Keuken van opa

De doorgaans onsentimentele Damien Hirst verbeeldt het leven van wieg tot graf in een minimale maar ontroerende vertelling. Zoals een kind haar poppenhuis inricht.

De titel van dit werk van Damien Hirst, From the Cradle to the Grave, is meer dan een gezegde. Ook in het Nederlands (van de wieg tot het graf) heeft de betekenis ervan een elegische bijsmaak. Een beeld wordt opgeroepen van het leven als een last die gedragen moet worden. Je wordt geboren, je slaat je zuchtend en kreunend door het leven heen, en je gaat dood. Dat is het dan. Toen ze uit het Paradijs werden heengezonden, werd het de eerste mensen ook gezegd: dat het leven hard en moeizaam zou zijn. ‘They, hand in hand with wandering steps and slow/ Through Eden took their solitary way.’ Dat zijn de laatste twee regels van Paradise Lost van John Milton. Ze zijn gedoemd, Adam en Eva, verlaten en alleen. Precies dat woord, solitary, is een van de woorden waarmee de filsosoof Thomas Hobbes in Leviathan (1651) beschrijft hoe erbarmelijk het menselijk leven is: solitary, poor, nasty, brutish and short. Deze vijf woorden zijn genadeloos maar hun opeenvolging heeft een mooie cadans. Hobbes en ook Milton konden zo sonoor en gedragen schrijven omdat hun verbeelding was gevormd in de statige cultuur van classicisme en barok, zoals bij ons Vondel. In de eeuwen daarna werden grote opvattingen over mens en samenleving onwaarschijnlijk. Door experimentele wetenschap werd alles scherper – onweerlegbaar realistisch. Zo, zonder sentimentaliteit, worden de dingen ook door Damien Hirst gezien. Hij heeft een groot beeld gemaakt (zes meter hoog) van een vrouwelijke torso bijvoorbeeld: een bronzen lichaam dat plaatselijk zo gevild is dat we de organen te zien krijgen, van de darmen tot aan een stuk (doods)hoofd. Vroeger waren zulke monumentale beelden, van goden of heersers, vooral heroïsch. Maar in zijn werk zijn de verschillende organen in schrille kleuren geschilderd, als in een anatomische atlas. De mens is alleen maar een organisme van vlees en bloed, niets meer. De titel van het beeld is echter wel ironisch maar ontroerend: Hymn.

Nochtans is onze werkelijkheid altijd gewoon banaal. We maken ons zorgen over onze gezondheid. De dood moet worden uitgesteld en liefst afgeschaft. Daarmee heb ik in het kort de grote thematiek geschetst die in het werk van Hirst een rol speelt. De vitrine hier waarin de scène From the Cradle to the Grave als een diorama is opgezet, is een rechthoekig frame van sponningen met daarin wanden van glas. Dit manshoge volume is verdeeld in drie compartimenten. In de lengte is er een smalle ruimte voorlangs. Wat overbleef is in de breedte in twee gelijke kamertjes verdeeld. Bij deze grote vitrines is de ruimtelijke indeling steeds een andere. Hij zet die met dezelfde zorg in elkaar als waarmee een regisseur arrangement en belichting maakt voor een mise-en-scène. Zijn strakke idioom is natuurlijk dat van de minimal art. De koele, smetteloze abstractie van het interieur komt daar vandaan.

In de twee kamers zien we, in elkaar gezet als stillevens, twee verbeeldingen van twee fasen van het leven van de wieg tot het graf: de energieke bloei en de moeizame oude dag. Dat gebeurt met echte dingen, zoals een kind haar poppenhuis inricht of zoals de inspeciënt op een filmset de dingen samenbrengt zodat de ruimte zeggingskracht krijgt. Hirst gaat iets radicaler te werk. De twee ruimtes laten fases zien van één leven. De tafel die we zien bestaat dus uit twee helften van twee verschillende tafels die aan beide zijden van de glazen tussenwand weer tegen elkaar zijn gezet. Aan deze kant, waar het imaginaire en reële personage oud is, staat er een oude versleten keukentafel. De tafel aan de andere kant is modern. Daar staat ook de helft van een draaistoel met daarover de helft van een modieus zwart colbert. Over de halve keukenstoel hangt een bruin vest. De hele opstelling bestaat uit zulke tegenstellingen. Tegen de glazen wand zien we ook een halve gele mok, aan de andere kant gecompleteerd door de helft van zo’n plastic bekertje uit een koffie­machine. Dat zijn twee vormen van lifestyle. Omdat de vertelling ook het verloop van de tijd betreft, onomkeerbaar van wieg tot graf, zien we ter weerszijden van de glaswand de ontroerende verbinding van een halve wekker (met nog wijzers) en de helft van een digitaal klokje. Dit alles is heel secuur gearrangeerd – zo secuur als het hele ding op de wijze van minimal art is geconstrueerd. Op de vloer van de smalle ruimte, ten slotte, ligt een wandelstok – als uitroepteken. Het navrante realisme van dit werk zit wellicht ook vol met autobiografische herinneringen, aan de keuken misschien van zijn opa begin jaren zeventig. Ook dat is een sentiment. Het kan zijn dat wij ons dat leven zuchtend en steunend voorstellen. Ergens bij Beckett, uiteraard, krijgen twee mannen het aan de stok over het leven dat ze maar niks vinden: The same old moans and groans from the cradle to the grave’, zegt de blinde tegen de kreupele. Aan de andere kant, en zo dubbelzinnig is realisme ook, in 1948 werd de grandioze National Health Service opgericht om gezondheid en zekerheid te brengen aan iedereen – from the cradle to the grave. Zo klinkt de titel ook.