Kennis & macht

Kennis & macht

Ook Esquire is het nieuwe jaar begonnen met zo'n standaardvraag over de Grote Dingen. Het blad vroeg bekende Amerikanen naar The Meaning of Life. In korte statements legden Ike Turner, John Gailbraith, Chuck Berry, Larry King, Barbara Walters, Robert McNamara en nog een aantal anderen uit wat zij onder de zin van het leven verstaan. Het is allemaal niet opzienbarend, maar aan één figuur bleef mijn leesoog haken: aan de 93-jarige Edward Teller. Er staat ook een prachtige foto bij. Met één hand aan het hoofd, alsof hij over iets verschrikkelijks nadenkt, zit Teller aan een tafel met een wit gehaakt laken erop. Achter hem, op het dressoir, staat een antiek servies en een foto van hemzelf.

Edward Teller wordt altijd «de vader van de waterstofbom» genoemd. Een Hongaarse jood, een briljante natuurkundige, die in Leipzig onder Heisenberg kwam te werken. Tot hij naar Washington verhuisde, omdat het nazi-regime hem te bar was geworden. In 1941 werd Teller door Oppenheimer uitgenodigd mee te werken aan het Manhattan Project in Los Alamos. Toen de atoombom klaar was, wilde Teller verder op zoek naar de H-bom. Volgens sommigen heeft hij toen Oppenheimer verraden door voor de commissie, die anti-Amerikaanse activiteiten moest onderzoeken, te suggereren dat de geheimen bij Oppenheimer niet veilig zouden zijn.

Ook de H-bom kwam er. Op 1 november 1952 werd de verschrikkelijkste bom aller tijden op een eilandje in de Pacific tot ontploffing gebracht. Teller heeft, meer dan Bin Laden, de wereld veranderd. Die uitvinding van hem, nu precies vijftig jaar oud, zorgt nog steeds voor een soort machtsevenwicht. Al is Teller dik over de negentig, nog steeds getuigt hij van zijn gelijk. Als de H-bom er niet was geweest, zouden wij nu allen onder het communistische juk zuchten. Hij heeft nergens spijt van. Hij slaapt goed, al droomde hij laatst dat hij een partijtje pingpong met Heisenberg speelde. «Ik won van hem», zegt Teller, «maar daarna ging Heisenberg naar Japan. Toen hij terugkwam, won hij van mij.»

Een mooie freudiaanse droom.

Twee opmerkingen van Teller bleven mij bij. Zo vertelt Teller dat hij door president Kennedy werd ontboden. Kennedy wilde het antwoord weten op deze vraag: «Na 1945 hebben wij een aantal jaren de atoombom gehad, en de Russen nog niet. Waarom hebben wij die bom eigenlijk niet gebruikt?» Volgens Teller heeft hij toen geschokt gezegd dat «wij onder geen beding die bom als eerste moesten gebruiken».

Teller zegt ook nog dat hij geen spijt heeft van de bom op Hiroshima. «Maar», zegt hij, «achteraf hadden wij de bom niet op Hiroshima maar in de Baai van Tokio moeten gooien.» De Japanners zouden dan het verschrikkelijke effect hebben gezien zonder dat er slachtoffers moesten vallen. Of de bom in de lucht tot ontploffing brengen, acht kilometer boven Tokio, dat had ook gekund. Hirohito had dan alleen een vreselijke schok gevoeld. De keizer zou zich dan direct hebben overgegeven, denkt Teller.