Kermiskraker

Nog tot en met 16 maart. De volgende aflevering - De man die kwam dineren - komt op 3 april uit.
Het is nooit goed of het deugt niet. Een theatermaker kondigt aan dat hij gaat uitzoeken wat een klucht hem nog te bieden heeft. Krijgt-ie meteen Willem Nijholt over zich heen. ‘Hier blijkt die minachting bij dat gesubsidieerde toneel voor blijspelen’, briest hij tegen Henk van der Meyden in de Telegraaf van 11 maart: ‘Kijk eens met welk een neerbuigende houding men nu in Rotterdam bij het RO Theater kluchten brengt.

Peter de Baan wil daarmee onderzoeken wat er achter kluchten schuilgaat. Wat een onzin. Een klucht goed spelen is trouwens heel moeilijk.’
De theatermaker in kwestie is trouwens niet Peter de Baan maar Koos Terpstra. En Terpstra is niet bezig om uit te zoeken wat er achter een klucht schuilgaat (dat weet-ie al: niks tot zeer weinig), maar hoe het mechanisme van een klucht werkt. Wat dat met minachting te maken heeft, ontgaat mij. Trouwens ook waar de link ligt met de tegenstelling tussen gesubsidieerd en commercieel theater. Die lieten de stukken die zijn verkozen allebei decennia links liggen: Arsenicum en oude kant, De man die kwam dineren en De tante van Charlie. Die laatste, een victoriaanse situatieklucht van Brandon Thomas, ging de afgelopen week uit.
Acteurs en actrices kregen vroeger een contract dat van september tot mei liep. In de zomermaanden moesten ze zelf aan hun geld zien te komen. Velen deden dat door met kluchten langs regionale kermissen te reizen. In de negentiende eeuw werden deze kluchten aan de lopende band gespeeld, door de zogenaamde saltimbanques, wat letterlijk koorddansers zonder net betekent. Een omschrijving waar niks op valt af te dingen - bij een klucht heb je alleen steun aan het koord dat bestaat uit een vaak flinterdunne plot en een serie one-liners. Val je van dat koord, dan is er geen redden aan: je breekt als acteur gegarandeerd je nek.
Er speelt bij Terpstra en zijn troep in het kluchtenproject (dat ze Three of a Kind noemen) geen minachting; er is respect, diep respect voor een hondsmoeilijk vak: komedie spelen. Thomas’ tekst - een klassieke verkleedkistkraker - helpt hen de eerste drie kwartier niet echt op weg. Er moet heel veel worden uitgelegd voordat de machinerie kan gaan draaien, en dat levert soms een stroeve opening op. Maar als Stefan de Walle opkomt, in de outfit van wat de tante van Charlie moet voorstellen, dan loopt de hele handel als een trein naar de wrange en bizarre ontknoping.
Terpstra en zijn mensen doen iets wat ik altijd mooi vind: ze verbergen niks. Op het podium van hun eigen theater is een wankel plankier neergezet (het doek blijft dicht, de zaal blijft ongebruikt). Daar staan honderdvijftig klapstoeltjes omheen, en een bar en kledingrekken. Naast het podium staat een spiegel met een barst - de stille echo van Gogols motto voor de komedie: ‘Geef niet de spiegel de schuld als je een scheve tronie hebt!’ Het resultaat is kermistoneel zonder schmieren. De nare, wrange en ontroerende kanten van deze komedie (de man in de neptante van Charlie is bijvoorbeeld zelf wanhopig verliefd, maar kan daar niks mee zolang hij die verrotte jurk aan heeft) worden niet geschuwd, zelfs zorgvuldig geincasseerd. De hilarische lach wordt niet op het effect binnengehaald, maar vanuit de mallotige situatie van het stuk streng, soms bijna op het calvinistische af gespeeld. Iedereen vindt daarin zo zijn eigen lijn. De een doet dat door op een geraffineerde manier almaar van tempo en stemvolume te wisselen (Cees Geel), de ander door met een scherpe blik permanent contact te houden met alles wat er op de speelvloer gebeurt (Stefan de Walle). Anderen 'liegen’ een permanente verbazing over de gebeurtenissen bij elkaar (Veerle van Overloop en Joop Keesmaat). Ja, De tante van Charlie is een onderzoek, met als resultaat een lekkere toneelavond. John Lanting is het niet. 'Dus’ schreven een paar kranten dat het halfslachtig was. Het is ook nooit goed of het deugt niet.