Kermis in de hel

DE VLAMING Peter Verhelst, geboren in 1962, is al een aantal jaren bezig zijn eigen literaire bouwwerk te construeren. Zo langzamerhand begint dit indrukwekkende afmetingen aan te nemen. In een jaar of vijf schreef hij zes dichtbundels en drie romans. Met een weergaloze overgave en ongebreidelde geobsedeerdheid schrijft Verhelst almaar verder aan die, nou ja, die kathedraal.

Verhelst is een postmodern romanticus - ja, dat kan, in zijn geval wel. Hoe ‘modern’ zijn werk ook moge zijn, de grondtoon ervan is onmiskenbaar romantisch. Maar dan wel op een typisch eigentijdse manier. Romantiek op z'n Verhelsts is de duistere schoonheid van Virgin Prunes, Einstürzende Neubauten, Nick Cave en Joy Division. De schoonheid van het bloed, de pijn en de dood, de wellust van het kwaad, het gruwelijk mooie.
In zijn dichtbundel Verhemelte, die eind augustus verscheen, vinden we: 'Om mijn hals/ draag ik in een doosje een gebroken spiegel. Nee. Om zijn hals/ draagt hij nu in een doosje een gebroken spiegel.’ En: 'Er wordt op spiegels gelopen, gevochten, geslapen./ Maar niemand ziet de jongen die, aan de rand/ van de zwarte spiegel roert tot de spiegel/ in zijn eigen draaikolk wegtolt.’
In alle gedichten in Verhemelte wemelt het van de spiegels, en ook in de roman De kleurenvanger zijn ze prominent aanwezig. Spiegels. Kapotgeslagen spiegels, waarvan uit elke scherf een nieuwe groeit. Spiegels waarin mensen verdwijnen, spiegels waarin de wereld oplost. De dichtbundel staat niet los van de roman, wat bewijst dat Verhelst zo'n schrijver is die eigenlijk één groot boek creëert. Alles heeft met elkaar te maken en de spiegel is een van de elementaire verbindingsstukken. 'Alleen zichzelf kan hij zien. Alles is hem een spiegel’, citeerde Jeroen Brouwers ooit Harry Mulisch, als motto voor een van zijn boeken. In Zonsopgangen boven zee voerde Brouwers het spiegelmotief zeer ver door om de existentiële eenzaamheid van de mens te thematiseren. Dat boek, de roman die wèl overeind blijft als de liefde voor Brouwers op een dag plotseling over is, is een meesterlijk bouwwerk van zich spiegelende en herhalende motieven, die als geluidsgolven interfereren, elkaar versterken en uitdoven. Bij Verhelst gebeurt iets dergelijks: in het centrum van de roman staat alleen de jongeman die vertelt. De rest van de werkelijkheid vormt het decor waartegen hij leeft, maar hij heeft er niet echt contact mee. De wereld bestaat voornamelijk aan de binnenkant van zijn hoofd - zijn getourmenteerde hoofd, zijn hoofd vol verhalen.
De kleurenvanger, Verhelsts derde roman na Vloeibaar harnas en Het spierenalfabet, is een gelaagd en prettig ongemakkelijk boek. Het laat zich lezen als een negentiende-eeuws aandoende Bildungsroman, een soort Wandergeschichte waar de oude Goethe zich niet voor zou hoeven schamen, maar is tegelijkertijd wel degelijk geworteld in de moderne tijd. Het heeft weinig zin hier te proberen de plot samen te vatten, of (gekunsteld) een overzichtelijke structuur aan te brengen in een vertelling die juist met opzet niet 'eenvoudig’ is gecomponeerd. De kleurenvanger ontleent zijn kracht juist aan de gefragmenteerde opbouw, het haperende vertellen, het hortend en stotend gebrachte verhaal, dat de ik-persoon de lezer tastend en trachtend voorschotelt.
De hoofdpersoon, een jongeman, maakt wandelingen door Brugge, met zijn hele hebben en houden op zijn rug. Hij heeft geen huis, geen familie, nauwelijks banden met de 'gewone’ wereld. Hij is een zwerver, een eenling. Hebben zijn tochten een doel? 'Wat de muren me niet konden geven, zouden de mensen me kunnen schenken, dacht ik. Als een gek doorkruiste ik de straten en maakte mezelf wijs dat ik op een dag iemand zou ontmoeten die voor mij was geboren, maar opnieuw zag ik in de winkelruiten alleen maar mezelf opdoemen uit de menigte. Ik besloot niet verder te zoeken en mijn schaduw als enig gezelschap te dulden. Ik bleef wel door de stad lopen, almaar sneller, maar alleen om de grenzen van mijn lichaam af te tasten. Ondertussen voerde ik lange gesprekken met mijn schaduw, op de onpare dagen over triviale zaken, op de pare dagen over het verhevene.’ De jongeman ontmoet in Brugge een meisje. Ze zwerven een tijdje samen rond, net zolang tot zij op een kwade dag van een brug valt: 'Viel ze? Werd ze geduwd? Ik denk dat ze sprong. Eén ding is zeker: angst geeft geen vleugels.’ Na haar begrafenis verlaat de jongen de stad, en gaat op weg naar Barcelona, Berlijn, Bordeaux en ten slotte Venetië. Onderweg ontmoet hij kleurrijke figuren, en ook het meisje blijft op een mysterieuze manier voortdurend bij hem. Hij slaapt staande, ze slapen samen staande, omstrengeld veranderen ze in een boom. Iedereen die de jongen tegenkomt, heeft zijn eigen verhaal. Alesandro Moreschi is een zanger die de lucht laat bloeden door te zingen; Pablo maakt kunstwerken van vuur, en de Kleurenvanger archiveert alle kleuren van de wereld in een bijenkorf. En tussen alle verhalen door zet de jongen zijn tocht voort. Tijdens een moment van bezinning peinst hij over zijn reis: wat is nou eigenlijk de reden van zijn tocht? 'Angst. Was het daarom dat ik als een gek Europa doorkruiste, uit angst dat er wortels uit mijn tenen zouden schieten? Nee, de aarde is een ondoordringbare bol. Je kunt je voeten wel onder de grond schuiven, maar het blijven je voeten. Ik stap om ooit van die bol te kunnen vallen. Hoe hoog kun je vallen? Zo hoog als de dood en misschien nog hoger. De hemel is zo zwart dat het deksel wel weg lijkt.’
Hoe hoog kun je vallen? Zoals Verhemelte in verschillende toonaarden de vlucht van Icarus bezingt, of eigenlijk zijn sprong, of eigenlijk zijn val, zo doet De kleurenvanger eveneens verslag van een val. Toen het meisje van de brug viel, denkt de jongen, viel hij mee. En sindsdien 'ben ik blijven vallen’.
HET BOEK is ook het verhaal van de moderne mens, het hedendaagse subject dat geen wortels, geen geschiedenis en geen waarheid meer kent, de mens die zich dient te verlaten op verhalen, in alle mogelijke verschijningsvormen. In de roman rijgen de verhalen zich aaneen, op een soepele, losse manier, die echter veel dwingender blijkt dan in het begin lijkt. Verhelst heeft zijn roman zo gecomponeerd dat alle vertelsels, alle raadseltjes, alle mini-legenden en alle vragen verbanden met elkaar aangaan. Ze interfereren, ze versterken elkaar, of doven elkaar uit. En in het centrum van alle verhalen staat telkens de 'ik’, die echter geen scherp omlijnde ik is, maar meestal een ander.
De kleurenvanger is een ongelooflijk rijke roman, prachtig vol met verhalen, sprookjes, halve mythen en hele leugens - want vaak zegt de verteller dat hij liegt. Verhelst bezit een weergaloos taalgevoel, en een indringende, poëtische stijl.
Niemand kan deze roman verlaten zonder vermoeidheidsverschijnselen, zonder deelgenomen te hebben aan die kermis in de hel, die De kleurenvanger in zekere zin is. Verhelst stelt fikse eisen aan de lezer. En dat is goed. Hoeveel dit boek ook van de lezer vraagt, het loont de moeite.
In Verhelsts werk komen profane religie, aardse mystiek en postmoderne romantiek samen, en allemaal zijn het spiegels, spiegels waarin de schrijver zichzelf kan zien. En de lezer kijkt mee, door rond te dwalen in een oeuvre dat onweerstaanbaar en indrukwekkend groeit.