Kennis uit het ondergrondse

Colin C. Chumbley en Ralph T. Hutchings, A Colour Atlas of Human Dissection, Wolfe Publishing Ltd, Londen 1992, 198 blz.
Vogelvluchtperspectief:
‘Alleen in verheven situaties voelde ik me op mijn gemak. Ik moest boven het leven staan, tot in de kleinste details. Ik nam liever de bus dan de metro, liever rijtuigen dan taxi’s, liever dakterrassen dan entresols. Ik hield van sportvliegtuigen, met het hoofd in de open lucht, en op boten was ik de eeuwige wandelaar op de kampanje. In het bergland vluchtte ik boven de benauwde dalen uit naar de passen en de plateaus.

Had het lot me gedwongen een handwerk te kiezen, bankwerker of leidekker, ik zou steevast voor de daken hebben gekozen en bevriend zijn geraakt met de duizelingen. Ik verafschuwde alles wat kelder was, souterrain, grot, ravijn, Ik koesterde zelfs een speciale haat tegen grotonderzoekers, die brutaalweg de voorpagina’s van de pers konden beslaan met prestaties waar ik van walgde. Pogingen om een diepte van min 800 te bereiken met het risico dat hun hoofd klem raakt in een rotskoker, dat was voor mij een stunt van perverse of verziekte breinen. Dat had iets misdadigs. Nee, waar ik het best kon ademen, liefst alleen, hoog boven de mieren van het mensdom, was steevast een door de natuur gevormde estrade, vijf- of zeshonderd meter boven een nog zichtbare, in licht gedrenkte zee. Volgens mij was er geen meditatie mogelijk in grotten of in kerkers.’(Naar Albert Camus, De val)
En nu? Ik zit diep in een kelder van een academisch medisch centrum. Opslagplaats van boeken, banden, beeldplaten, archieven, kennis, kennis, kennis… Er is geen daglicht, alleen een bleke balk aan een laag plafond. Alles is een bedenksel, een truc van de techniek, het licht, de vloer, het geluid, zelfs de lucht. Ik bevind me in de enge corridor tussen twee stellingkasten. Na een lange wandeling langs de brede ruggen van ontelbare cassettes en boekwerken vol anatomie, pathologie en farmacologie, heb ik mij achter een tafeltje gewrongen en schrijf u.
Dieper dan tot hier kan een mens niet zinken. Er is geen enkel uitzicht. Ik heb alleen een pen en natuurlijk twee pond hersenen. Die worden echter bedwelmd door een weeig aroma dat zich van de nauwelijks nog aanwezige ruimte heeft meester gemaakt en dat zich vermengt met de geluiden van een nabij gelegen videotheek voor gevorderden. Ik heb de bestandscatalogus voor me: bij wat hier rouleert wordt een bezoekje aan de cultvideotheek gedegradeerd tot een dagje naar de Efteling. Het hele leven, voor zover het te categoriseren en te medicaliseren valt, wordt hier getoond…
Ik bevind me onder de grond, het plafond wordt nog lager, de kasten komen meer nabij. De zuurstof raakt op en ik denk: juist hier, niet boven, is alles te zien. Boven bestaat alleen aandacht voor de grote lijn. Hier in de diepte kun je van nabij aanschouwen wat de natuur met ons voor heeft. Hier kun je leren hoe de werkelijkheid letterlijk ‘in elkaar zit’. En ik moet kijken. Ik wil alles meemaken, laat maar zien. Niets, nog niet het intiemste, is aan de aandacht van de camera ontsnapt. Hier wordt het leven puur letterlijk genomen. Ik hoor de hersenoperaties, de hartmachines, de beenamputaties, de gastroscopieen, de lipposucties, de EEG’s, de psychosociale intake-gesprekken. ik ben interactief aanwezig bij dermatologisch-venerische consulten. De graad van letterlijkheid is voorbij aan iedere obsceniteit. Het oog heeft zichzelf onderworpen. Alles komt in beeld, psychotische blikken, kloppende vezels, ademende membranen, lillend vlees. De waarheid is bloeddoorlopen.
Ach wat, hoogvlakten. Ach wat, verhevenheid. Wat heb je aan weidse blikken of triomfale overzichten. God is toch in de details? Ja, de details zijn in beeld, dichtbij, maar juist door hun letterlijkheid oneindig ver weg. Wonderen kennen we alleen van hun representaties achteraf, getuigend van verlangen naar het definitief blase zijn. Onkwetsbaar zijn. Nooit meer bang. Alles gezien hebben, alles weten. Het is niet waar.