Energiecrisisbezwering

Kernfusie, de laatste stap naar God

Met thermonucleaire kernfusie moet de dreigende mondiale energiecrisis worden voorkomen. Momenteel strijden de Europese Unie, de Verenigde Staten, Japan, Rusland, China en Zuid-Korea om de plek waar de eerste reactor moet komen te staan. Aanloopkosten: tien miljard euro. Nog niet zeker is of het werkt.

Op 31 januari 2004 streek een zware delegatie van het ministerie van Wetenschap en Technologie van de volksrepubliek China neer in Château de Cadarache in Zuid-Frankrijk, zeventig kilometer ten noordoosten van Marseille. Vice-minister Yan Hue-Liu kwam zijn instemming betuigen met de Franse kandidatuur als locatie voor de International Thermonuclear Experimental Reactor (ITER).

Hier, in het hart van de Provence, moet over zo’n tien jaar de eerste werkende kern fusiereactor ter wereld staan, een krachtbron die werkt op de manier van de zon en de sterren. De brandstoffen — deuterium en lithium — zijn in ruime mate en voor iedereen beschikbaar: deuterium uit zeewater, lithium uit erts. In een fusiecentrale smelten bij een temperatuur van 150 miljoen graden lichte atoomkernen samen, waarbij veel energie vrijkomt. Een toekomstige fusiecentrale zal evenveel energie moeten leveren als de huidige elektriciteitscentrales, zo’n duizend megawatt. ITER moet aantonen dat fusie technisch haalbaar is als veilige en schone energiebron.

De Chinese steun was een grote opluchting voor de Franse premier Raffarin. Die is momenteel bezig aan een stevige politieke strijd met de Verenigde Staten en Japan, met als inzet de bouw van het ITER-experiment in het Zuid-Franse Cadarache. Tot voor kort werkten de Europese Unie, de VS, Rusland, Japan, Zuid-Korea en Canada gebroederlijk samen aan ITER. Met vereende krachten werken wetenschappers wereldwijd aan het realiseren van kernfusie, waarvan de kracht wordt beschreven door de beroemde formule E=mc2, uit de relativiteitstheorie van Albert Einstein. Kernfusie kan op de lange termijn een grote bijdrage leveren aan het voorkomen van de in het verschiet liggende energiecrisis, met de klimaatveranderingen voorop. Ook de kosten — vijf miljard euro voor het bouwen, en daarna nog zo’n bedrag om de boel twintig jaar operatief te houden — zouden eerlijk worden verdeeld, zij het met een zware rol voor de Europese Unie, die meer dan een derde van de kosten voor zijn rekening zal nemen, mits ITER in Europa komt.

De laatste maanden zijn er flinke spanningen ontstaan binnen het mondiale samenwerkingsverband. Tot voor kort waren vier landen in de race om ITER op hun grondgebied te krijgen: Frankrijk (Cadarache), Spanje (Vandellos), Canada (Clarington) en Japan (Rokkosho). Eind vorig jaar vielen de Spaanse en de Canadese kandidaten af, met als gevolg dat Canada — waar de regering anders dan in de andere kandidaat-landen sowieso nog geen financiële steun voor het project had toegezegd — zich uit het ITER-project terugtrok. De overgebleven kandidaten Frankrijk en Japan stonden vervolgens als kemphanen tegenover elkaar. De Verenigde Staten spraken in januari dit jaar hun steun uit voor de Japanse kandidatuur, zo ook Zuid-Korea, terwijl Europa, Rusland en China eveneens een gezamenlijk front vormden. De Europeanen toonden zich diep gegriefd door de Amerikaanse steun aan het Japanse Rokkosho. De regering-Bush zou alleen maar voor Japan hebben gekozen om de Fransen, én de Duitsers, te straffen voor hun gebrek aan medewerking in de oorlog tegen Irak.

Vlak voor de komst van de Chinese delegatie liet premier Raffarin weten dat Europa wat hem betrof in z’n eentje verder moet met het ontwikkelen van ITER, desnoods met steun van Canada. «We moeten en zullen ITER hebben», aldus Raffarin op 13 januari, «ook als we het helemaal zelf moeten doen. We zullen dit niet loslaten. We zijn in onderhandeling en we zijn vastbesloten.» Bij Frankrijks partners binnen de Europese Unie viel de harde taal van Raffarin niet in goede aarde. Brussel uitte de vrees dat de discussie over ITER zou «escaleren», maar stelde zich wel achter Frankrijk op.

De Amerikaanse minister van Energie Spencer Abraham maakte tijdens een recent bezoek aan Tokio duidelijk dat de regering-Bush in Japan een natuurlijke bondgenoot ziet voor de ontwikkeling van een gezamenlijke energiepolitiek, inclusief kernfusie. President Bush gelooft heilig in de mogelijkheden van kernfusie, anders dan zijn voorganger Clinton, onder wiens leiding de VS zich in 1998 terugtrokken uit ITER. ITER startte in 1988 op initiatief van Reagan en Gorbatsjov, die gezamenlijk de wereld opriepen op korte termijn een grote sprong te maken op het gebied van kernfusietechnologie. Zo ontstond ITER als multinationaal initiatief, met een overkoepelend hoofdkantoor in Moskou, het management in San Diego en tal van toeziende colleges en onderzoekscentra in Europa en Japan. Clinton maakte een eind aan de Amerikaanse deelname, met als officiële reden dat de Amerikaanse fusiewereld te zeer verdeeld was over de besteding van de beschikbare budgetten.

Met de gang van George W. Bush naar het Witte Huis werd het Amerikaanse enthousiasme voor kernfusie gereanimeerd. Volgens Bush is kernfusie het ei van Columbus voor het energievraagstuk. «Fusie is dezelfde nucleaire reactie die de zon kracht geeft», sprak de president in februari 2003 tot het Amerikaanse volk, toen hij de vernieuwde deelname van de VS aan ITER bekendmaakte. «De geproduceerde energie zal veilig en schoon zijn en altijd beschikbaar. Denk aan een wereld waar onze auto’s zullen rijden op waterstof en onze huizen worden verwarmd door elektriciteit van een kernfusiereactor. Het zou een totaal andere wereld zijn dan die waar we aan gewend zijn, en de kwaliteit van het leven zou toenemen.»

Sindsdien is het animo van de Amerikaanse president voor kernfusie alleen maar groter geworden. Die geestdrift hangt ten nauwste samen met de reanimatie van het Amerikaanse ruimteprogramma, met als belangrijkste doel de Chinezen te kloppen in hun pogingen de energievoorraden van de maan economisch te gaan exploiteren. Volgens berekeningen van het Fusion Technology Institute van de Universiteit van Wisconsin gloort er een gouden toekomst voor kernfusie zodra de enorme voorraden helium 3 op de maan naar de aarde kunnen worden overgebracht om als brandstof te dienen voor kernfusiecentrales.

Helium 3 zou de ideale brandstof voor kernfusie zijn omdat het in de reactor nauwelijks radioactiviteit zou opleveren. De maan zou een miljoen ton aan helium 3 bevatten, genoeg voor duizenden jaren energie voor de aarde. Eén spaceshuttle zou genoeg helium 3 naar de aarde kunnen vervoeren om aan de gehele elektriciteitsbehoefte van de Verenigde Staten van een jaar te voldoen. Afhankelijkheid van olie zou daarmee onmiddellijk van de baan zijn. De Amerikaanse energie-expert John Pike, directeur van GlobalSecurity.org, een Amerikaanse onderzoeksgroep voor defensie en ruimtetechnologie, sprak begin dit jaar dan ook de wens uit dat zijn land die voorraad helium 3 zou monopoliseren: «Dan hoeven we ons nooit meer zorgen te maken over de Saoedi’s en kunnen we in feite iedereen vertellen wat de prijs van energie is.»

De energie-agenda in de ruimte heeft voor de regering-Bush als bijkomend voordeel dat het SDI-programma — het programma voor militarisering van de ruimte uit de dagen van Ronald Reagan — langs die weg beter aan de man kan worden gebracht. Immers, als Amerika voor zijn energiebehoefte afhankelijk zou worden van de maan zal die positie ook militair moeten worden beschermd. Ten behoeve daarvan heeft het Pentagon al de banden aangehaald met eventuele partners in het Amerikaanse zakenleven, waaronder Lockheed, Boeing en Northrop Grumman. Deze bedrijven zouden in de ruimte goede zaken moeten doen met de National Aeronautics and Space Administration en het Pentagon zelf.

Het Amerikaanse leger is altijd geïnteresseerd geweest in kernfusie. Het principe van kernfusie werd al toegepast door Edward Teller, de schepper van de Amerikaanse waterstofbom, waarvan het procédé in wezen niets anders is dan ongecontroleerde kernfusie. Daarbij gaat het wel om de zogenaamde inertial confinement-fusie, waarbij een kleine hoeveelheid fusiebrandstof zo snel wordt verwarmd door externe krachtige lasers dat fusie optreedt op een ongecontroleerde manier. In Amerika wordt daar veel — militair getint — onderzoek naar gedaan. Fundamenteel anders is de magnetic confinement-fusie, waarbij heet fusieplasma door magneten bijeen wordt gehouden, en waarin het fusieproces continu wordt beheerst. ITER maakt gebruik van het tweede type.

Amerika liet in januari weten dat het de Japanse locatie steunde, en noemde die «technisch superieur». Inmiddels hebben de VS deze steun weer gedeeltelijk ingetrokken, en geven ze meer gewicht aan een verdere technische analyse van de locaties, die zich onder meer richt op het aardbevingsrisico. De Amerikaanse steun voor Japan wordt nu dan ook gezien als een ferme eerste zet in het onderhandelingsspel. De seismische condities zijn belangrijk om de kans op een ongeluk met ITER uit te bannen.

Hoewel de omgeving van Rokkosho, op het eiland Aomori in het uiterste noorden van Japan, kwetsbaar is voor aardbevingen wordt daar door de omgeving niet moeilijk over gedaan. In het geval van Cadarache, waar de seismische situatie beter zou zijn dan in Rokkosho, is het wél aanleiding voor protest vanuit de antikernenergiebeweging. Die wijst op de nabijheid van een breuklijn in de aarde waar de centrale van Cadarache moet verrijzen. Akko Maas, een Nederlandse wetenschapper die werkt in het team dat de komst van de centrale naar Cadarache voorbereidt, bezweert dat deze omstandigheid op zichzelf geen gevaar hoeft op te leveren: «De dichtstbijzijnde breuklijn ligt op een afstand van acht kilometer. Bij het ontwerp van gebouwen moet met het bestaan van deze breuklijn rekening worden gehouden. Uit historische bronnen en uit geologisch onderzoek weet men wat de maximale aardschok is die de locatie kan treffen. Vervolgens wordt aan deze maximale aardschok nog een heel punt op de schaal toegevoegd, en het gebouw en de machine moeten deze grotere aardschok kunnen weerstaan. Analyse door onafhankelijke experts van het door ITER voorgestelde gebouw heeft uitgewezen dat met enkele kleine modificaties het ITER-gebouw en de machine zullen voldoen aan de Franse normen.»

Desondanks is het verzet tegen de komst van ITER in Zuid-Frankrijk al op gang gekomen. Zaterdag 14 februari vindt de eerste protestmanifestatie plaats in Pertuis, dicht bij Cadarache. De actie is bedoeld om Cadarache te schrappen als mogelijke vestigingsplaats van de reactor. Daarmee riskeert de beweging wel de hoon van de lokale bevolking en het plaatselijke bestuur, dat in euforie verkeert over de economische injectie voor de regio die de komst van ITER zou betekenen. De organisator van het protest is de beweging Sortir du Nucléaire. Woordvoerder Stéphane l’Homme: «Wij zijn tegen ITER om drie redenen. Ten eerste weet niemand of fusiereactoren ook in staat zullen zijn genoeg elektriciteit voor industriële doeleinden te produceren. Ten tweede denken wij dat het geld dat in ITER wordt geïnvesteerd beter kan worden gestoken in de ontwikkeling van duurzame energie uit wind en zon, waarvan we weten dat het wél werkt. Ten derde is ITER helemaal niet zo veilig als door de voorstanders wordt beweerd. In alle verhalen om ITER aan de man te brengen wordt telkens gezegd dat thermonucleaire fusie een schone vorm van energie is. In werkelijkheid zou ITER wel degelijk nucleair afval produceren, en wel in de vorm van tritium, de brandstof van kernfusie. Tritium heeft een afbreektijd van meer dan 12,5 jaar en zou tot die tijd opgeslagen moeten worden, met alle gevaren van dien. Hetzelfde geldt voor de stalen wanden waarmee de centrale moet worden geïsoleerd en die om de zoveel tijd moeten worden vervangen. Dan gaat het om veertigduizend ton bestraald staal, dat eerst een paar honderd jaar moet afkoelen. Onduidelijk is waar dat opgeslagen moet worden.»

Niek Lopes Cardozo, Nederlands fysicus nummer 1 als het om kernfusie gaat, ziet met lede ogen aan hoe ITER wegzinkt in het moeras van de internationale politieke verhoudingen. De bezwaren vanuit de milieubeweging tegen ITER nuanceert hij. Alle kennis tot nu toe wijst erop dat fusie als energiebron realiseerbaar is. ITER moet dat juist aantonen, het is een experiment. En zo duur is ITER niet, zegt hij: «De Betuwelijn is even duur als de eerste ITER-centrale.» Het gehele budget voor fusie-energie is maar een fractie van wat er in totaal wordt uitgegeven voor onderzoek en ontwikkeling van nieuwe energiebronnen, en zelfs verwaarloosbaar vergeleken bij de kosten voor de markintroductie van nieuwe, duurzame, energie. Fusie-energie zou juist met wind- en zonne-energie een heel geschikte combinatie vormen voor de toekomstige schone energiemix, een reden om al die opties te steunen, en niet nu al voorbarige keuzes te maken. Lopes Cardozo: «Zowel voor fusie als voor andere vormen zoals zonne-energie geldt: niet de ontwikkeling is duur, maar de marktintroductie. Juist daarom moet je alle opties naast elkaar ontwikkelen. Zoals het er nu naar uitziet, hebben we ze ook allemaal nodig.

Fusie is een intrinsiek veilig proces, dat niet uit de hand kan lopen, tot explosies kan leiden of op andere wijze grootschalige gevaren voor de bevolking kan opleveren. Het afval van de reactor, de bestraalde reactoronderdelen, kan na de levensduur van ITER eenvoudig worden opgeslagen totdat het niveau voldoende gedaald is. Dat materiaal bestaat gewoon uit staal, is niet vluchtig en niet interessant voor terroristen.»

Lopes Cardozo is direct bij de totstand koming van de ITER-centrale in Cadarache betrokken. Hoewel technisch gezien de Europese en de Japanse locatie redelijk gelijkwaardig zijn, is de Franse locatie volgens Lopes Cardozo aantrekkelijker voor de meeste fusiewetenschappers. Rokkosho ligt zeer geïsoleerd in Noord-Japan. Nog belangrijker is dat Europa al jarenlang de drijvende kracht van ITER is, en ook de enige ITER-partner die alle kennis en technologie in huis heeft om ITER te bouwen. Europa is de enige logische plaats voor ITER, Europa heeft ITER verdiend. In zijn werkkamer in het laboratorium voor Plasmafysica Rijnhuizen van het instituut Fundamenteel Onderzoek der Materie in Nieuwegein geeft de fysicus aan dat er wat hem betreft niet langer moet worden gewacht. De VS, zo vindt hij, zouden een toontje lager moeten zingen: «De VS dragen slechts tien procent van de kosten van ITER bij. Een bescheidener opstelling zou de VS sieren.

In de komende eeuw moet de wereld goeddeels overschakelen van fossiele brandstof op schone, CO2-vrije alternatieven. Dat moet gebeuren tegen een sterke groei van het energiegebruik, door toename van de welvaart in de zich ontwikkelende delen van de wereld. Om een nieuwe energiebron te brengen van een kleinschalige demonstratie, op het niveau van bijvoorbeeld een promille van de wereldenergievraag, naar een wezenlijke bijdrage aan de wereldenergievoorziening, kost tientallen jaren, met welke technologie dan ook. Als we de energie die we nu nog tot onze beschikking hebben niet investeren in de ontwikkeling van nieuwe energievormen is het straks te laat. We weten dat de olievoorraad eindig is, en dat fossiele brandstoffen de wereld bedreigen door de uitstoot van CO2. Als de doelstellingen van het verdrag van Kyoto inderdaad ernst zijn, zal de wereld alle middelen moeten inzetten, dus zonne-energie, windenergie én kernfusie. In China, waar het energieprobleem nog tien keer nijpender is dan bij ons, is dat besef zeer manifest aanwezig. Daar wordt iedere drie weken een nieuwe kolencentrale in gebruik genomen om aan de steeds groeiende energiebehoefte te kunnen voldoen. Energie-opwekking is de beperkende factor voor de economische ontwikkeling van China. Dat dat voor het milieu catastro fale gevolgen heeft, lijkt me evident. Een kilo CO2 geproduceerd in Peking is even schadelijk voor het klimaat als een kilo CO2 geproduceerd in Amsterdam. De Chinese regering ziet het probleem heel goed, en het is nadrukkelijk aangevoerd als de reden voor China om aan ITER mee te doen. China heeft verklaard dat het als eerste land fusie commercieel wil exploiteren. China is een zich snel ontwikkelende, potentieel zeer grote economie. Het belang van strategische uitspraken als deze kan niet worden overschat.»

Of ITER in 2014 echt gedurende periodes van duizend seconden vijfhonderd megawatt aan elektriciteit zal leveren, zoals de agenda vereist, kan Lopes Cardozo niet voor honderd procent garanderen: «We weten dat de techniek op zich werkt. Bij proefnemingen in het Engelse Culham met de Joint European Torus (Jet), hebben we het break-even point al bereikt, waarbij er evenveel energie in de machine gaat als er uitkomt. Bij ITER, die ongeveer twee keer zo groot is als Jet, moet er tien keer méér vermogen uitkomen dan er ingaat. Natuurlijk kun je verrassingen tegenkomen, ITER is de eerste in zijn soort. Al doende zullen we moeten leren. De ervaring met Jet heeft geleerd dat ook tijdens de looptijd van het project nog allerlei verbeteringen worden gevonden. Het is niet zo dat op een dag met één druk op de knop blijkt of ITER het wel of niet doet.»

______________________

Bernhard en het atoomeiland van Perón

De geschiedenis van kernfusie is geplaveid met mysterieuze geheimen. Een opvallende rol speelden de NV Philips en prins Bernhard in het Argentinië van Juan Perón.

Op 24 maart 1951 maakt president Juan Perón tijdens een persconferentie in het presidentiële paleis in Buenos Aires bekend dat Argentinië als eerste land ter wereld een proces van gecontroleerde kernfusie heeft weten uit te voeren. Dat zou een maand eerder zijn gebeurd, op 16 februari 1951, in een tot dan toe ultrageheim gehouden atomair onderzoekscentrum op het eiland Huemul, bij de stad San Carlos de Bariloche in Patagonië, Zuid-Argentinië.

Het experiment, zo vertelt Perón, is uitgevoerd onder leiding van professor Ronald Richter, een tot dan toe volkomen onbekende wetenschapper uit Oostenrijk die tijdens de persconferentie aan de zijde van de dictator zit. Met veel gevoel voor drama spreekt Perón van een «weg naar een nieuw tijdperk» en uit hij zijn opperste vertrouwen in Richter. Zo kondigt hij aan dat de Oostenrijkse geleerde als dank voor zijn «geniale prestaties» zal worden geëerd met een eredoctoraat van de Universiteit van Buenos Aires. Tijdens zijn historische persconferentie garandeert de president dat Argentinië kernfusie louter zal inzetten voor «vreedzame doeleinden». Maar hij geeft wel een hint in de richting van militair gebruik wanneer hij zegt dat het «interessant zou zijn als geleerden uit het buitenland zich zouden verdiepen in ons werk om problemen met de zogeheten waterstofbom te bestuderen».

1951 is het jaar van de atoomwapenwedloop. In januari heeft het Amerikaanse leger in de woestijn van Nevada een reeks van vijf atoomontploffingen tot stand gebracht. Ook worden Amerikaanse atoomproeven gemeld bij de Eniwetok-eilandengroep in de Stille Zuidzee. De angst dat ook Rusland over atoomgeheimen beschikt wordt dat jaar bewaarheid. En nu maakt een Zuid-Amerikaanse dictator bekend dat hij een atoomgeheim heeft weten te kraken waar zelfs het Amerikaanse team ter ontwikkeling van de atoom- en waterstofbom — ook wel H-bom genaamd — onder leiding van Edward Teller niet in is geslaagd.

«Perón maakt nieuwe vorm van atoomenergie bekend», meldt The New York Times op de voorpagina. «Hij zegt dat Argentinië een thermonucleaire reactor in gebruik heeft die geen uranium nodig heeft en beweert stellig dat proefnemingen zijn geslaagd. De methode lijkt op de processen die plaats hebben in de zon. Autoriteiten en deskundigen in de VS toonden zich sceptisch.» De Argentijnse pers put zich uit in loftuitingen. «Argentinië beschikt over het koninklijke geheim van de H-bom», juicht de Notícias Gráficas uit Buenos Aires. «Argentinië kan atoomenergie produceren», weet La Razón.

Op de dag van de persconferentie van Perón vertrekt prins Bernhard aan het hoofd van een Nederlandse handelsdelegatie naar Zuid-Amerika. Argentinië staat op de lijst van de te bezoeken landen, naast bijvoorbeeld Brazilië en Paraguay. Op 3 april arriveert de prins in Argentinië, waar hij twee dagen later door Perón wordt ontvangen. Bernhard weet Peróns echtgenote Evita in te palmen met juwelen en het Grootkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Met dit charme offensief haalt Bernhard grote Argentijnse opdrachten binnen voor onder meer de NV Werkspoor.

Peróns doorbraak met kernfusie geniet Bernhards warme belangstelling, zo blijkt uit het boek El secreto atómica de Huemul van de Argentijnse kernfysicus Mario A.J. Mariscotti (1994). Mariscotti mocht de ultrageheime archieven rondom het project van Ronald Richter als eerste inzien en schreef een onthullend boek, met veel aandacht voor de «Hollandse connectie». Aan de hand van de door Mariscotti gepubliceerde correspondentie tussen Perón en Ronald Richter wordt duidelijk dat Nederland een belangrijke rol heeft gespeeld in het atomaire drama van Huemul.

Nederland geniet de warme belangstelling van dr. Richter omdat het beschikt over de grootste synchrocyclotron in Europa. Voor de rest beschikken op dat moment alleen de Amerikanen over een soortgelijk apparaat. De syn chrocyclotron, een soort deeltjesversneller, heeft Richter hard nodig voor zijn atoombasis in Bariloche. Alleen met zo’n apparaat — een machine die snel bewegende deeltjes genereert waarmee het hete plasma wordt beschoten, dat op die manier heter wordt — denkt Richter de grote hoeveelheden elektriciteit te kunnen produceren die hij Perón heeft beloofd.

De synchrocyclotron van Philips Duphar, ontwikkeld in nauwe samenwerking met het Instituut voor Kernfysica van de Universiteit van Amsterdam, is in 1949 in gebruik genomen op het terrein van de voormalige gasfabriek in de Amsterdamse Watergraafsmeer en geniet aanzien in de hele wetenschappelijke wereld.

Ronald Richter vraagt aan zijn weldoener Perón of hij via Bernhard een model van het felbegeerde apparaat kan krijgen. Aldus geschiedt. Namens Philips komt de Nederlandse kernfysicus prof. C.J. Bakker naar Bariloche, waar hij van Richter een rondleiding krijgt over het streng beveiligde atoomeiland. Op 30 juni wordt de koop beslecht. Argentinië stemt ermee in 790.000 dollar aan Philips te betalen voor een kopie van de Amsterdamse synchrocyclotron, zo bericht The New York Times. Argentinië en Nederland moeten samenwerken om kernfusie tot volle wasdom te brengen, zo spreken Richter en Bakker af.

In Nederland reageert vooral Het Parool verontwaardigd. Het Argentinië van Perón, aldus de krant, is «een fascistisch regime». «Moeten wij naar een dergelijk land de resultaten van ons wetenschappelijk vernuft gaan brengen?» vraagt de krant op 8 juni 1951. «En hoe wil men toepassing van atoomenergie voor vreedzame doeleinden van gebruik voor oorlogsdoeleinden gescheiden houden?» Het zijn belangwekkende vragen, waar van de kant van Bakker en de Nederlandse regering evenwel geen antwoord op wordt gegeven. De contacten tussen Philips, de Universiteit van Amsterdam en Ronald Richter worden gekoesterd als een staatsgeheim en over de levering van de synchrocyclotron doet men al helemaal geen mededelingen.

Dan begint de meest duistere periode in het verhaal van het atoomeiland Huemul. Van de ene op de andere dag wordt het atoomeiland ontruimd. Het Argentijnse leger gaat over tot bezetting en sloop van de installatie. In de Braziliaanse pers verschijnen berichten dat Richter als charlatan is ontmaskerd en in de gevangenis is beland. Dit wordt door Perón weer ontkend, maar feit is dat het atoomeiland overhaast wordt ontruimd. De reactor wordt gesloopt en niemand weet waar de onderdelen blijven. Vanuit Amerika uit kernfysicus Edward Teller zijn afkeuring over het werk van Richter: «Als je je verdiept in zijn werk krijgt men eerst het idee dat hij een genie is, daarna wordt duidelijk dat men met een gek te maken heeft.»

Ronald Richter bleef wonen in Argentinië, met een tot aan zijn dood volgehouden zwijgplicht over zijn project. De eerstvolgende tientallen jaren verdween kernfusie uit de openbaarheid. Het werd strikt militair geheim, zowel in Europa en de Sovjet-Unie als in Amerika. Professor Bakker kwam in de jaren zestig om het leven bij een vliegtuigongeluk en heeft ook nooit een toelichting kunnen geven op zijn Argentijnse avonturen.

Tegenwoordig krijgt het pionierswerk van Ronald Richter postuum enige eer toegezwaaid. Veel van de door hem geïntroduceerde technieken, zoals injecties met lithium om het kern fusieproces te stimuleren, worden nu ook in de techniek van ITER gebruikt. In het vakblad Physics Today vroeg de kernfysicus Friedwardt Winterberg van de Universiteit van Reno om rehabilitatie van Ronald Richter. Winterberg: «Als Richter zijn werk had mogen publiceren, zouden de Verenigde Staten waarschijnlijk veel eerder zijn overgegaan tot het vrijgeven van hun onderzoek naar gecontroleerde fusie. Richters werk week niet zo ver af van wat in de Verenigde Staten werd gedaan, en sommige van zijn ideeën waren echt vernieuwend.»

Wellicht dat prins Bernhard — de enige nog in leven zijnde betrokkene — gegeven zijn tegenwoordige spraaklust wél bereid is uit te leggen hoe het nu precies zat met de Nederlandse steun aan het atoomprogramma van Juan Perón.