Robert Zandvliet, Crucifix Torso II, 2018. Sint-Paulusabdij © Mischa Keijser

Het klooster Sint Catharinadal in Oosterhout dateert uit de veertiende eeuw. Het is een betoverend complex met een mooie moes- en bloementuin en een wijngaard; vroeger was er een beroemd boekrestauratie-atelier. Ernaast liggen nog twee kloosters, in een ‘heilige driehoek’. Het tweede is de neogotische Onze Lieve Vrouwe Abdij (1901), het derde is de Sint-Paulusabdij, een bakstenen mastodont uit 1907. Het zijn lege schalen: de laatste broeders zijn naar het bejaardenhuis, het Catharinadal telt nog twaalf zusters. Ik moest onherroepelijk denken aan Larkins Church Going, waarin de dichter zich in zo’n ‘serious house on serious earth’ afvraagt hoelang het nog zal duren voordat niemand meer weet waar die gebouwen voor waren bedoeld.

Die kloosterdriehoek is het podium voor een tentoonstelling samengesteld door Rebecca Nelemans en Hendrik Driessen. De setting is prachtig, en het is een interessant ensemble, van hoge tot zeer hoge kwaliteit, maar ook een tikje curieus, want er zijn kunstwerken met een duidelijk religieuze connectie, van Kapoor, Viola, De Bruyckere, Mulders en Roosen, maar die meten zich met werken die dat veel minder of helemaal niet hebben. Maarten Baas liet bijvoorbeeld de lijnen van een voetbalveldje trekken achter het hoofdgebouw van de Paulusabdij, Joost Conijn hing er een oranje vliegtuig tussen de bomen. Vrolijke gebaren, dat wel; de meeste indruk maken toch de posities van werken in dat ooit zo rijke religieuze veld.

De installatie van Bill Viola’s Catherine’s Room (2001) is zó toepasselijk dat het bijna gemakkelijk is: vijf kleine kloosterlijke episoden op vijf schermpjes, een directe imitatie van veertiende-eeuwse Italiaanse kunst. Sober, verstild en introvert als van Fra Angelico, naadloos passend in de retraite van Catharinadal. Dat klooster had een put, waarin Jelle Korevaar een teder flonkerend fonteintje van waterdruppels op blinkende boomblaadjes maakte, ook al ingetogen en subtiel, ook al sprekend uit een toegankelijk, misschien wat voor de hand liggend idee over water, licht en geluid in een religieuze omgeving.

Grotere gebaren zijn er in de enorme bakstenen ruimte van de kerk van de Paulusabdij. La veillée au candélou van Juliette Minchin, een ‘wake bij kaarslicht’: een grote kooi bekleed met kaarsenwas, die langzaam opbrandt en de ruimte met de plezierige stank van brandende pitten vult. Achter het altaar hangt een schitterend schilderij van Robert Zandvliet, Crucifix Torso II (2018), een sterk vereenvoudigde figuur, zwart, een brok mens, al wat er over was, en dezelfde barokke intensiteit heeft de in lappen verhulde Aartsengel van Berlinde de Bruyckere, naar Giorgione. In vier kapellen in de omgang staan nog eens vier Bill Viola’s, Vier martelaars, mensen geteisterd door aarde, wind, vuur en water. Dat is alles bijeen een programma dat iconografisch en artistiek klinkt als een klok, en volmaakt bij de praxis van zo’n abdijkerk zou passen, als die praxis nog zou bestaan.

En daarin zit een merkwaardige tegenstelling. Ik zag in Catharinadal de bezoekruimte van de zusters, met hun foeilelijke eikenhouten stoelen en hun zielloze schilderijtjes, ik zag de harde, bijna protestantse leegte van hun kapel. De cultuur waartoe die hedendaagse kunstenaars zich verhouden is in feite dood, op sterven na. Er zijn nog twaalf zusters Norbertinessen in hun fraaie kasteeltje, maar hun kerk is al kunstgeschiedenis geworden.

T/m 15 augustus in Monnikendreef, Oosterhout; kunstindeheiligedriehoek.nl