Kerk

Ik drink bier in de kerk die door mijn vriend Julius is omgebouwd tot een woonhuis. Zeven jaar is hij ermee bezig geweest. ‘Het gaat niet zo rap in het noorden’, zegt hij. ‘Vooral niet als je haast hebt.’ Er was gedoe rondom vergunningen, wijzigingen in het bestemmingsplan, de welstandscommissie. Halverwege het project raakte hij zijn baan bij een architectenbureau kwijt en op de valreep ging ook de bank dwarsliggen. Soms belde hij me ’s avonds laat om te praten en vertelde over de constructies die hij bedacht had of wijdde uit over afmetingen en houtsoorten. Door de verdieping die hij in de kerk had aangebracht was de toch al aanzienlijke vloeroppervlakte verdubbeld; al die ruimte vloog hem aan. Er waren financiële problemen. Nu en dan maakte ik honderd of tweehonderd euro over. Boodschappengeld. Hij vroeg er niet om en ik zei er niets over. Nu het huis af is lijkt Julius haast een andere man: zijn haar is wit geworden, alsof er nog kalk in zit. Het staat hem goed. Ik ben rondgeleid over de begane grond, langs de zes slaapkamers, de badkamer en de grote keuken. We hebben quiche gegeten en gepraat; over zijn leven hier, over het mijne in de stad. Even kwamen er oude en inmiddels vergeefse gevoelens ter sprake, sentimenten die we allebei zo goed mogelijk probeerden weg te lachen. Nu zitten we boven, in de woonkamer van magistrale afmetingen. ‘Het lijkt wel of we zweven’, zeg ik. Ik drink van mijn donkere bier en kijk omhoog, naar het lichtblauwe plafond, de glanzende kroonluchters. Door de glas-in-lood-ramen in de zijwanden valt het laatste licht van de dag in kleurige vlekken op de vloer. Julius rookt een kruidnagelsigaartje, waarvan de rook lang blijft hangen. Ik kijk naar hem. Zijn lange, hoekige lichaam in de grote leunstoel. Ik zou hier best kunnen wonen. De weilanden. De wolkenluchten. Het peperkoek-dorpje. ‘Toch wonderlijk’, zegt Julius ineens. ‘Hoe een ongelovige architect in het huis van God kan belanden.’ We kijken elkaar aan en zwijgen. Ik voel dat ik bloos.

‘Ja’, zeg ik. ‘Hij boft maar met je.’