Naomi Klein over de Marlboro-marinier

Kerry en het geschenk van straffeloosheid

Iconische beelden wekken liefde en haat op, zo ook de foto van James Blake Miller, de twintigjarige marinier uit Appalachia die «het gezicht van Fallujah» is gedoopt door voorstanders van de oorlog en de «Marlboro Man» door ongeveer alle anderen. De Los Angeles Times-foto, herdrukt in ruim honderd kranten, toont Miller «na meer dan twaalf uur vrijwel non-stop strijden op leven en dood» in Fallujah, zijn gezicht in oorlogskleuren, een bloederige schram op zijn neus en een verse sigaret bungelend tussen zijn lippen.

Dan Rather staarde verliefd naar Miller en informeerde zijn kijkers: «Voor mij is deze persoonlijk… Dit is een strijder met zijn ogen op de verre horizon, op de uitkijk naar gevaar. Kijk ernaar. Bestudeer het. Zuig het op. Denk erover na. Haal dan diep adem, vol trots. En als je geen vochtige ogen krijgt, dan ben je een betere man of vrouw dan ik.»

Een paar dagen later verklaarde de L.A. Times dat zijn foto was «overgegaan naar het rijk van het iconische». In werkelijkheid voelt het beeld alleen maar iconisch omdat het zo belachelijk afgeleid is: het is een rechtstreekse rip-off van de krachtigste icoon in de Amerikaanse reclame (de Marlboro Man), die op zijn beurt een imitatie was van de helderste ster ooit geschapen door Hollywood (John Wayne), die op zijn beurt de krachtigste scheppingsmythe van Amerika weerspiegelde (de ruige cowboy). Het is net als een liedje waarvan je het gevoel hebt dat je het al duizend keer hebt gehoord – omdat dat ook zo is.

Voor een land dat net een wannabe-Marlboro Man heeft gekozen als president is Miller een icoon, en als om dat te bewijzen heeft hij zijn eigen controverse opgewekt.

«Een heleboel kinderen, vooral jongens, spelen ‹oorlogje› en imiteren deze jonge man graag. De duidelijke boodschap van de foto is dat de beste manier om te ontspannen na een gevecht is: met een sigaret», schreef Daniel Maloney in een brief aan de Houston Chronicle. Linda Ortman zegt hetzelfde tegen de redacteuren van Dallas Morning News: «Zijn er geen foto’s van niet-rokende soldaten?» Een lezer van de New York Post stelde heel behulpzaam voor om politiek correcter propaganda-beeldmateriaal te gebruiken: «Misschien zou het tonen van een marinier in een tank, die een andere GI helpt of water drinkt een positievere impact hebben op uw lezers.»

Ja, dat klopt: brievenschrijvers uit het hele land zijn verenigd in hun woede – niet dat de rokende soldaat met de staalblauwe ogen massamoorden cool doet lijken, maar dat de prijzenswaardige daad van massamoorden de ernstige misdaad van het roken cool doet lijken. Je kunt ontvankelijke Amerikaanse jongeren beter beschermen door soldaten te tonen die even pauze nemen van de strijd op leven en dood door «water te drinken» – of misschien, gezien het ernstige drinkwatertekort in Irak, Coca-Cola. (Doet me denken aan de mop over de chassidische rabbijn die zegt dat alle seksuele standjes acceptabel zijn behalve één: staand, «want dat zou kunnen leiden tot dansen».)

Bij nader inzien verdient Miller het misschien wél om te worden verheven tot de status van icoon – niet van de oorlog in Irak, maar van het nieuwe tijdperk van opgevoerde Amerikaanse immuniteit. Want buiten de grenzen van de VS is het, natuurlijk, een andere marinier die is gelauwerd als «het gezicht van Fallujah»: de soldaat die op video is vastgelegd terwijl hij een gewonde, ongewapende gevangene executeert in een moskee. Runners-up zijn een foto van een tweejarig jongetje uit Fallujah in een ziekenhuisbed met één van zijn kleine beentjes eraf geschoten; een dood kind dat op straat ligt en het hoofdloze lichaam van een volwassene vastgrijpt, en een noodziekenhuis dat in puin is geschoten.

Binnen de VS waren deze snapshots van een wetteloze bezetting slechts kortstondig te zien, als ze sowieso verschenen. Toch heeft de icoonstatus van Miller standgehouden, in leven gehouden door human interest-verhalen over fans die pakjes Marlboro naar Fallujah sturen, interviews met de trotse moeder van de marinier, en serieuze discussies over de vraag of roken Millers effectiviteit als vechtmachine zou kunnen aantasten.

Immuniteit – het idee dat je boven de wet staat – is lange tijd het kenmerk van het Bush-regime geweest. Wat verontrustend is, is dat het zich sinds de verkiezingen lijkt te hebben verdiept, en is uitgemond in wat alleen kan worden omschreven als een orgie van straffeloosheid. In Irak doen Amerikaanse troepen en hun Iraakse surrogaten niet langer moeite om aanslagen op burgerdoelen te verhullen en elimineren openlijk iedereen – artsen, geestelijken, journalisten – die het waagt de lijken te tellen. In eigen land is straffeloosheid tot officieel beleid gemaakt met Bush’ aanstelling van Alberto Gonzales als minister van Justitie, de man die de president in zijn beruchte «martel-memo» persoonlijk adviseerde dat de Geneefse Conventies «achterhaald» zijn.

Dit soort hoogmoedigheid kan niet simpelweg worden verklaard door de overwinning van Bush. Er moet iets zijn in hoe hij won, in hoe de verkiezingen werden gestreden, dat deze regering de duidelijke indruk gaf dat ze een «verlaat de Geneefse Conventie zonder te betalen»-kaart had gekregen. Dat is omdat de regering ook inderdaad zo’n geschenk kreeg aangeboden – door John Kerry.

Uit naam van «verkiesbaarheid» gunde Kerry Bush vijf maanden lang campagne voeren zonder ooit één serieuze vraag te stellen over schendingen van het internationaal recht. Bang dat hij zou worden gezien als te soft tegen terrorisme en niet loyaal aan de Amerikaanse troepen hield Kerry zich schandalig stil over Abu Ghraib en Guantánamo Bay. Toen pijnlijk duidelijk werd dat de hel zou losbreken in Fallujah zodra de stembureaus sloten, sprak Kerry zich nooit uit tegen het plan, of tegen de andere onwettige bombardementen van burgerlijke gebieden die tijdens de campagne plaatsvonden. Toen The Lancet zijn onderzoek publiceerde waarin werd geschat dat honderdduizend Irakezen waren gestorven als gevolg van de invasie en de bezetting herhaalde Kerry slechts zijn schandelijke (en openlijk racistische) bewering dat Amerikanen «negentig procent van de slachtoffers in Irak vormen».

Al dat zwijgen zond een boodschap, en de boodschap was dat deze doden niet tellen. Door de hoogst twijfelachtige logica te slikken dat Amerikanen niet in staat zijn te geven om andere levens dan die van henzelf, werden Kerry en zijn aanhangers medeplichtig aan de ontmenselijking van de Irakezen, wat het idee versterkte dat sommige levens opgeofferd kunnen worden, niet belangrijk genoeg zijn om stemmen door te verliezen. Het is die moreel failliete logica, meer dan de verkiezing van welke kandidaat ook, waardoor deze misdaden ongecontroleerd kunnen blijven plaatsvinden.

Het gevolg in de echte wereld van al het «strategische» denken is de slechtste van beide werelden: het maakte dat Kerry niet werd gekozen en het zond een duidelijke boodschap naar degenen die wél werden gekozen dat zij geen politieke prijs zullen betalen voor het begaan van oorlogsmisdaden. En dat is het ware geschenk van Kerry aan Bush: niet alleen het presidentschap, maar straffeloosheid. Het is misschien het best te zien aan de Marlboro-marinier, en de surrealistische debatten rondom hem. Echte straffeloosheid kweekt een soort misleidende decadentie: een land dat neuzelt over roken terwijl Irak in brand staat.

© The Nation