Kennisland, een holle frase

Het is onrustig op de universiteiten deze week. Althans, gemeten naar wat in studentenkringen tegenwoordig als onrustig geldt. Uit ongenoegen met de onderwijsbezuinigingen organiseert studerend Nederland ludieke protesten. En dat betekent: leuzen stoepkrijten, een fietsmarathon en gratis cursussen Scandinavische talen. Tussendoor willen de studentvakbonden zo veel mogelijk brieven aan de Tweede Kamer verzamelen waarin wordt opgeroepen tegen de bezuinigingen te stemmen.

Medium afbeelding 4

Nu zijn protesterende studenten op zich weinig opzienbarend. Een minister van Onderwijs hoeft het woord ‘studiebeurs’ of ‘ov-kaart’ maar in de mond te nemen of studentenvakbonden komen in het geweer. Meestal was die onvrede makkelijk weg te wuiven. Er moest eerst maar eens harder gestudeerd worden. De afgelopen jaren kwam daar het argument bij dat iederéén nu eenmaal zuinig aan moest doen. Overigens was een groot deel van de studenten het daarmee eens. Vandaar dat bij eerdere demonstraties de opkomst vaak tegenviel.

Deze keer is er echter weinig reden om badinerend te doen. Studenten gaan niet alleen de straat op om hun eigen douceurtjes te verdedigen. Als gevolg van de bezuinigingen zullen er minder mensen gaan studeren, terwijl we alleen maar meer hoger opgeleiden nodig hebben, vrezen ze. Vooral met dat laatste hebben ze een punt.

Zo dreigt een gebrek aan ingenieurs, chemici, biologen en andere bètawetenschappers. Om pijlers van de Nederlandse economie als de high tech-industrie en de watersector draaiende te houden, zijn er bijna twee keer zo veel bèta- en techniekstudenten nodig. Dringend advies van het Platform Bètatechniek: zorg ervoor dat bètastudies financieel aantrekkelijk zijn. Wat blijkt? Het kabinet kiest voor het tegenovergestelde. Studenten moeten ‘meer gaan investeren in hun eigen opleiding’. Geen studiefinanciering voor de masterfase dus. Dubbel zo lastig voor bèta’s, die meestal niet een éénjarige, maar een tweejarige master volgen.

Dat het Nederlandse kennislandschap verschraalt, is meetbaar in harde cijfers. Het aantal internationale patentaanvragen door Nederlandse universiteiten en bedrijven lag in 2011 bijna veertien procent lager dan het jaar daarvoor. Dit maakte de World Intellectual Property Organisation (wipo) begin deze maand bekend. ‘Komt door de crisis’, luidt de makkelijke verklaring. Maar de wipo registreert juist een toename van de wereldwijde patentaanvragen. Voor een belangrijk deel is dat het gevolg van wetenschappelijke groeispurten in Azië, maar ook Duitsland wist steeds meer patenten op zijn naam te schrijven. Een beloning voor slim investeren in crisistijd.

Ook aan de ‘zachte’ kant van de wetenschap treedt de armoe in. Er is de laatste tijd veel gezegd over het nutsdenken dat de wetenschap in zijn greep houdt. Kennis is er niet enkel voor de winst, vindt filosofe Martha Nussbaum. Dat klopt zonder meer. Maar de tragiek is: zelfs het nutsdenken beheerst dit kabinet slecht. Iemand die vloeiend Portugees spreekt betekent meer voor een kenniseconomie dan de zoveelste alleskunner. De voorhoede van een vakgebied wordt bovendien gevormd door specialisten. Het inruilen van taalstudies voor vage programma’s in ‘talen en culturen’ is daarom een domme zet.

Samengevat: Nederland kennisland wordt steeds meer een holle frase. Dat onze universiteiten ook dit jaar weer aardig scoren in de internationale rankings is geen excuus. Dat is rendement van investeringen uit het verleden. Als de studenten díe aanklacht in hun brief verwerken – en eindelijk ophouden om genoegen te nemen met die zes – kunnen ze met recht protesteren. Zelden hadden ze het gelijk zo aan hun kant.