Van Jeanne d'Arc tot Maarten Luther

Ketters

Jeanne d’Arc (1412 - 1431)
Ze was een vrouwelijke Jezus Christus. Kuis en sober volbrachten beiden hun taak én eindigden de marteldood, de een vastgebonden aan het kruis, de ander bovenop de brandstapel.

La Pucelle eindigde wel als ketterse heks op de brandstapel, maar dat werd al snel als vergissing gezien. Jeanne d’Arc werd officieel heilig verklaard in 1920 — toen allang een groot symbool van patriottisme en Franse onafhankelijkheid. Voltaire had het al in 1730 nodig geacht om er iets aan te doen. Hij dichtte:

Jeannes vader

pro forma een priester

die het druk had met de zieltjeswinnerij,

was een gepassioneerde beddespringer,

even fanatiek in het gebed

als vraatzuchtig aan de dis.

Zelf was zij een dikke dienstbode

die, toen zij zestien jaar was, promoveerde

tot stalmeid in een dorpsherberg.

Lezen noch schrijven kon ze. Door haar vrome moeder werd ze zeer godsdienstig opgevoed. Toen in visioenen de aartsengel Michael haar toesprak en aanmoedigde de Engelsen Frankrijk uit te jagen, kwam dat haar ook niet als heel buitengewoon voor. Ze trok naar de ongekroonde koning van Frankrijk, de dauphin, en kreeg uiteindelijk een legertje van zo’n zesduizend man tot haar beschikking. Tot ze gevangen werd genomen door de Engelsen en het volgens de kerk satan was geweest die haar had ingefluisterd. In een toren werd ze aan een houten blok geketend. Een lang proces vol manipulaties volgde. Met een kruisje tekende ze een verklaring dat ze niet meer in haar visioenen geloofde. Had ze kunnen lezen, dan had ze gezien dat ze tegelijk een rits zonden bekende. Levenslang kreeg ze en nooit meer mocht ze mannenkleren dragen. Dat moest ze wel toen haar kleren werden afgepakt en ze in haar cel alleen mannenkleren terugvond. De overtreding werd gerapporteerd en de brandstapel wachtte. Op 30 mei 1431 werd ze op het marktplein van Rouen in brand gestoken. De priester die haar biechtgeheim had verraden, smeekte op het laatst om vergiffenis, en die kreeg hij.

Tanchelijn (gest. 1115)

Bedenk het allerschandelijkste, Tanchelijn deed het. «Op een gegeven ogenblik liet hij zelfs, toen hij op een nieuwe bron van inkomsten uit was, door middel van een nieuwe vondst, een beeld van de H. Maria (wij kunnen er haast geen woorden voor vinden) in het midden van de verzamelde menigte brengen, trad daarop toe, raakte met zijn hand de hand van het beeld aan en verloofde zich met de H. Maria in de gestalte van haar afbeelding.» Ze kunnen er haast geen woorden voor vinden. Hij trouwt de heilige maagd Maria! De ketter! En na de zogenaamde verloving heeft het volk Tanchelijn nog eens bedolven onder geld en kostbaarheden ook. In 1112 slaan Utrechtse monniken in een brief aan de aartsbisschop van Keulen alarm en vertellen hoe gevaarlijk deze ketter is. Als predikant trekt hij door Vlaanderen, Brabant en Zeeland met in zijn kielzog een groeiende schare volgelingen. Hij zweert de kerkelijke eredienst af en noemt zich aan God gelijk. Voor de ogen van vaders en echtgenoten oefent hij de bijslaap uit met hun dochters en vrouwen. Zijn kompaan Manasse richt in navolging van de apostelen een gilde op van twaalf mannen, met voor de bijslaap een Maria erbij die zij broederlijk delen. Met zijn belofte van een duizendjarig rijk van overvloed en welbehagen brengt Tanchelijn de armen in extase. Maar ging het hier om verschillen in geloofsovertuiging of waren de monniken bang voor het altijd dreigende gevaar van oproer onder de armen? De opstand van het proletariaat? Óf was Tanchelijn een pion van de Graaf van Vlaanderen? Gevaarlijk werd hij wel toen hij in gouden gewaad met zwaard en een lijfwacht van drieduizend man Antwerpen bin nentrok. Even later, in 1115 werd de ketter door een priester doodgeslagen.

In 1958 schreef Harry Mulisch een toneelstuk over Tanchelijn en liet zich mede inspireren door Lou de Palingboer, en door Adolf Hitler, maar dat spreekt vanzelf bij Mulisch. Het Maria-motief geeft Mulisch aanleiding zijn opvatting over de vrouw zo bondig te formuleren dat die in al zijn latere werk niet meer zal veranderen: Tanchelijn (bij het beeld van Maria): «Een vrouw is niet iets dat mooi en niet iets, dat lelijk is. Een vrouw heeft geen verstand, geen gevoel en geen wil: maar wat zij heeft, daar huilen de wolven om.»

Giordano Bruno (1548 - 1600)

Op de brandstapel op de Campo dei Fiori in Rome, waar nu zijn beeld staat, kreeg Giordano Bruno op het allerlaatste moment nog een crucifix aangereikt. Die zou hij hebben afgeweerd. In plaats daarvan en van herroeping van zijn ketterse denkbeelden brulde hij: «Hoe groter geest, hoe groter sukkel.» Op het Sint Pietersplein waren zijn boeken inmiddels al verbrand. Enkele weken eerder had hij bij zijn veroordeling gezegd: «Misschien is het wel zo dat jullie, mijn rechters, dit vonnis met grotere angst uitspreken dan dat ik het ontvang.»

Bij Napels wordt hij geboren en treedt hij toe tot een orde van dominicanen. Op zijn 27ste verbreekt hij zijn gelofte. De drang meer te leren en ervaren is te groot. Hij reist langs vele Europese steden, maar nergens blijft hij te lang omdat hij weet dat hij uit de klauwen van de kerk moet blijven. In Genève, Wittenberg en Rome wordt hij in de ban gedaan. Zijn verhaal eindigt wanneer hij door een zogenaamde vriend naar Venetië wordt gelokt en aldaar verraden.

Razend enthousiast was Bruno over de opkomende wetenschappelijke kennis. Als niet-academicus mengde hij de informatie uit verschillende boeken met eigen ideeën. Hij durfde als een van de weinigen de ideeën van Copernicus uit te dragen, en op grond van diens conclusies en die van andere astronomen van zijn tijd filosofeerde hij erop los.

Volgens Bruno heeft het universum geen middelpunt, is het oneindig en constant in verandering. Het kent verschillende werelden. God is geen mannetje dat ergens boven ons op een grote troon zit; God is overal, hij zit in elk ding. Conclusie: als het heelal oneindig is, dan is het mogelijk dat het leven op aarde ook niet bepaald exclusief is. Later werd Bruno martelaar voor de wetenschap en steeds weer ontdekt. Hij zou invloed hebben gehad op Shakespeare, James Joyce en de tegencultuur van de laatste decennia. Zoals op de Jungle Association of Autonomous Astronauts die hun eigen, onafhankelijke ruimtevaartproject willen starten. In het pauselijke jubeljaar 2000 werd op Bruno’s vierhonderdste sterfdag een tegenherdenking bij zijn standbeeld op de Campo dei Fiori gehouden.

Jan Hus (1373 - 1415)

De aflaat-monnik die tegen hoge prijzen enkeltjes hemel stond te verkopen, werd door omstanders aangevallen en meegetornd naar een kar. In optocht ging het naar het centrum van Praag, waar halt werd gehouden bij de schandpaal. Daar werd de pauselijke bul, die stelde dat alle Boheemse ketters moesten worden uitgeroeid, verbrand.

In 1412 kwam Paus Johannes XXIII naar Praag om aflaten te verkopen teneinde zijn oorlog tegen de koning van Napels te financieren. Bedrog, omkoperij en oplichterij noemde Jan Hus die handel en stookte het volk op er niks van te kopen. Jan Hus, van arme boerenkomaf, verklaarde alles ondergeschikt aan de zoektocht naar de waarheid. Hij doceerde aan de Karelsuniversiteit, waar hij rector werd en als priester gaf hij preken in zijn volkstaal. Eerst vooral om de ideeën van de Engelse ketter Wycliff te verspreiden, maar allengs aangevuld met eigen ideeën. Jan Hus vond veel van de kerkelijke gewoonten onzin die vooral diende tot gemak en genot van geprivilegieerde geestelijken. Hij vond dat bij de maaltijd niet alleen een hoge geestelijke, maar iedereen moest delen in de wijn, het bloed van Jezus. Zo had die dat volgens Hus immers bedoeld. Duizenden kwamen op de preken af waarin hij de armoede van Jezus afzette tegen de rijkdom van de kerkleiders.

Hij werd naar Konstanz gelokt om zich te verantwoorden voor het Concilie van Konstanz. Daar werd hij gearresteerd en in een toren gesmeten, waar hij aan handen en voeten gebonden de winter doorbracht. Voor zijn terechtstelling werd hij door de straten geleid, gehuld in boetekleed en kettermuts. Tot het einde weigerde hij zijn ketterse denkbeelden te herroepen, en toen hij, gebonden aan zijn paal, een oud godvrezend vrouwtje ook nog eens wat houtjes op zijn brandstapel zag werpen, riep hij zijn laatste woorden uit: «O, heilige onnozelheid!»

Na zijn dood volgden protesten van de adel, die uitmondden in de Hussieten-oorlogen. Behalve om principieel godsdienstige motieven, was steun aan Hus ook vaak een nationalistische verzetsdaad geweest tegen de Duitsers die Bohemen overheersten.

John Wycliffe (1328 - 1384)

Geen brandstapel en geen martelsessies. Geen schandpaal of ook maar een eenvoudige galg (de inquisitie laat nóóit bloed vloeien), John Wycliffe stierf zoals het een saaie geleerde betaamt: aan een beroerte. Waarom werd deze ketter nooit opgepakt? Jarenlang teisterde hij de paus met anticlericale geschriften, tot hij het hele pauselijke gezag ten slotte zelfs domweg ontkende, nota bene met een beroep op de bijbel, die stelde dat hij zondig is die zich boven het gezag van God plaatst. De paus kon weinig anders dan hem om zijn ketterse uitspraken te veroordelen.

John Wycliffe, Engelands grootste ketter, was een keurige Oxford-geleerde die een hele volksbeweging wist los te maken. Uitgaande van de bijbel en de bijbel alleen stelde hij dat het zondig was om, zoals de katholieke kerk deed, een bovengoddelijk gezag in stand te houden. In doorwrochte theologische geschriften veroordeelde hij de kerkelijke belastingen, de aflatenhandel en de kerkelijke eucharistieviering. Hij vertaalde bijbelse teksten in het Engels, leidde een contingent predikanten, de zogenaamde lollards, op en bestookte de wereld met geleerde geschriften en makkelijkere pamfletten. Na zijn dood liet hij een opstandige schare volgelingen na die voor veel oproer zou zorgen.

In zijn nationalistische opstandigheid — hoe bestond het dat Engelse burgers en kerkgangers aan buitenlandse mogendheden kerkbelasting moesten betalen! — lag de reden besloten waarom ondanks de pauselijke orders het Engelse gezag van zijn opsporing en terechtstelling geen halszaak maakte. Maar dood of niet, de inquisitie houdt niet op bij het aardse leven. In 1410 liet de aartsbisschop van Canterbury al Wycliffe’s geschriften verbranden. In 1415 werd zijn leer postuum veroordeeld en in 1428 hadden ze hem dan eindelijk te pakken. Weliswaar was John Wycliffe op dat moment reeds een goede 44 jaar dood, dat aardse feit belette de inquisitie niet om zijn beenderen te laten opgraven en John Wycliffe, of wat daarvan over was, alsnog in brand te steken.

Net als bij Johannes Hus werd Wycliffe’s as over het water verstrooid.

Maarten Luther (1483 - 1546) Ook al geloofde hij stellig in het bestaan van heksen en boze geesten, hij was voor de duivel niet bang. Maarten Luther (buiten Nederland bekend als Martin) daagde de duivel uit met de mededeling dat hij diens broek had volgescheten met stront en dat de duivel die broek om zijn nek mocht knopen om er zijn mond mee af te vegen.

Hij verwierp de aflaat handel, vertaalde de bijbel in volkstaal, spoorde de leken aan zelf te denken en beschouwde de paus als de antichrist. In de ban gedaan door kerk en keizer wist hij te overleven doordat halverwege de vijftiende eeuw de tijd rijper was voor kerkelijke hervormingen. Hij riep het volk op de banden met de kerk te verbreken en een eigen Duitse kerk te stichten

Met zijn optreden op 31 oktober 1517, het — volgens de legende; er zijn geen ooggetuigen — aan de deur van de slotkapel van Wittenberg spijkeren van zijn 95 stellingen die de katholieke leer in twijfel trokken, ontketende hij zo ongeveer in zijn eentje de Reformatie. Dat werd hem niet door iedereen in dank afgenomen. Anna Bijns waarschuwde nonnen en monniken zich niet schuldig te maken aan lutherie. Waarbij ze ongetwijfeld in het achterhoofd had dat Luther monniken als de uitwerpselen van de duivel beschouwde en getrouwd was met een non, met wie hij zes kinderen ter wereld bracht.

Ook van Erasmus kreeg Maarten Luther niet de steun die hij verwachtte. Jan en alleman kan maar allemaal op zijn eigen geweten afgaan, zegt Erasmus en stelt dat men moet geloven wat de kerk zegt, omdat «alles in de wereld zo duister en zo veran derlijk is dat het onmogelijk is iets met zekerheid te weten».

Maarten Luther stierf een natuurlijke dood, maar dat gebeurde pas nadat hij in zijn laatste levensjaren nog even had geradi caliseerd en gloeiende pamfletten had geschreven als Over de joden en hun leugens en Tegen het door de duivel gestichte Pausdom van Rome!