Ketters

Het is altijd even schrikken als je het hoofd van Salman Rushdie ineens op je tv ziet opduiken. Het is alsof je midden in de nacht word gewekt door een rinkelende telefoon. Het voorspelt onheil.

Rushdie werd geïnterviewd. Ik zocht haastig het scherm af naar het veelzeggende logootje ‘Archiefmateriaal’, dat mijn bange vermoedens zou bevestigen. Gelukkig bleek er niets aan de hand: hij was het in levenden lijve, die zware ogen, die ernstige blik, ze hadden hem nog niet te pakken. Hij werd ondervraagd door BBC’s Jeremy Paxman, naar aanleiding van de zoveelste schanddaad van het Iraanse regime, een regeringsleider die de prijs op Rushdie’s hoofd verhoogd had.
Rushdie is gepokt en gemazeld in het optreden voor de camera’s, maar hij leek zich erg te moeten inspannen om zich in bedwang te houden. Zijn ogen vonkten en zijn wenkbrauwen konden elk moment loslaten, maar hij verdedigde, voor de zoveelste keer, ons recht om alles te mogen zeggen of schrijven, ook het kwetsende en het verwerpelijke. Paxman trok bij Rushdies woorden zijn wenkbrauwen op tot recordhoogte, een mooi staaltje van geacteerde verwondering - 'Any kind, mr. Rushdie? You mean… any kind of racial abuse?’ -, maar aan de reactie van Rushdie was niets gespeeld. Alsof hij het onderwerp voor de allereerste keer aansneed, zo sprak hij, een nadruk leggend op elk woord die je haast lichamelijk voelde. Ja, alles, álles moest gezegd kunnen worden. Begrepen we nou nog niet hoe verschrikkelijk belangrijk dat was?
Alle bekende argumenten gleden over het scherm ('Het aanzetten tot rassenhaat, moet dat ook kunnen?’ En: 'Ik walg van uw mening, maar ik zal mij doodvechten voor uw recht om hem te verkondigen’). Ik voelde wat ik altijd voel in zulke gevallen, de behaaglijke ergernis van iemand die weet dat hij aan de goede kant staat. 'Wat een schande dat die toestand nog altijd voortduurt’, mopperde ik, en: 'Zo zie je maar weer eens waar fundamentalisme en godsdienstwaanzin toe leiden. En wat doet de regering? Die knoopt handelsbetrekkingen aan met dat krankzinnigenregime!’ Kortom, alle modieuze meningen waar mensen als u en ik prat op gaan.
Ik voelde ook het knagen van de jaloezie. Die Britten boften toch maar met hun Rushdie, die geen heilig huisje spaarde, die de religie van zijn volk genadeloos tegen het licht had durven houden. Dat zouden wij ook wel kunnen gebruiken, dacht ik. Weliswaar hebben wij geen kerk van betekenis meer, maar er is een vorm van religieus nationalisme die steeds onbehaaglijker vormen aan begint te nemen: het Oranjegevoel.
Ik zag weer de stadions voor me, een golvende, oranje massa die hymnes brulde. De close-up gefilmde meditatieve concentratie van 'onze jongens’, alsof zij ons voorgingen in gebed. De hysterische ontlading bij winst of verlies, en de eindeloze commentaren achteraf, waarin iedere afzet, elke beweging werd geduid als betrof het bijbelstudie. En als klap op de vuurpijl een prins van Oranje die zich bereid verklaarde om verheven te worden tot de orde van hogepriesters van de sport. De enige die daar zijn mond over had durven opendoen, voormalig hogepriester 'Mickey’ Huibregtsen, was gehoond, bespuwd en wegens ketterij afgevoerd naar de kerkers van Slot Loevestein.
Hadden wij niet ooit afgesproken dat kerk en staat gescheiden zouden blijven?