haviken daar hun voordeel mee.

Amerikaanse haviken hielden namelijk innig van Waltz’ theorie. Hoewel Waltz zichzelf puur als wetenschapper zag, werd hij dicht aan de borst gedrukt door allerlei mensen binnen Amerika’s militair-bestuurlijke complex die hun ‘realistische’ visie op internationale zaken meer cachet wilden geven. Wie les kreeg van Kenneth Waltz voelde daarom hoe de wereld van wereldveranderende beslissingen en mensen opeens heel dichtbij kwam. In een haveloos, raamloos lokaal in Berkeley, waar ik anderhalf decennium geleden bij hem aanschoof, memoreerde hij vaak en achteloos hoe hij vorige week bij de Amerikaanse generale staf zus had gezegd of bij de Nationale Veiligheidsraad zo. En verbaasde hij zich er weer over hoe het gezond verstand altijd weer het onderspit dolf in Washington. ‘Wat weet je als het budget voor een militaire operatie precies in drieën wordt gedeeld voor leger, vloot en luchtmacht? That bureaucracy and power games rule, and that’s what I told ’em!’ wierp hij dan bijvoorbeeld met verbijsterde, rode ogen de klas in, en keek iedereen afzonderlijk aan alsof wij persoonlijk voor die absurditeit verantwoordelijk waren.

Waltz bleek een vriendelijke en behulpzame docent, wat enigszins verrassend was gezien zijn ontzagwekkende reputatie. Hoewel hij zichzelf ­absoluut niet zag als havik deed hij ook niets om dat verwijt aan zijn adres te ontkrachten. Zo vervulde hij bijvoorbeeld decennialang trouw de rol van boeman in het ­kernwapendebat. Waltz hing namelijk het tamelijk onnozele idee aan dat de wereld veiliger wordt als elk land maar kernwapens krijgt. Dat kwam namelijk overeen met zijn theorie. En het moet gezegd: hij verdedigde zijn visie altijd zo sterk dat hij maar niet onderuit te halen viel.

Inmiddels is Waltz’ theorie duizendmaal ‘aangevuld’ en ‘aangescherpt’ door geschriften die stellen dat het neorealistische ‘biljartbalmodel’ te rigoureus is, en die willen verklaren hoe het bijvoorbeeld kan dat landen zich ­bijvoorbeeld vrijwillig bij de Europese Unie aansluiten of andere dingen doen die theo­retisch gezien onmogelijk zijn, of waarom cultuur, economie of ideeën er in internationale zaken toe doen. Leuk voor de liefhebber, maar ook tamelijk repetitief en specialistisch, en een Grote Theorie wil maar niet boven komen ­drijven. Tijd voor de nieuwe Theory of International Politics, lijkt het. Of misschien is die al geschreven en realiseren we ons dat nog niet. Tot die tijd blijft de machtsbijbel van Waltz, hoe ergerlijk sommigen dat ook vinden, nog fier op zijn sokkel.