Keuken van de dood

In 1768 is in Figeac, in de Dordogne, een negenjarig meisje getuige van de terechtstelling van haar ouders, die zijn veroordeeld voor hekserij en kannibalisme. Deze vervloeking voor het leven vervult het meisje Malvina van een duivelse woede. Na een periode in een klooster vlucht zij naar Parijs, waar een excentrieke Turkse apotheker haar leert de prachtigste gerechten te toveren uit de vreemdste ingrediënten; dit ter voorbereiding van de ‘lichamelijke kookkunst’: de vervaardiging van een wondermiddel tegen alle kwalen van lichaam en geest. In de liefde - voor de zoon van de apotheker - vindt zij zelf dan een weermiddel tegen het kwaad dat in haar huist. Deze liefde wordt haar ondergang, daar zij niet minder dan het absolute nastreeft en zich daarvoor opoffert.

Deze samenvatting verschilt niet veel van de flaptekst. Door een paar details kan ze een beetje worden opgefleurd. Als Malvina in haar leertijd bij de apotheker wat hoogdravend ‘priesteres van de liturgie van de smaak’ wordt genoemd, betekent dat in de praktijk dat ze van vieze dingen - bedorven groenten en vleeswaren - sublieme gerechten weet te maken, onder het motto dat men de walgelijkste dingen eet wanneer men zijn vooroordelen opzijzet of zich laat misleiden door uiterlijke schijn. Een fantastisch souper ter ere van de zoon des huizes en de fine fleur van Parijs heet dan ook 'Groot Banket der Illusie’ of 'Komedie van de Zinnen’. De recalcitrante zoon neemt haar, omdat ze zo geïnteresseerd is in 'de keuken van de dood’, mee naar een door sadistische libertijnen opgedragen zwarte mis. Een meisje blijkt daar heel bedreven in het braken, dankzij het feit dat ze maandenlang niets anders heeft gegeten dan uitwerpselen en pure urine. Wat niet om aan te zien is, leest gemakkelijk weg. Dan kan ik ook wel vertellen hoe het culinair met de liefde afloopt. Malvina’s grote zorg wordt dat de klad niet in hun hartstocht komt. Ze begrijpt dat alleen maar hoogtepunten ook een vlakte is, al is het een hoogvlakte. Om hun liefde te redden, maakt zij het uit, op één etentje per week na. Die 'culinaire sabbat’ bekomt hem goed, tot hij ontdekt dat zijn geliefde hem haar eigen vlees en bloed heeft voorgezet.
Niet toevallig vergelijkt de uitgever dit boek met Het parfum van Patrick Süsskind. Die roman is inmiddels een model geworden. Heelmeester pijn van Andrew Miller was ook op die leest geschoeid. Daar ging het om iemand die geen pijn voelde. Het zijn romans die draaien om één idee - een obsessie, een afwijking, een bijzondere eigenschap -, vaak gesitueerd in een woelige historische periode en exotische omgeving.
Haloche (1966), die met dit boek debuteert, heeft ook geschiedenis gestudeerd. Die encyclopedische kant is het attractieve aan het genre. Maar vlijtige research maakt van een rariteitenkabinet nog geen goede roman. Zo blijft ook dit boek nogal plat, omdat het patroon in alles als een rode draad zichtbaar blijft. Keurig - ook als de scènes zelf minder keurig zijn - wordt het levensverhaal van Malvina afgewikkeld, lineair, geschreven volgens een (beproefd) procédé, in een stijl die je met recht boekentaal kunt noemen.