De guerrillero van Nairobi

‘Kenya ni kwetu’

‘Kenia is van ons allemaal’, vindt Boniface Mwangi. Met ludieke straatacties wil hij de nieuwe middenklasse in beweging krijgen tegen de politieke elite, voor wie politiek gelijk staat aan zelfverrijking en corruptie.

Medium kenia2

‘Corruptie bloedt Kenia leeg’, staat er op een rood geverfde ezel in het zakencentrum van Nairobi. Het schemert nog als Kenianen op maandagochtend 30 maart op weg naar hun werk bij banken of ministeries het dier bewonderen. ‘MPigs verkrachten onze vrouwen – vervolg ze’, vermeldt een andere ezel. ‘MPigs’ is een scheldwoord voor Kenia’s parlementsleden, van wie er een wordt vervolgd voor verkrachting.

Vijf beesten met politieke protestleuzen staan geketend aan een hek op de Kenyatta Avenue die is vernoemd naar Jomo Kenyatta, Kenia’s eerste president en de vader van huidig president Uhuru Kenyatta. Tegen de tijd dat de brandweer de ezels en hun metalen kettingen weghaalt, is het volop licht. Op Kenyatta Avenue sluiten de dure auto’s aan bij de dagelijkse file.

Niemand eist de protestactie op en dat hoeft ook niet. Ze draagt de signatuur van Boniface Mwangi, een 31-jarige voormalige fotojournalist die is uitgegroeid tot een van de bekendste politieke activisten in Afrika. Met mediagenieke straatacties geïnspireerd door de westerse Occupy-beweging klaagt Mwangi Kenia’s corrupte politici aan, een elite die weinig geeft om de miljoenen straatarme mensen. De acties moeten Nairobi’s nieuwe middenklasse in beweging brengen, al blijkt dat niet eenvoudig.

‘Occupy Wall Street kwam van burgers die woedend waren op een hebzuchtige elite. Zo’n soort elite hebben we hier ook’, vertelt Mwangi, die in 2012 de Prins Claus Prijs kreeg voor zijn maatschappelijke inzet. Hij wil dat ook in Kenia de mensen ‘wakker worden’ en dat ze ‘het politieke koninkrijk heroveren’. ‘Slecht bestuur is het grootste probleem van Kenia. Goed bestuur helpt de grote ongelijkheid op te lossen. We hebben integere mensen nodig die gaan meedoen aan de race om politieke functies. En we hebben burgers nodig die gaan eisen dat de politiek verantwoording aflegt. Kenianen, vooral die met banen, opleidingen en toegang tot informatie, moeten van zich laten horen.’

Met zijn moderne protestvorm is Boniface Mwangi een exponent van het Afrika dat meegaat op de golven van de globalisering. Hij behoort tot een generatie van jonge stedelingen voor wie internet en digitale televisie vanzelfsprekendheden zijn. In veel Afrikaanse landen nam na de Koude Oorlog de ruimte voor expressie en kritiek toe, onder invloed van het Westen. Mwangi behoort tot het Afrika dat in de woorden van Richard Dowden, directeur van de Royal African Society in Londen, ‘meer en meer onderdeel wordt van Planeet Aarde’.

Kenia is in Afrika een van de koplopers als het gaat om zulke ontwikkelingen. Nairobi is het financiële en logistieke knooppunt van Oost-Afrika. Westerse pressie na de val van de Berlijnse Muur leidde in veel landen tot herinvoering van de meerpartijenpolitiek, die in Kenia met passie wordt beleden. Het systeem wordt misbruikt voor het aanwakkeren van tribale animositeit, maar houdt tevens de hoop op hervormingen levend. Kenia kende in de jaren tachtig en negentig al een generatie van uitgesproken activisten voor democratie en mensenrechten.

Boniface Mwangi maakt in menig opzicht deel uit van de opkomende middenklasse die hij met zijn activisme aanspoort tot politieke betrokkenheid, al is die klasse nog klein vergeleken met Europese landen. Ze ontstond mede door de economische liberalisering afgedwongen door het Westen. Er ontstond een welvaartskloof tussen deze groep en de miljoenen arme Kenianen, een kloof die parallel loopt aan die tussen de zelfzuchtige politici en de armen. Maar Mwangi meent dat de nieuwe middenklasse kan fungeren als een brug, als een groep die baat heeft bij stabiliteit en meer inspraak gaat eisen. ‘Het is in hun eigen belang om politiek actief te worden’, redeneert hij.

Mwangi werd geboren onder eenvoudige omstandigheden, in 1983 in het zuiden van Kenia, vlak bij Tanzania. Zijn moeder verdiende geld met kleine handeltjes. Zijn vader was afwezig. Nadat hij met zijn moeder naar Nairobi was verhuisd, ging hij meehelpen met verkoopklusjes. Op zijn vijftiende verliet hij de middelbare school wegens geldgebrek. Op zijn zeventiende stierf zijn moeder. Hij belandde op een bijbelschool waar hij in aanraking kwam met fotografie. Een particuliere fotoacademie was bereid hem toe te laten zonder de vereiste papieren. Mwangi betaalde zijn opleiding door boeken te verkopen in de straten van Nairobi.

Zijn roeping als activist vond hij na Kenia’s omstreden verkiezingen van december 2007, toen hij voor de Keniaanse krant The Standard met zijn camera verslag deed van een geweldsexplosie. Tribale groepen, opgehitst en in sommige gevallen betaald en bewapend door politici, gingen elkaar enkele weken te lijf met messen, machetes, speren en stenen. Meer dan elfhonderd Kenianen werden gedood.

Mwangi’s indringende opnamen trokken internationaal de aandacht. cnn riep hem in 2008 uit tot Afrikaans fotojournalist van het jaar. Mwangi begon met zijn foto’s een reizende expositie. Kenianen moesten zien wat hun politici aanrichtten. Ze moesten zien hoe politici arme, ongeletterde burgers tegen elkaar opzetten in de alles-of-niets-strijd om de staatsschat. Mwangi wilde zijn landgenoten de ogen openen. ‘Kenya ni kwetu’ werd zijn motto, Swahili voor ‘Kenia is van ons allemaal’.

‘Je moet Kenianen het verschil duidelijk maken tussen politieke partijen en etnische machtsvehikels’

‘Ik zette mijn depressie, die was veroorzaakt door het geweld, om in iets positiefs’, zegt Mwangi, gehuld in een shirt met het rood, zwart, groen en wit van de Keniaanse vlag. ‘Je moet Kenianen het verschil duidelijk maken tussen politieke partijen en etnische machtsvehikels.’

Politiek staat in Kenia gelijk aan corruptie, zelfverrijking en tribalisme. Sinds de onafhankelijkheid van de Britten in 1963 is Kenia als een van de weinige Afrikaanse landen een militaire dictatuur of burgeroorlog bespaard gebleven. Het civiele bestuur raakte wel steeds sterker aangevreten door hebzucht en etnische rivaliteit, van de regering van Jomo Kenyatta (1963-1978) via die van Daniel arap Moi (1978-2002) en Mwai Kibaki (2002-2013) tot die van Uhuru Kenyatta.

Kenia’s parlementariërs behoren tot de best betaalde ter wereld. Ministers verduisteren belastinggeld en roven land. Politici eten zich vol terwijl veel van de 42 miljoen Kenianen moeten leven van omgerekend een paar euro per dag, zoals in Kibera, de grootste krottenwijk van Afrika met golfplaten, modderpaden en gewapende bendes, een paar kilometer van Nairobi’s zakencentrum waar conferentiecentra, universiteiten en hotels het beeld bepalen.

De Britse gezant Edward Clay kritiseerde de Keniaanse ministers al in 2004 om hun overdrachtelijke vraatzucht, die hen deed ‘overgeven over onze schoenen’. John Githongo legde destijds als corruptiebestrijder een fraudeschandaal van honderden miljoenen dollars bloot rond de aanschaf van defensie- en politiemateriaal. Hij moest vluchten voor zijn leven. Persoonlijk winstbejag heeft het veiligheidsapparaat verzwakt en speelt zo terreurgroep Al-Shabaab uit buurland Somalië in de kaart, stelt Githongo nu, doelend op de massamoord van begin april bij de universiteit in het stadje Garissa.

Door de misstanden aan te kaarten, probeert Boniface Mwangi Kenianen in verzet te krijgen. Hij voert zijn guerrilla-acties uit bij politiek belangrijke plekken en op mediaredacties in het hart van Nairobi. Aandacht is gegarandeerd. Flashmobs met een verhaal. Branie met een boodschap. Twee jaar geleden liet hij met een groep medestanders varkens los bij het Keniaanse parlement, als reactie op de loonsverhoging die de parlementariërs zichzelf hadden toebedeeld. Twintig jaar geleden toonden Kenianen nog onderdanigheid, ministers knielden voor de president. Nu is ‘MPigs’ een gevleugeld begrip. Krantencartoons schilderen parlementariërs af als dikke figuren in krijtstreeppakken met varkenskoppen als hoofden.

Mwangi en zeventien anderen werden aangeklaagd voor opruiing en dierenmishandeling. Ze wachten nog steeds op een proces. In buurland Oeganda kopieerde een actiegroep van jeugdige werklozen vorig jaar hun voorbeeld door in het parlement twee geel geverfde biggetjes los te laten, de kleur van de al 29 jaar regerende partij van president Yoweri Museveni.

Mwangi organiseerde een processie die doodskisten afleverde bij Kenia’s parlement, om de politiek ten grave te dragen. Hij liet in Nairobi al eens dertig ezels los met de tekst ‘Tumechoka!’, ‘We zijn het zat!’ Midden in het zakendistrict verscheen een grote graffiti van een aasgier op een troon, grimmig en onheilspellend, met een tekst met het ritme van een rapsong: ‘Ik ben een tribaal leider/ Ze plunderen, verkrachten, verbranden en moorden voor mijn verdediging/ Ik steel hun belasting, pak hun grond af maar de gekken zullen voor me blijven stemmen.’

‘Boniface is momenteel het geweten van het land’, zegt columniste Rasna Warah van Kenia’s onafhankelijke krant Daily Nation. ‘Hij is dramatisch in wat hij doet, maar de situatie vraagt ook om drama. Kenia’s huidige koers is onhoudbaar. De regering is sinister en arrogant. Het kan ze gewoon niks schelen wat er met het land gebeurt.’

Boniface Mwangi is ook een kind van contemporain Afrika in de zin dat hij zich weinig bezighoudt met ideologie of links-rechts-debatten. Hij ziet een probleem en wil dat verhelpen. Hij gebruikt daartoe Kenia’s relatief grote ruimte voor politieke activiteit en tegendraadse meningen. En sociale media. ‘Ik ben geen socialist en geen kapitalist, ik zit er ergens tussenin’, zegt hij. ‘En de mensen tot wie ik mij richt begrijpen ideologie toch niet. Ideologie speelt geen grote rol op dit continent. Maar misschien is iets praktisch doen tegen misstanden al een ideologie?’

Medium kenia
‘Ik steel hun belasting, pak hun grond af maar de gekken zullen voor me blijven stemmen’

Het debat over ‘Afrikaans socialisme’ en herverdeling van bezit, zoals dat plaatsvond rond de dekolonisatie, is ‘dood’, noteerde de Keniaanse historicus Bethwell Ogot in 2010. In de verwachtingsvolle jaren vijftig en zestig formuleerden linkse leiders visies voor hun onafhankelijke staten. Zij meenden parallellen te zien tussen socialisme en Afrikaanse noties van gemeenschapszin. President Julius Nyerere van Kenia’s buurland Tanzania werd vermaard om zijn concept van Ujamaa, een soort collectivisering op dorpsniveau.

Het ideaal van solidaire Afrikaanse natiestaten liep snel stuk op etnische rivaliteiten, cliëntelisme en coups. Macro-economisch wanbeheer en plundering van staatsbedrijven vergrootten de crisissfeer in de jaren zeventig en tachtig. Tegenwoordig domineert in Afrika, en zeker in Kenia, de vrije markt, een situatie die niet zozeer is ingegeven door diepe ideologische overtuiging als wel door desinteresse van de staat op veel fronten en door de privatisering en liberalisering zoals afgedwongen door de Wereldbank en het imf. Tanzania’s Nyerere deed op latere leeftijd het imf af als ‘Internationaal Ministerie van Financiën’.

Columniste Warah van de Daily Nation noemt Boniface Mwangi een exponent van ‘een nieuw soort’ Afrikaanse activisten. Idealistische maar ook praktisch ingestelde jongeren voor wie ‘commercie’ en ‘kapitalisme’ niet per se vieze woorden zijn omdat in hun ogen de vrije markt mede staat voor keuzevrijheid, gedachtewisselingen en emancipatie ten opzichte van de knellende conventies van de oudere generatie.

Washington, Londen en Brussel dwongen na de Koude Oorlog in Afrika niet alleen markthervormingen af maar ook (her)invoering van meerpartijenpolitiek en grotere ruimte voor meningsuiting. In Kenia moest de repressieve president Moi door de knieën. Moi had in 1982 nog een eenpartijstaat ingevoerd. Keniaanse activisten – wegbereiders van Boniface Mwangi – voelden zich gesterkt en gingen nog harder in verzet. In 2002 vertrok Moi na vrije verkiezingen, een gebeurtenis die in Kenia bekendstaat als ‘de tweede bevrijding’, na de eerste van de onafhankelijkheid.

Tegenwoordig nemen Keniaanse televisieshows politici op de hak met Spitting Image-achtige poppen en vinden er voor verkiezingen rechtstreeks uitgezonden lijsttrekkersdebatten plaats. Kenia wordt bestuurd door burgerpolitici, hoe corrupt ze ook zijn. De inwoners gaan iedere vijf jaar naar de stembus en er is een sterke grondwet.

De strijd voor het systeem als zodanig is dan ook gestreden, meent Mwangi. De opdracht voor zijn generatie is om dat systeem goed in te vullen. ‘Systemen voorkomen een vacuüm’, zegt hij. ‘Kijk naar de chaos die uitbrak in Noord-Afrika na de omwentelingen daar. Ik ben geen anarchist en bepleit ook geen geweld of revolutie, ik werk voor vrede. Ik geloof wel in individuen met radicale opvattingen die de weg plaveien voor anderen. Zoals Malcolm X, hij was een radicaal met een doel. Zonder Malcolm X was er geen Martin Luther King geweest.’

Mwangi zegt niet bang te zijn dat hij in de cel verdwijnt, ook al werd hij een keer of vijf gearresteerd. ‘Ze zouden een martelaar van me maken’, zegt hij. Zijn bekendheid en de westerse steunbetuigingen, zoals de Prins Claus Prijs, maar ook een persoonlijke aanmoedigingsbrief van Hillary Clinton, beschermen hem tot op zekere hoogte.

Hij verwerpt de gedachte dat hij met zijn acties de regering de kans geeft om tolerant over te komen door hem niet compleet het zwijgen op te leggen. Hij zegt dat hij simpelweg de ruimte benut die er in Kenia bestaat. Die ruimte houdt wat hem betreft in fysiek opzicht op bij de randen van Nairobi. ‘Als ze je arresteren en aanklagen voor een protest in een verre stad moet je bij een rechtbank daar steeds komen opdraven voor een proces dat bewust keer op keer wordt uitgesteld’, legt hij uit. ‘Dan kom je nergens anders meer aan toe.’

In afgelegen gebieden is bovendien de aandacht voor zijn acties minder groot. De stunt met de ezels op Kenyatta Avenue in Nairobi haalde de grote lokale televisiezenders en krantenwebsites en de bbc. Twitteraars verspreidden het verhaal verder. Mwangi heeft meer dan 185.000 followers.

Hij verdient per maand tweeduizend dollar via een social enterprise die hij opzette met het geld van de Prins Claus Prijs. Het gaat om een collectief van jonge fotografen, graffitiartiesten, filmmakers en andere gelijkgestemden onder de naam Pawa 254 (Pawa komt van Power; 254 is de telefonische landencode van Kenia). De leden betalen contributie en verhuren hun creatieve ruimte – drie verdiepingen in een pand van de ymca net buiten het centrum van Nairobi – voor debatten en presentaties. ‘Onze visie is het teweegbrengen van sociale verandering door middel van kunst’, zegt Mwangi. Hij houdt gloedvolle betogen tijdens ted-talks in Europa en Amerika. Terugkijken kan via YouTube. ‘Wanneer ik in Amsterdam ben, ga ik altijd naar de English Bookstore.’

‘Ideologie speelt geen grote rol in Afrika. Maar misschien is iets praktisch doen tegen misstanden al een ideologie?’

Boniface Mwangi heeft zich kortom opgewerkt naar een modern middenklassebestaan. Boodschappen doet hij bij supermarktketen Tuskys. Hij woont met zijn vrouw Njeri en hun drie jonge kinderen in een rijtjeshuis van twee verdiepingen in een gated community met 94 andere huizen. Tijdens een druk kinderfeestje merkt een vriend op hoe sterk Mwangi betrokken is bij de opvoeding van zijn kinderen. ‘On-Afrikaans voor een vader’, aldus de vriend. Als een jongetje een flesje frisdrank stuk laat vallen naast een blauwrood luchtkussen is Mwangi er eerder dan de moeders bij om de scherven op te vegen.

Eenzelfde soort betrokkenheid etaleert Mwangi wanneer het gaat om Kenia. Hij noemt zichzelf geen nationalist – dat is zo’n beladen term uit het verleden – maar een patriot. Stamverwantschap is een achterhaald idee.

De vanzelfsprekendheid waarmee Mwangi en zijn generatiegenoten zich verhouden tot westerse invloeden contrasteert met de ambivalentie van iemand als Ngugi wa Thiong’o, de Keniaanse auteur en theatermaker die zich verzette tegen president Moi en in de cel belandde. Thiong’o ageerde in 1981 in zijn beroemde boek Decolonising the Mind tegen het ‘imperialisme’ dat volgens hem voortleefde via het Engels, de taal van de vroegere koloniale bezetter. Thiong’o zou voortaan alleen nog schrijven in de taal van zijn Kikuyu-stam.

‘Het kolonialisme was verkeerd’, zegt Boniface Mwangi. ‘Maar westerse landen probeerden daarna te helpen. Zij zijn ook niet verantwoordelijk voor de uitkomst van onze verkiezingen. Dat zijn wij zelf.’

Mwangi heeft ook critici. Gacheke Gachihi (38) is sceptisch over zijn ludieke aanpak en banden met westerse instanties. Gachihi was in de jaren negentig op jonge leeftijd betrokken bij de weerstand tegen het bewind-Moi. Hij leefde in de sloppenwijk Mathare in Nairobi en richtte een beweging op die voedsel uitdeelt aan de armen en campagnes voert voor tax justice. De beweging heet Bunge la Mwananchi, ‘Parlement van het volk’.

‘Boniface heeft een goed hart, maar hij heeft geen samenhangende filosofie ontwikkeld’, zegt Gachihi in het kantoortje van Fahamu, een linkse organisatie die in 1991 werd opgericht door de Keniaanse activist en politieke balling Firoze Manji. In het kantoor zetelt ook de redactie van het pan-Afrikaanse uitgeefhuis Pambazuka (‘Dageraad’). Gachihi laat boeken zien die volgens hem zijn eigen gedachtegoed aardig weergeven, boeken over ‘neo-imperialisme’ en westerse ‘uitbuiting’ van Afrika. Gachihi is lid van Kenia’s marxistische Sociaal-Democratische Partij. Op de website van de partij staat een afbeelding van de voormalige Venezolaanse president Hugo Chávez.

Hij verwijt Mwangi dat hij onderdeel wordt van Kenia’s civil society, het amalgaam van ngo’s met gesalarieerde activisten en hulpverleners die aan de leiband zouden lopen van westerse geldschieters. Mwangi laat zich door westerse instanties ‘coöpteren’, hij heeft ‘een deel van zijn onafhankelijkheid opgegeven’. ‘Kijk ook naar Pawa 254, dat is niet een platform waarmee veel jonge Kenianen zich kunnen identificeren’, zegt Gachihi.

Pawa 254 houdt kantoor in een groene omgeving niet ver van het State House van president Uhuru Kenyatta. Leden betalen maandelijks een contributie van omgerekend tweehonderd euro. De dochter van Kenia’s ambassadrice in Nederland is lid. Zij studeerde in Australië en runt een filmbedrijfje. Een jonge graffitimaker praat over zijn murals in New York en Berlijn.

Mwangi wijst de kritiek van de hand. De leden van Pawa 254 tonen betrokkenheid, zegt hij, en er zijn leden die een arme achtergrond hebben. Verontwaardigd: ‘Pawa 254 is geen ngo, we zijn geen civil society. Ik heb Pawa opgezet als onderneming. Zweden doneert tegenwoordig, maar bepaalt niet wat we doen. Donoren spelen volgens onze regels.’

Columniste Rasna Warah vindt niet dat Mwangi zijn onafhankelijkheid heeft prijsgegeven. ‘Ik denk dat hij oprecht is’, zegt ze. Over het effect van Mwangi’s activisme is Warah overigens niet bijster optimistisch. Het heeft nog weinig teweeggebracht. ‘Maar je moet íets doen’, aldus Warah.

‘Ik geloof in individuen met radicale opvattingen die de weg plaveien voor anderen. Zoals Malcolm X’

Mwangi erkent dat er weinig politieke beweging valt te bespeuren binnen Kenia’s nieuwe middenklasse, ‘zijn’ groep die hij zo hardnekkig het goede voorbeeld probeert te geven. ‘Ze blijven stil wanneer er zonden worden begaan in dit land’, zegt hij enigszins verbolgen. ‘Ze betalen belasting, ze zijn opgeleid, ze zijn politiek meer bewust. Maar ze gebruiken hun kennis alleen voor het verdienen van geld.’

In zijn studie Kenya: A History Since Independence (2011) omschrijft de Brit Charles Hornsby Kenia’s middenklasse als ‘een van de grootste, meest invloedrijke en assertieve’ in Afrika. Een groep met toegang tot moderne winkelcentra, smartphones en goedkoop vliegen à la easyJet. Volgens de Wereldbank vormen particuliere bestedingen de motor van Kenia’s economische groei.

Deze nieuwe welgestelden houden zich politiek afzijdig omdat ze hun vingers liever niet branden, stelt Mwangi. Politiek staat voor corruptie en tribalisme, er komt narigheid van. De idee van een ‘publieke zaak’ is in veel Afrikaanse landen toch al niet sterk ontwikkeld, een symptoom van het moeizame proces van natievorming.

Nairobi’s nieuwe middenklasse moet alles dus privaat regelen, van beveiliging en scholing tot gezondheidszorg en behuizing. Ze raken ‘afgesneden van de samenleving’, zei onderzoeker Blessing Mberu van het plaatselijke African Population and Health Research Center in 2012 al tegen De Groene Amsterdammer. Kenia’s nieuwe middenklasse geeft Boniface Mwangi graag een retweet; ze blijft weg van de door hem gewenste roep om reclamatie.

Een krachtig voorbeeld is de Capital Club. Nairobi huisvest de eerste Afrikaanse vestiging van deze mondiale keten van exclusieve zakenclubs uit de Verenigde Arabische Emiraten. De komst van de club was niet mogelijk geweest zonder Kenia’s toegenomen economische bedrijvigheid. Maar ze illustreert voorlopig ook de extreme welvaartskloof: het duurste glas cognac bij Capital Club kost zo’n driehonderd euro, bijna een jaarinkomen voor veel bewoners van de krotten van Kibera.

Boniface Mwangi gelooft niettemin in een positieve doorbraak. Die kost tijd, volgens hem makkelijk nog een generatie. Uiteindelijk zal de opkomende middenklasse gaan inzien dat het in haar belang is om van zich te laten horen, om de ‘sociale ineenstorting’ te voorkomen die volgens Charles Hornsby ook mogelijk is als gevolg van Kenia’s ‘enorme, armoedige, gewelddadige, wetteloze en gemarginaliseerde gemeenschappen’.

‘Als er ooit een revolutie in dit land komt, wordt het een klassenoorlog’, zegt Mwangi. ‘Arm tegen rijk. Ik vertel mijn vrienden: “Dan zijn het jouw kinderen die worden gedood, dan is het jouw vrouw die wordt verkracht.”’

In de tussentijd vestigt Mwangi zijn hoop op Kenia’s nieuwe grondwet. De constitutie, aangenomen in 2010 na een volksraadpleging, vergroot lokale zeggenschap. Delegatie van taken en financiële middelen van de centrale overheid in Nairobi naar de provincies was een langgekoesterde wens van Kenia’s kleinere stammen. Zij hadden zich sinds de onafhankelijkheid beklaagd over de bestuurlijke dominantie van de twee of drie grootste stammen. ‘Omdat de decentralisatie meer bevoegdheden aan lokaal gekozen politici geeft’, zegt Mwangi, ‘kunnen kiezers niet meer zeggen: “De centrale regering komt van een andere stam en doet daarom niks voor ons.” Kiezers kunnen nu politici in hun directe omgeving aanspreken.’

Hij overweegt trouwens om zelf de partijpolitiek in te gaan. Dat mag eigenlijk niet verrassen, hij roept immers Kenianen op tot meer betrokkenheid. Mocht hij de stap zetten, dan is het namens een nieuwe partij. Kenia kent uitgesproken oppositiepolitici, maar die zijn volgens hem onderdeel van het ongeloofwaardige establishment. De politiek kan voor Mwangi een voortzetting zijn van activisme met andere middelen, een ander podium waarop hij wanbestuur aankaart en Kenianen toespreekt. Een podium dat evengoed media-aandacht garandeert.

Is hij niet bang dat hij zich zal stukbijten op de Keniaanse politiek? Op een verschijnsel waartegen hij nu nog op straat ageert? ‘Er is maar één manier om daarachter te komen’, zegt hij, ‘en dat is door het te proberen.’

Beeld: (1) Protest geleid door Boniface Mwangi tege corruptie, armoede en slecht leiderschap van Keniaanse politici; Nairobi, Kenia, 2014 (Dai Kurokawa / EPA / ANP); (2) Boniface Mwangi wordt door veiligheidsmensen weggevoerd voor arrestatie tijdens protesten tegen overheidscorruptie; 1 mei 2013, Nairobi, Kenia (Boniface Muthoni / Corbis / HH)