Kennis van zaken

Opvallend: wie in het openbaar, tijdens een interview of een debat, argumenten vraagt, krijgt er altijd maar één.

‘Waarom meent u dat u kunt bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking?’

‘Omdat het geld bij de machthebbers terechtkomt en niet bij de mensen voor wie het bedoeld is.’

‘Waarom bent u voor doorwerken tot 68 jaar?’

‘Omdat we allemaal ouder worden.’

‘Waarom bent u voor de doodstraf?’

‘Omdat ik vind dat iemand als Robert M. het recht op leven heeft verspeeld.’

Ik geef deze voorbeelden als voorbeelden – niet noodzakelijkerwijs als mijn opinie. Ik wil ermee aantonen dat voor de meeste debaters één argument genoeg is om hun punt te maken. Vaak ontbeert het de debater ook aan tijd om meer punten te maken. Hij krijgt bijvoorbeeld maar één minuut om uit te leggen waarom hij voor zwaardere straffen is. Het argument dat hij dan naar voren brengt, hoeft niet eens een juist argument te zijn. Het gaat om de vorm van dat argument: is het welsprekend, leuk, bestaat het uit een in het oog en oor springende oneliner, meer hoeft niet. Een sluitende, meervoudige redenering werkt eerder tegen je wanneer je iemand wilt overtuigen. Hij wordt – gesproken – snel onnavolgbaar.

Wil je iemand snel overtuigen, dan heb je groepsdruk nodig.

Groepsdruk verandert de moraal als de groep dat wil.

Laatst stond ik in een Amsterdams café een biertje te drinken toen er een vrouw op me af kwam en die zei het volgende: ‘Ik zag u gisteren met uw kleinkind en ik dacht: zo is hij een aardige man, ik kan me gewoon niet voorstellen dat hij een fascist is.’

‘Mevrouw, ik ben geen fascist.’

‘Maar u staat toch achter Breivik?’

‘Nee, ik sta niet achter Breivik. Hoe komt u daarbij?’

‘Dat lees ik overal.’

Ik begon, zonder succes, te praten om haar ervan te overtuigen dat ik gewoon een anarcho-liberaal was, tot er een paar vrienden naast me kwamen staan die de vrouw wel leuk vonden en haar en mij in de maling begonnen te nemen. Apenspel met ironie. Binnen twee minuten was ik gelukkig geen fascist meer, maar enigszins ‘net als zij’. Er was geen redelijk argument aan te pas gekomen.

Zou het ‘andersom’ ook gelukt zijn? Ik vrees het wel.

Ik vraag me vaak af om welke redenen ik van bepaalde vooronderstellingen ben afgeraakt.

Waarom was ik vroeger een marxist en ben ik dat nou niet meer? Ik weet het antwoord. Het was een langzaam proces van afvalligheid. Ik hoorde en las argumenten (van Karel van het Reve) waar ik het misschien wel mee eens zou kunnen zijn en waarom ik erg moest lachen. Die zeurden als een achtergrondmuziekje in mijn hoofd. Die probeerde ik eens uit op mijn marxis­tische vrienden. Ik ging er meer over lezen. Ik ontdekte dat marxisme geen wetenschap kon zijn. Ik leerde ook dat Freuds psychologie geen wetenschap kon wezen. Ik kon derhalve zelf de conclusie trekken dat de Frankfurther Schule achterhaald was. Ik naderde toen al de 35. Ik sprak met Karel van het Reve, ik sprak er met mijn vrienden over. We schoven op, en schoven op. Eén enkel argument had zeker niet onze en mijn opvattingen veranderd. Tien losse argumenten ook niet. Maar negen argumenten die nauw aansloten bij mijn vriendenkring, argumenten die ik niet kon weerspreken hoe graag ik dat ook wilde, die als een puzzel pasten bij mijn opleiding en mijn cultuur, die me inspireerden en mij het gevoel gaven van: verdomd, zo is het! – ja, die veranderden mijn opvattingen.

Argumenten hebben kennis van zaken nodig, anders zijn het loze woorden. Maar welke kennis?

Argumenten gedragen zich soms als een geloof, terwijl de juistheid van een argument zich aan elk geloof zou moeten onttrekken.