Kettingkast

Le docteur Edouard de Pomiane schrijft dat een rode-wijnsaus begint met in boter verwarmde sjalotten die langzaam een bleke mahonietint aannemen. De ware opmaat tot mooi rood. We zullen ons daaraan houden, te zijner tijd. De mooiste en roodste wijnsaus tot nu toe zag ik in een goed getorend kasteel, gebouwd op de beste kiezelstenen van de Médoc. Na het wandelen door de gaarden vol druiven en het proeven uit de kelders vol vaten werd de dag besloten met een diner. In een grote, holle zaal stond een kleinere, fonkelend gedekte tafel en vanuit onverwachte hoeken gleden de heerlijkste schotels moeiteloos onze richting op. Schijnbaar, want al de eerste avond viel het mij op dat de zwart gerokte huisknecht die het voedsel tussen ons verdeelde, last had van bijgeluiden.

Over mijn schouder leunend teneinde zijn ripopé Bordelaise in het hongerige bord te gieten, kwam uit al zijn kieren een zoet geruis. De soepterrine die hij had te torsen bracht zijn longen dusdanig in de knel dat het leek alsof diep in hem een hoorspel met veel wind aan de gang was. De volgende avond, waarop die rode saus om een vis heen zich voor altijd in mijn herinnering zou nestelen, deed een bekend geluid mij nauwelijks verrast opveren. Zo vertrouwd als een zacht tegen de kapotte kettingkast aanschurende regenjas klonk daar het onmiskenbare gerucht van de lucht lekkende dienaar. Tegen de wind in draaide ik mijn kop in zijn richting voor de bijbehorende illustratie. Een indrukwekkend beeld. Ik keek midden in zijn, door de weerspiegeling van de wijnsaus, fel bordeauxrode ogen. Tot in de wijde omtrek daaromheen was met onbarmhartige precisie hier en daar iets krom gezet waar het recht moest zijn. Ook was van het tegendeel sprake. Een overdruk van Gerard Philippe op Jean Marais? Of een geslaagde cocktail van Darry Cowl en Robert Hossein met een vleugje Gabin? Om nooit te vergeten. Die rode saus, dat weet ik ook nog. Daar hoop ik eveneens een gevoelige aquarel uit los te weken. Te zijner tijd.