Ger Groot

Kerk en staat

Het COC heeft vastgesteld dat bijna vijftig gemeenteambtenaren in Nederland wegens gewetensbezwaren weigeren een homohuwelijk te voltrekken. De verontwaardiging is groot en enkele weigeraars zijn inmiddels ontslagen. Een ambtenaar is er als dienaar van de staat immers aan gehouden de wetten ten uitvoer te leggen en daarbij zijn persoonlijke overtuigingen thuis te laten.

Daar is geen speld tussen te krijgen en toch stemt deze snelle afservering van het geweten even ongemakkelijk als de verbeten wijze waarop weigerachtige ambtenaren nu worden aangepakt. Onwillige overheidsdienaren zijn tenslotte geen nieuw verschijnsel. In de jaren tachtig weigerden gemeenteambtenaren in Zaanstad hand- en spandiensten te verlenen aan de gekozen raadsleden van de Centrumpartij, zonder dat daarbij met ontslag werd gedreigd. En niemand zal betreuren dat sommige ambtenaren tijdens de bezetting hun geweten hoger stelden dan het dienstbevel.

Dat het, in de overheersende visie van vandaag, in het ene geval om een goed en in het andere om een slecht georiënteerd geweten gaat, maakt geen verschil. Het geweten is ieders eigen zaak en wie daaraan ruimte wil bieden, moet accepteren dat de neuzen daarvan niet altijd in dezelfde richting wijzen. Aan de andere kant is een trouwambtenaar geen willekeurige staatsdienaar. Hij voltrekt een ceremonie waar de meeste huwenden veel prijs op stellen, maar die eigenlijk wezensvreemd is aan de staat. De kerkachtige vormgeving van de huwelijksplechtigheid laat aan alle kanten doorschemeren dat hier geen radertje-in-het-staatsapparaat staat, maar een soort seculiere bedienaar. Hij houdt een preek en spreekt een nauw verhulde zegen uit, in een travestie van de kerkelijke huwelijkssluiting die de staat na de Franse Revolutie aan zich getrokken heeft.

Consequente secularisten zouden de huwelijksplechtigheid ten stadhuize dan ook moeten bestrijden. Zelfs het gemeenteloket zou voor zoiets niet de geëigende plek zijn. Huwelijken zouden moeten worden gesloten ten overstaan van een notaris, zoals ook bij andere contracten tussen burgerlijke partijen het geval is – en in de prenapoleontische tijd regelmatig gebeurde.

Dat zelfs de felste verdedigers van de scheiding tussen kerk en staat zich niet tegen deze verkapte overheidssacramentaliteit hebben gekeerd, bewijst niet alleen dat de grens tussen beide vager is dan zij zich voorstellen. Het laat vooral zien dat wij hechten aan een trouwceremonie waarin de ambtenaar zich juist als morele persoon laat zien. Dat wil niet zeggen dat religieuze bezwaren van die laatste bijzonder gewicht hebben, wél dat men er met een eenvoudig beroep op plicht en dienstbevel niet is.

Dat die persoonlijke rol van de gemeentedienaar ook andersom tot onverkwikkelijke scènes kan leiden, bleek onlangs in het Belgische Mechelen, waar sommige paren weigerden in de echt te worden verbonden door een zwarte ambtenaar. Ook hier was de verontwaardiging groot, maar de onbezonnen roep om dwang (de ‘weigerparen’ zouden door niemand anders mogen worden getrouwd) week al snel voor de laconieke wijze waarop de man in kwestie zélf reageerde. Hij won daarmee moreel zo overtuigend het pleit dat sindsdien de trouwlustigen in Mechelen in de rij staan om speciaal door hém te worden gehuwd.

Dwang en ontslag vormen ook in Nederland het slechtste antwoord op wat hoogstens een symbolisch probleem kan worden genoemd. Trouwen kunnen homo’s tenslotte nog altijd in elke gemeente – en wie wil er nu in de echt worden verbonden door een ambtenaar met lange tanden? Zo er al praktische moeilijkheden rijzen, dan liggen die op het vlak van het dienstrooster: wie trouwt wie? Op iedere werkvloer is het een goede gewoonte rekening te houden met de specifieke gevoeligheden, vermogens en omstandigheden van iedere persoon.

De nu ingezette jacht op de weigeraars doet dan ook nogal onaangenaam aan. Vooral de wijze waarop een gemeenteambtenaar in Friesland na langdurige druk van het COC ten slotte ontslagen werd, heeft de ongemakkelijke kenmerken van een bijltjesdag. De ene, net bevrijde minderheid leek zich daarbij met enige triomf te wreken op een andere, allengs marginalere minderheid. Zo’n reactie is psychologisch begrijpelijk, zoals ook de gebeurtenissen van Dolle Dinsdag die waren. Maar politiek is geen bezigheidstherapie en geschiedenis is er om van te leren. Het beeld van kaalgeschoren vrouwen wekt intussen eerder gêne dan voldoening.

Het COC heeft zijn koers sindsdien gematigd en pleit nu voor een ‘sterfhuisconstructie’, waarin nieuwe ambtenaren een verklaring van niet-bezwaar moeten afgeven en de weigeraars langzaam uit de gelederen verdwijnen. Samen met de kabinetsbeschikking die voor die laatsten enige gedoogruimte creëert, spoort die oplossing het best met de Nederlandse traditie waarin het leefbare compromis sterker is dan het gelijk van de rechtzinnigheid.