Maarten van roozendaal liedjesmaker

‘Kerstmis in april’

‘EEN ZANGER zingt een lied, hij stopt, het publiek gaat klappen en dan komt het volgende liedje. Hier en daar wordt nog wat meegeklapt en misschien wordt er wat gedanst tussendoor. Ik begin en ga tot het einde van de voorstelling in één ruk door. Pas als ik een slok water neem, kunnen de mensen in de zaal even uitrusten, want ze krijgen een hoop tekst over zich heen.

Medium images

De liedjes zijn de fragmenten in de tekst. Alleen zing ik niet. Ik spreek. Eigenlijk is het gewoon een toneeltekst met continu een contrabaslijn eronder en af en toe een liedje op piano.
Er zit een man aan de bar een vrouw lastig te vallen. De vleugel is de toog en ik ben die gast. Op het moment dat ik begin te lullen begint de bassist met een heel simpele jazz-lick: kadoe kadoem, tjoem tjie-doem tjie-doemdoem. Zo'n ouderwetse, dat met de muziek de stemming van het café ontstaat. Daarom hoef ik ook geen decor, door de contrabaslijn weet je precies waar je zit.
Maar voor die gast begint te lullen, heb ik eerst al vier liedjes gespeeld. Het beroerde van een theatervoorstelling is dat eerste kwartier. De eerste liedjes ben ik altijd kwijt. De mensen komen van overal vandaan het theater in lopen en ze willen een leuke avond uit. Dat mag best, maar wel hoe ik het wil en hoe ik het wil, dat kan niet al in het begin.
Dus doe ik eerst een liedje over een gast die op de bruiloft van zijn ex komt. Niet uitgenodigd. Hij staat in de rij klaar om haar te feliciteren, hij komt steeds dichterbij en vraagt zich af of hij haar in elkaar zal slaan. En een liedje over verkeerde humor. Dan ben ik daar ook meteen mee klaar. Het publiek weet: lachen om “Even Apeldoorn bellen”, dat krijgen we vanavond niet.
De eerste vier zijn dus om even de verschillende uithoeken aan te geven, dan komt die gast aan de bar.
Ook de liedjes die dan nog komen zijn best zuur. Het liedje over de gokkende oma: dat is gewoon een rotverhaal. Geen geld, twee zonen waar ze niks aan heeft, d'r leven speelt zich af in een snackbar achter de gokkast. En als ze wint, heeft ze d'r geen flikker aan. Haalt ze die kast leeg en gaat ze met een paar honderd gulden naar huis, kan ze niet juichend over straat. Heeft ze een heleboel verloren, dan kan ze het ook niet kwijt. Want gokken is een schande.
Dat kun je met niemand delen. Zuur verhaal, maar zo schrijf ik nou eenmaal. Het gaat altijd over dat soort mensen. Over dingen die heel erg zijn.
Maar eigenlijk… ik geloof dat ik ze helemaal niet zo erg vind. Ik ben vast hartstikke anti-Amerikaans. Die Amerikanen denken dat als je d'r maar voor gaat, dat het dan allemaal wel lukt. Nou, daar geloof ik dus helemaal niks van. Ik vind heus wel dat je je best moet doen - anders is er helemaal geen flikker meer aan. Maar ik bedoel, ik ben ook geen held. Ik ben zelf net zo'n lul als de karakters in mijn liedjes.
Sommige dingen zijn heel erg. Onuitstaanbaar. Maar het is niet erg dat je niet overal wat aan kunt doen. Het is zelfs zo dat als ik over een uitzichtloze situatie zing, en ik leg de clou precies goed in de zaal, dan is er opluchting.’

‘MORAAL? IK WORD er steeds minder bang voor, ik word juist steeds pathetischer. Maar als ik schrijf over burgerlijke relaties, dan verwerp ik niet de burgerlijkheid, want die vind ik helemaal niet erg. Maar het is wel leuk om burgerlijkheid bloot te leggen. Ik sla mijn vriendin in mekaar. We worden moe, gaan tegenover elkaar zitten en zeggen: God ja, het is ook niet makkelijk hè? En ik dreig nog een paar keer met weglopen, maar ik ga niet weg. Twee weken later slaan we elkaar weer in mekaar. Wat is dan de moraal? Dat je weg moet gaan? Dat doe je toch niet.
Gelatenheid vind ik een prettig gevoel. Dat maakt dat je fris tegen de dingen aan kunt kijken, dat je niet per se alles hoeft op te lossen. Mijn vader is nu twee jaar dood. Dat is het toppunt van onafwendbaarheid. Maar dat is óók niet erg: iemand mág doodgaan.
Ik vind het wel vreselijk dat hij er niet meer is. Ik vond hem een held. Hiervoor overlegde ik al mijn werk met hem. Als ik een liedje had geschreven, belde ik of ging ik bij hem langs: “Kan dit?”
Dit is het eerste programma waarvan ik de liedjes niet aan hem heb laten luisteren. In het vorige programma zat een liedje dat ik voor hem heb geschreven, maar dat hij niet meer heeft gehoord. Niets heet dat: “Straks schrijf ik voor het eerst een lied. Waarvan ik weet dat jij het nooit zult horen. Geen nood, er gaat niet veel verloren. 'k Maak het expres zo mooi maar niet.”
Dat kostte me toch redelijk veel moeite om te zingen.’

'IK WIL HET aan één iemand vertellen. Youp van ’t Hek, Freek de Jonge, die schrijven voor het effect op een hele meute, dat mensen zich één voelen. Twintig jaar geleden voelden mensen zich met elkaar sterk en dachten ze allemaal hetzelfde: willen we naar de Dam, dan gáán we naar de Dam.
Ik heb het altijd tegen jou op rij zeven, stoel negen. En tegen die naast jou ook. Ik praat tegen jou en vergeet die rest maar. Je hoeft je niet lekker fijn met elkaar voelen.
In het begin heb ik wel op van die “cabarestafettes” gestaan. Cabaret heeft een heel eigen publiek. Die verwachten een lekkere mop. Die denken: wanneer gaat-ie nou eens leuk doen? Maar ja, ik zit tegenover de vleugel, naast me de bassist en voor de rest gebeurt er geen flikker. Ik maak theater, een toneeltekst op muziek.
Zelf ga ik ook liever naar toneel. De afgelopen jaren heb ik de prachtigste voorstellingen gezien. Heb je Rouwklacht gezien van de Trust? Daar kwam geen kip op af. Maar een prachtige voorstelling.
Het mooie is: die mensen gaan met een onmogelijke vorm aan de gang. Je kunt wel zeggen dat je op een buitenhuis zit, maar je zit helemaal niet op een buitenhuis. Je zit in Frascati. Dus eerst moet je die afspraak maken: alles moet in het hoofd van de toeschouwer gaan zitten. Als een acteur dat voor elkaar krijgt met een tekst, dat is magisch. En jij bent erbij. En je loopt naar buiten en iedereen daar was er niet bij, dat is ook leuk. Net als muziek: live-kunst, daar doet het publiek aan mee.
Er gaat spanning hangen. Mensen stralen die uit. Er zijn er altijd een paar die echt geïnteresseerd zijn. Kleine reacties, lachjes, als het lukt en dat massaal wordt. Het is moeilijk benoemen, dat zijn vage dingen. Er is het moment dat mijn concentratie samenvalt met de concentratie van de zaal. Dan is er een soort verbreding van de tijd en kan ik alles veel rustiger plaatsen. Een liedje dat ik net zo snel speel als anders krijgt opeens veel meer ruimte. Omdat er begrip is. Als ik het woordje “het” uitspreek, hoor ik dat overal binnenvallen. Dan kan ik pas echt met de tekst gaan spelen en de liedjes vorm geven.
Als het lukt, lopen de mensen de zaal uit alsof ze de sauna uit lopen.
Tijdens de voorstelling zie ik het niet, ik zie geen flikker want ik heb de lampen in mijn gezicht. Maar ik voel die concentratie. Dat is heel sterk. Enorm aanwezig. Volgens mij is dat ook wat een kunstenaar moet doen: mensen ertoe aanzetten om zich te concentreren. Concentratie is het godsgeschenk, dat is het enige wat mensen gelukkig kan maken. Dat je áf bent van elk besef van ruimte, van al die gedachten waar je last van hebt. Als je dat voor mekaar krijgt, dan ben je goed.’