Kerkvader reve

Elke superkatholiek heeft zo zijn geloofsdaden. Die van Gerard Reve: zijn zachtaardige Ezelgod en zijn Betondorpse passiegeschiedenis ‘Moeder en zoon’, een modern lijdensverhaal. Reve zou er zalig voor verklaard moeten worden.(

WE SCHRIJVEN HET jaar 2043. De volksschrijver is dan niet meer onder de mensen. Dat zou ook moeilijk kunnen, want in dat geval had hij, geboren in 1923, 120 jaar moeten worden. En dat zou zelfs voor deze knorrige, zijn angel en God minnende mannetjeshommel een onhaalbaar hoge leeftijd zijn geweest. Zulk een gezegende ouderdom, placht hij te zeggen, behaalt men alleen in Ingoesjetië of Azerbeidzjan, of hoe al die prachtige uithoeken van het grote sovjetrijk vol frisse winden van grote en kleine partijbonzen ook mogen heten.
In dat jaar 2043 reist een bus vol pelgrims af naar Rome. Sommige van hen hebben de schrijvende Godszoeker nog meegemaakt. Antoine Bodar bijvoorbeeld, de priester met Mona Lisa-glimlach die de negentig dan ruim is gepasseerd. De meesten kennen hem uitsluitend van zijn werk en uit de ongeautoriseerde biografieën van Theodor Holman en Nop Maas, boeken waarin, vinden deze lezers, de eigenzinnige Spiritualia Catholica van hun held niet voldoende tot zijn recht komt. Onder de pelgrims zijn er die zich hebben uitgedost als Joop, de onbereikbare jongen uit Moeder en zoon, het bekeringsboek van de schrijver. Anderen zien eruit als de orgel pompende jongen uit datzelfde boek, of als ‘de katholieke jongentjes in katholieke korte broekjes’, zoals ze worden beschreven in Bezorgde ouders. Al deze verzamelde Wimies en Teigetjes hebben elkaar en God lief. Ze zijn niet voor een kleinigheid onderweg naar de Eeuwige Stad. Op het Sint-Pietersplein zal de Heilige Vader een toespraak houden over hun eigen roomse Ali Baba, hun roverhoofdman door wie ze allen zo graag genomen zouden zijn, indien ze er oud genoeg voor waren geweest. Naar verluidt zal de paus hun schrijvende, meedogenloze superman voordragen voor een zaligverklaring. Deze Petrus wil immers de deuren van de kerk openzetten voor zangers van nieuwe liederen. En dan niet voor goedwillende dominicaanse of jezuïtische versjesschrijvers van het plooirokjestype Leni Saris. Nee, deze paus wil geen instant-religieus geschrijfsel. Hij eist drek en viezigheid. Hij wil Geilige Heiligen die hebben gevochten met God, zijn engelen en Satan, zijn wederspreker. Zij die dat hebben gedaan, zijn er niet veel. Een ervan, zo heeft hij gehoord van zijn Nederlandse vertrouweling Bodar, heeft geleefd in de lage landen. Zijn naam: Gerard Reve.
Als de paus zijn 'bon Hollandais’ ziet, moet hij glimlachen. Hij begint zijn toespraak met: 'Broeders in Christus, want eerlijk gezegd zusters zie ik niet. Gedenk toch de woorden van de evangelist Johannes. Oud en met één been in de hemel, schreef deze bij wijze van afscheid: “Broedertjes, hebt elkander lief.” Gerard heeft ernaar geleefd en voor gestreden. Hij heeft ons bevrijd van wat hij noemde onze kleingelovige “Rechthaberei en demagogie”, en van onze “vervloeking van iedereen die met zijn eigen lul doet wat hij wil”. Dankzij hem kunnen we het te lang door ons vertrapte en verachte lichaam weer beminnen en zien als wat het is: een liefdesgeschenk van God, een gift die ons dichter bij elkander en bij de Heer kan brengen’ - hierop barst een spontaan applaus los en ook worden er spreekkoren aangeheven. Even lijkt het Sint-Pietersplein op de tribune van een voetbalstadion. Minutenlang klinkt het vanaf de Bodar-side: Gerardje, Gerardje.
Als het weer stil is, gaat de paus verder. 'Reve behoort’, zegt hij, 'tot de grote kerkvaders, en wel om een zeer eenvoudige reden: hij heeft onze dode waarheid weer nieuw leven ingeblazen. Als iemand mijn meest geliefde tekst uit het heilige boek heeft verwoord, is hij het wel. Die tekst luidt: “Zie, ik maak alles nieuw.”
ZAL HET ZO gaan over pakweg 43 jaar? Waarschijnlijk niet. Hoewel. Terugkijkend op zijn werk, schrijft Reve in 1987 over zichzelf: 'Ik ben een godsdienstig auteur, of U en ik er zin in hebben of niet: er is niets meer aan te doen.’ Anderen denken daar ook zo over. In het roomse bolwerk Nijmegen wordt Reve in 1989 zowaar onderwerp van godsdienstwetenschappelijk onderzoek. De religieuze Reve-watchers, waaronder een ongeschoeide karmeliet, vinden eensgezind dat de schrijver veel God-welgevallig werk heeft gedaan. Hij is een baken in 'deze verbrokkelde wereld, waarin wreedheid en liefde, angst voor de dood en hoop op redding’ de mens ineens kunnen overvallen, zowel in de supermarkt als thuis voor de buis. Reve is, concluderen de professoren, een mysticus, een stem uit het ondergrondse, die God weer salonfähig heeft gemaakt. En wat ook voor de schrijver pleit: zijn nadrukkelijk als katholiek ge afficheerde werk is nooit getroffen door een banvloek van de kerkelijke autoriteiten. Een bewijs toch, menen de roomse inleiders van het universitaire college, dat het leerstellig wel goed zit met zijn oeuvre.
Eerder al zijn er die de Heilige Vader voorzien van munitie voor een procedure ter zaligverklaring. 'Frater Harry Mulisch O.F.M.’ - zo genoemd door zijn opponent W.F. Hermans - schrijft naar aanleiding van het Ezelsproces dat Reve 'diep religieus’ is. 'Hoe heeft men kunnen veronderstellen dat een Nederlands schrijver niet diep religieus is’, voegt hij daaraan toe. Hermans concludeert: 'Wat populariteit aangaat overtreft hij (Reve) Lou de Palingboer, en zulke bioscoopexploitanten als Billy Graham en broeder Maasbach steekt hij gemakkelijk naar de kroon.’ Maar ook van minder verdachte zijde wordt gewezen op Reve’s godsdienstige eigenaardigheden. In antwoord op Kamervragen over diens vermeende blasfemische Ezelgeschrijf, zegt minister Vrolijk van CRM dat Reve in plaats van een godslasteraar wel eens de vader van een nieuwe generatie zou kunnen blijken.
Reve’s grootste prestatie is natuurlijk: de eliminatie van de strenge God van Calvijn en Abraham Kuyper - een daad waarvoor Rome hem tot op de dag van vandaag dankbaar is. Nescio noemt dit bekrompen Opperwezen in zijn verhaal 'Dichtertje’ 'de God van je tante, die zei, dat je moest groeten als je langs ’t huis van je baas kwam, ook al zag je niemand, je kon nooit weten wie ’t zag’. Nescio beschrijft Hem ook als de God 'van al die menschen, die zullen zeggen: “Dat had ik van jou niet gedacht,” als je nog eens probeert te leven’.
Met deze chagrijnige polder-Jehovah maakt Reve korte metten. Hij vervangt de onuitstaanbare Jan Doedel die, net als kameraad Stalin en voorzitter Mao, altijd maar aanbeden en gevreesd moet worden door een lief klein, bokkig Ezeltje, welks gewijde opening hij mag bezitten. 'Als God zich opnieuw in de Levende Stof gevangen geeft’, schrijft Reve in 1963, 'zal hij als Ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal Hem begrijpen en meteen met Hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om Zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als Hij spartelt bij het klaarkomen’.
De ezelpassage zaait veel onrust onder eenvoudige gelovigen. Hoger opgeleiden weten er geen raad mee: is dit nu het werk van de antichrist of van een modern mysticus? De geharnaste anti-Reviaan prof.dr. G.A. Lindeboom ziet in die vroege jaren zestig de bui al hangen. De Ezel, beseft hij, is het begin van het einde, hierna zal God volkomen worden uitgekleed. In zijn anti-ezelpamflet schrijft hij dan ook dat het hem niet zozeer gaat om 'een tegen de maan blaffende, zoöfiele homosexueel’, maar 'om theologen, die niet blaffend aanslaan, wanneer ze de Naam van God horen smaden, en die een eigenaardige onverschilligheid aan de dag leggen als de meest stuitende geslachtelijke ontucht als godsdienstige handeling wordt beschreven’.
Maar hoe de verontruste VU-professor ook tekeergaat, 'de God van je tante’ zal het afleggen tegen Reve’s zachtaardige Ezelgod. De betekenis van de Ezel voor de katholieke goegemeente van na Vaticanum(II wordt heel kenmerkend onder woorden gebracht door de Nijmeegse ongeschoeide karmeliet Frans Vervooren. Zich van geen dubbelzinnigheid bewust, omschrijft de brave pater de heilige Ezel als: een 'te vervullen leegte, positief begrepen als Openheid’. Daarmee brengt hij het Godsbegrip onder woorden van een hele generatie gelovigen, die door Reve meestal wordt omschreven als 'symboolblind’ en halfzacht.
REVE ZAL VAKER variëren op het thema van een ootmoedige God die heel gewoontjes is en graag door de mensen wordt bemind, eenzaam als Hij is. De ene keer is het 'Jezus op een bromfiets’, de andere keer heet de Verlosser 'een onweerstaanbaar charmante, erg leuke, goedgebouwde, argeloze jongeman uit de werkende stand, gekleed in nette, goed passende werkkleren van omtrent 28 jaren’. En als Matroos in Moeder en zoon Reve voor het eerst bezoekt, vraagt deze zich af: 'Wie was hij, dat hij alles scheen te begrijpen? Een Kind…? Kon het zijn, dat hij het Kind zelve was… de Zoon…?’ Telkens weer komt het op hetzelfde neer: het Opperwezen wordt van het kruis gerukt en de wereld in gesmokkeld. Ondertussen ondergaat Hij een gedaanteverwisseling: van een houten Klaas verandert Hij in een aandoenlijk balkend dier of in een oppassende, goudeerlijke en sexy jongen. God, kortom, wordt weer onder zijn schepselen gebracht - overigens nooit in de figuur van een solidaire, langharige, baardige en adrogene soepjurkgoeroe die bij bevrijdingstheologen zo populair is. Doorgaans is Hij een lekker, lief 'Ding’, waarin men kan wegkruipen, het type dat men bij de frietkraam op de hoek kan tegenkomen, en waarin menige academisch opgeleide kapucijnen- of dominicanerpater wel een gat of 'positieve leegte’ ziet.
Reve’s theologische vernieuwing, zijn vermenselijking van het Opperwezen, is niet compleet zonder zijn eigenzinnige marialogie, die tot vreugde van paus en curie heel goed past in de traditionele opvatting van Maria als Middelares. Net als de Vader en de Zoon (Reve noemt de Geest wel, maar echt veel kan hij niet met dit lichaamloze geval) krijgt de Moeder Gods van Reve een lichaam van vlees en bloed. Ik ben, schrijft hij 'zo vrij te verklaren dat ik twee keer met Maria geslapen heb, en dat iedereen kan doodvallen’. En om de nog niet uitgeslapen lezer echt wakker te schudden, gaat hij verder: 'Neen, ik beweer niet dat ik dat Kind verwekt heb, hoewel ik niet zo bevooroordeeld ben, dat ik zulks uitsluit.’
Maria is voor Reve een soort Zangeres zonder Naam, die hem moed inzingt. Tegelijkertijd is Ze een soort Bianca, wier 06-lijn altijd openstaat. Bij de Moeder der Smarten, door Reve ook wel omschreven als 'Verlosseres’ en 'Vierde Persoon Gods’, kan hij altijd terecht. Zelfs met zijn lichamelijke 'ongemakken’. Verscheidene malen bekent hij zich staande voor Haar beeltenis vleselijk te hebben beroerd. Vreemd genoeg spelen dergelijke scènes zich in Reve’s boeken nooit af voor een kruis- of heilig-hartbeeld, terwijl het in zulk een geval 'jongens onder elkaar’ zou zijn geweest en dus vertrouwder voor de schrijver. Maria is voor Reve - en in die zin is hij heel goedkerks - de kortste weg naar zijn God van liefde, die soms niet thuis geeft - mogelijk wijkt hij ook om die reden naar Haar uit bij zijn lust-exercities. Zij is in de revistische variant van het katholicisme, de Friedrich Engels, degene die de in- en uitgaande post verzorgt. Door Engels tot Marx, door Maria tot God.
HOE IS NU Reve’s godsdienstige bouwwerk te verklaren? Een bouwwerk dat grotendeels klaar is na zijn brievenboeken Op weg naar het einde en Nader tot U en na zijn religieuze bekentenisboek Moeder en zoon. Een bouwsel ook dat de schrijver tot op heden tracht te vervolmaken, een karwei dat hem overigens niet altijd even goed afgaat.
Over het fictionele gehalte van Reve’s werk kunnen natuurlijk heel diepzinnige tafelgesprekken worden gevoerd. Maar feit is dat Reve sinds 1963 'alle maskers heeft laten vallen’, zoals schrijver en criticus Gomperts terecht heeft opgemerkt. Vanaf de publicatie van Op weg naar het einde staat zijn eigen leven centraal in zijn kommerrijke werelden vol zaligmakende en triest en vrolijk stemmende treurigheid. Reve schept zijn eigen lijdensverhaal, analoog aan dat van de Grote Lijder, die door Reve weer onder de mensen is gebracht en in wiens levensgeschiedenissen werkelijkheid en verbeelding ook onontwarbaar door elkaar lopen. Overigens is zulk een lijdensverhaal van groot belang voor een paus die het plan zou opvatten Reve zalig te verklaren, want zonder martelaarschap is er geen kans op de begeerde status.
Reve’s leven en zelfbenoemde lijden is onder te verdelen in drie perioden. Die van De avonden, van het uitzichtloze bestaan, van de zielloze leegte, waarin de schrijver het Opperwezen uitsluitend aanroept in pure wanhoop - bijvoorbeeld als hij zijn vader in wit nachthemd ziet en beseft: 'Mijn God, ik zie zijn blote reet.’ In de twee brievenboeken, geschreven vanuit Huis ’t Gras, later omgedoopt tot Huize Algra, is de ellende nog allerminst voorbij, maar er schijnt zowaar nu en dan een warm zonnestraaltje bij de familie Gerard Reve naar binnen. God wordt ook wel eens van stal gehaald als er wat te genieten is, bijvoorbeeld een frisse jongen of een lekkere fles. De derde periode valt samen met het schrijven en publiceren van Moeder en zoon (1980), dat niet alleen bekering en bekentenissen geeft, maar dat ook een verlossingsboek is. Niet dat het in dit boek en later werk elke dag kermis en feest is, maar een uurtje in de draaimolen, een minuut of vijf in de swingmill, het kan en het mag.
Vooral in zijn derde periode componeert de schrijver zijn passiegeschiedenis. Smart en ellende vallen hem, het marxistenzoontje van heidense ouders, ten deel. En aldus krijgt de lezer zicht op wat Reve’s enige vrouw, Hanny Michaelis, ooit vertelde over zijn jeugd. 'Voor zijn vader’, zei zij, 'bestond er alleen materie. Daar heeft Gerard innerlijk veel van te lijden gehad.’ Zo is er het ontroerende sprookje aan het begin van Moeder en zoon. Het gaat over het kleine jongetje Gerard die opgroeit in een ongelovig en kil gezin en die zo graag een kerstboom wil. Zijn ouders hebben voor dergelijke nonsens vanzelfsprekend geen oog. En dus verzamelt Gerard na 25 december dennenboomtakjes op straat. Als hij er voldoende heeft, fabriceert hij daarvan zijn eigen kerstboompje. Op zijn eigen kerstavond steekt hij de kaarsstompjes aan, en is 'op de betonnen vloer gezeten’ in een schuurtje achter het huis, alleen met zijn boom.
Voorbeelden van de kaalheid en troosteloosheid van zijn jeugdjaren zijn ook te vinden in Oud en eenzaam, dat in 1978 verscheen. Reve verhaalt daarin van in en in treurige gezins-fietsvakanties. Normale families zagen, als ze op hun Gazelle of Batavus naar buiten trokken, groene weiden en pittoreske gebouwen. De Reves kenden die vreugde niet. Ze fietsten door oneindig vijandig landschap dat getuigde van kapitalistische roofzucht, met als dieptepunt van knechting de kerken en kathedralen, waar bij sommige hoofdingangen heel kenmer kend de letters D.O.M. te lezen waren. Reve vertelt ook over de vakantiebestemming, het communistische familiekamp waar iedereen zich vrijwillig het regime van armoede, zuinigheid en preutsheid liet opleggen.
Als in die tijd, schrijft Reve, 'de vraag gesteld werd “wat ze bij mij thuis waren”, bloosde ik en begon ik te stotteren, en brak het zweet mij uit. De bekentenis, dat “ze” of liever gezegd “we” bij mij thuis communist waren, deed ik met ietwat hese, overslaande stem, waarbij ik moest slikken.’ Als Reve jaren later als gevierd en net katholiek geworden schrijver op een boekenmarkt handtekeningen uitdeelt, realiseert hij zich dat hij nog steeds worstelt met dat drukkende verleden. Want waarom ontloopt hij zijn oude sympathieke leraar Jacques Presser? Reve weet niet hoe hij zijn bekering moet uitleggen aan de socialistische historicus: 'Dat ik de Vooruitgang, wiens moeizaam bevochten, maar zekere zege men zich alom zag aftekenen, had verloochend en verraden…? Welk een smaad, welk een vernedering, welk een nederlaag voor het gezond verstand!’
VOOR REVE ZIT er maar één ding op: tegenover het al te gezonde verstand van zijn ouders en andere Moskovieten moet hij een ongezond, irrationeel verstand stellen. Dat vindt hij in het meest subjectieve en kitscherige geloof dat er bestaat: dat van de katholieke kerk, waarvan hij in Moeder en zoon ontdekt al jaren 'lid’ te zijn. Door daadwerkelijk toe te treden tot dit vrome gekkenhuis kan hij de 'ongehoord primitieve godsdienst’ van zijn jeugd achter zich laten, kan hij voorgoed afstand doen van de collectieve neurose, van de communistische levensangst-leer, die net als het orthodoxe calvinisme als de dood is voor alle zinnelijkheid. In plaats van de kille en berekenende godheden Marx en Engels en 'karpatenkop’ Paul de Groot komen een God die je alles kunt vragen, een echt fijne Zoon en een lieftallige, zeer ontvankelijke Moeder. Men kan ook zeggen: alles is omgedraaid. De tirannen uit Reve’s jeugd naar wier pijpen de gelovigen moesten dansen, zijn vervangen door een God en een bijna-Godin die, al hebben Ze hun eigen leven, ook wel eens doen wat hun mensenkind Gerard wil. En ook de lelijkheid, de grauwheid uit zijn jeugd, vol proletarische bultenaren, bestaat niet meer. Tegenwoordig is hij opgenomen in een organisatie vol pracht en praal, waarin knappe jongens knielen en prevelen. 'De katholieke kerk is waar, omdat zij mooi is’, zegt Reve. Hij zou eraan toe moeten voegen: de communistische beweging is een grote leugen, omdat zij lelijk is.
Tegen de achtergrond van zijn marxisme, waarin hij zelf zegt lang geloofd te hebben, wordt ook Reve’s werkwijze begrijpelijker. Zijn veelgeroemde en verlossende ironie bijvoorbeeld. Deze moet hij toch geoefend hebben op de voormannen van het communisme. De verzuurde Marx moet hij op den duur alleen hebben kunnen verdragen door deze een feestmuts op te zetten of een mombakkes voor te doen. Datzelfde foefje toegepast op de katholieke God, die van zichzelf al een beetje een fuifnummer is, levert een heel ander resultaat op: dan krijgt hij Iemand van wie hij kan houden. En als het even moeilijk is, brengt de dialectiek, die zijn vader en oome Paul erin gestampt hebben, uitkomst. Reve heeft immers een eigen scholastiek ontworpen, waaraan menig kerkvader een puntje kan zuigen. 'Het wezenlijke’, schrijft hij, 'van een volwassen, volgroeide religie is dat zij iets zegt, maar iets anders bedoelt. Men gelooft iets anders dat men niet kan of wil uitspreken.’ Als God of Zijn plaatsvervanger op aarde dus 'nee’ zegt, kan Hij wel eens 'ja’ bedoelen. Als de kerk het homohuwelijk veroordeelt, houdt dat geen afwijzing in; als ze bezwaar maakt tegen de Ezelgod, betekent dat geen afkeuring; en zo verder, en zo voort.
Is Reve dan niet echt gelovig, is zijn religieus geladen optreden in 1969 in de Vondelkerk flauwekul, is zijn hele performance van vrome Godzoeker uiteindelijk alleen maar schone schijn? Is, om met Hermans te spreken, de enige God die hij aanbidt, inderdaad, 'Ezeltje schijtgeld’?
Sjaak Hubregtse, revoloog van het eerste uur, gelooft daar niets van. In wat hij noemt Reve’s 'romantische ironie’ wordt God niet afgebroken. Integendeel. Hij wordt - wat Hij ook moge zijn - tastbaarder en echter dan ooit. Reve’s katholicisme is volgens Hubregtse een serieuze aangelegenheid. Reve, schrijft hij, heeft 'een onverminderd grote behoefte aan inzicht in een veronderstelde samenhang aller dingen: hij wil in God geloven, hij wil fundamentele zekerheid’.
EEN ANDERE, UIT het leven gegrepen getuigenis komt van Rob van Amerongen, een jeugdvriend van Reve die als Viktor Poort een hoofdrol speelt in De avonden. In een interview met Wim Wennekes zegt Van Amerongen over Reve in die tijd: 'Hij had een bijbel. Daaruit kende Gerard vooral de geëxalteerde delen. Openbaringen… Volzinnen over de engelen en de bazuinen heb ik hem vaak horen zeggen. Wat ik me ook herinner is dat hij eens naast me kwam staan en vroeg: “Zullen we bidden?” - en dat met zo'n lachje waarmee hij een ander te denken gaf: meent hij het nou of niet? Er heeft toen even door mij heen gespeeld: hij meent het. Anders had ik het niet onthouden.’ En Reve’s persoonlijke bedevaartsvriend Peter van Bergen vertelt aan de Volkskrant, nadat Reve Maria een doos bonbons heeft geschonken in de aan haar gewijde kapel te Heiloo: 'Mijnheer Reve heeft een heel persoonlijke Godsbeleving. Wars van de roomse traditie, vol van ironie, maar boven alles diep en diep religieus. Geloof me, er zit geen greintje scherts bij.’
Het mag zo zijn. Toch zou Reve een teken van hogerhand goed kunnen gebruiken. Want nog altijd zijn er in dit land nazaten van senator Algra en het goed-calvijnse Kamerlid Van Dis - beiden rechttoe rechtaan christenen die Reve hielden voor een ketterse geilaard. De Heer der Heerscharen heeft het al eens behaagd het schrijvend prijsdier te laten kussen door de lieve roomse minister Marga Klompé. Het is de enige canonisatie geweest van Reve tijdens zijn leven.
Als de volksschrijver straks aan gene zijde is, zal wellicht de tweede, de formele canonisatie volgen. Als het zo ver komt, als ooit een paus voorstelt Reve zalig te verklaren, dan zou hij zijn rede op het Sint-Pietersplein wel eens als volgt kunnen besluiten: 'Augustinus verblijdde onze Moederkerk met zijn Confessiones, Thomas doneerde zijn Summa Theologica en Reve gaf ons zijn heilige Ezel, bovendien schonk hij zichzelf, het archetype van een nieuw soort heilige, een moderne kerkvader die een eigentijdse lijdensweg heeft beleefd en uitgevonden. Broeders in Christus, laten we hem daarvoor dankbaar zijn. Leven we voortaan naar zijn regel, die ook mijn regel is, en laten we dat doen om hem te gedenken: “Masturbi et mastorbi”.’