Hoofdcommentaar

Kerry heeft het aan zichzelf te wijten

De presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten gaan inmiddels alleen over oorlog. Dat blijkt uit peilingen en speeches van de kandidaten. Was dit een paar maanden geleden voorspeld, dan had het anti-Bush-kamp gejubeld. Zowel de oorlog in Irak als die tegen het terrorisme verloopt immers slecht. Vrede, vrijheid en veiligheid zijn alles behalve dichterbij gekomen, zeker in Irak. De morele geloofwaardigheid van de Verenigde Staten ligt aan gruzelementen en de militaire bezetting eist alle aandacht en kracht van het leger, waardoor terroris ten in relatieve rust kunnen hergroeperen.

Hoe kan een tegenkandidaat ver liezen van een president die voor deze toestand verantwoordelijk is te houden? Dat kan alleen als die kandidaat zelf een gigantisch probleem heeft met oorlogen. En dat heeft John Kerry.

Goed, in de Vietnamoorlog was hij een held. Maar het was een kapitale blunder van zijn partij om die vierenhalve maand in Vietnam, 35 jaar geleden, centraal te stellen op de conventie van zijn partij («I am John Kerry and I’m reporting for duty»). Hij maakte zich er kwetsbaar mee voor aanvallen op zijn verleden als anti-oorlogsactivist. Want na terugkomst keurde hij de Vietnam oorlog niet alleen streng af, hij verklaarde onder ede ook dat de Amerikanen in Vietnam «oorlogsmisdaden» pleegden, en wel «on a day-to-day basis». Waar of niet, zulke uitspraken doen het niet goed in oorlogsdagen als deze.

Erger nog is Kerry’s onduidelijkheid over de huidige oorlog in Irak. Als senator bleef hij zijn anti-oorlogshouding trouw: hij stemde tegen verdere nucleaire bewapening onder Reagan, tegen diens Star Wars-plannen, tegen steun aan de contra’s, enzovoort. In 1991 stemde hij samen met de overgrote meerderheid van de Democraten in de Senaat tegen de Golfoorlog van vader Bush. Maar kort daarop moest Kerry toezien hoe Al Gore, die wél voor de oorlog stemde, juist daardoor een belangrijke kandidaat werd voor het presidentschap. In 2003 stemde Kerry wellicht daarom voor de oorlog tegen Irak, opnieuw met de meerderheid van zijn partij. (Al Gore is dit keer overigens tegen de oorlog.) Kerry bleef lange tijd bij zijn mening. Na de val van Bagdad verklaarde hij: «Het was de juiste beslissing om Saddam Hoessein te ontwapenen. En toen de president de beslissing nam, steunde ik hem.» Ook verklaarde hij dat er zoveel «miljarden» aan de oorlog mochten worden besteed «als er nodig zijn om te winnen». Toch stemde hij korte tijd daarna, tijdens de Democratische voorverkiezingen, tegen de 87 miljard die bedoeld waren om de consequenties van die oorlog draaglijk te maken voor de Iraakse bevolking.

Deze twee tegenstrijdige stemmen hoefden nog geen problemen op te leveren voor de verkiezingen. De regering-Bush bleek immers geen enkel plan te hebben, noch bij voorspoed, noch bij tegenslag. Maar in augustus maakte Kerry het zichzelf erg moeilijk. Hij bevestigde dat hij ook voor de oorlog zou hebben gestemd «als hij had geweten wat hij nu weet». Daarna kon hij dus niet meer op de afwezigheid van massavernietigingswapens wijzen.

Twee weken geleden ging het helemaal mis toen hij plotseling, in een speech tijdens een campagnetripje naar West Virginia, voor de camera’s verklaarde: «It is the wrong war in the wrong place at the wrong time.» Toen hij het had gezegd, keek hij even versuft het publiek in, alsof hij schrok van zijn eigen woorden. Een dag later bleek waarom. Bush kreeg de lachers op zijn hand met de zinnen: «Kerry stond vandaag op met wéér nieuwe adviseurs en wéér een nieuwe mening, en deze is niet eens van hemzelf!» De zin van Kerry bleek inderdaad een direct citaat van Howard Dean, de anti-oorlogskan didaat die senator Kerry in de voor verkiezingen van zich af had weten te schudden.

Waarom eigenlijk? Waarom hebben de Democraten niet voor de stoerdere, helder formulerende vechtjas uit Vermont gekozen, volstrekt consequent in zijn mening over beide oorlogen? Zelf verklaarden Democratische kiezers hun keuze als volgt: Kerry zou «verkiesbaar der» zijn. In hem dachten ze iemand te zien die Bush zou kunnen verslaan, doordat hij ook zwevende kiezers zou kunnen aanspreken.

Hoe kwamen ze tot deze monumentale vergissing? En waarom geloofden ze niet dat Dean het kon? Waarschijnlijk vooral omdat de Republikeinen ze dat vertelden. Het conservatieve tijdschrift National Review plaatste afgelopen december een foto van Dean op het omslag met de tekst: «Alsjeblieft, stem voor deze man!» En Karl Rove, sinds jaren de campagnebaas van Bush, heeft eens voor de grap mee staan juichen met jonge enthousiaste Dean-aanhangers in Washington DC. De Democraten schrokken zich wild. En geloofden de tegenpartij.

Het tekent de onzekerheid van de partij die intussen haar meerderheid in de drie landelijk vertegenwoordigende lichamen heeft verloren. Terwijl de Democratische partij de presidentscampagne organiseerde onder leiding van een adviseur die al zeven presidentscampagnes heeft verloren en er niet één won, moeten Rove en zijn makkers handenwringend de halfzachte, zigzaggende Kerry hebben opgewacht. Over hem zeiden ze tijdens de Democratische voorverkiezingen weinig. Behalve dan dat het voor Bush nog een hele dobber zou worden deze man te verslaan.

Alleen de Democraten geloofden dat. Zo weinig soeverein is deze partij kennelijk.