Kevin mitnick gaat voor de bijl

Maandag begint in Amerika het proces tegen computerhacker Kevin Mitnick. Het belooft een spektakel te worden. Hoewel hij allerminst een gevaar voor de samenleving lijkt, zal de overheid hem afschilderen als het computermonster van de jaren negentig.

Mitnick werd in 1995 gearresteerd na een ‘spectaculaire achtervolging’ door Tsutomu Shimomura, een computerfreak die zijn capaciteiten voor legale doeleinden gebruikte. Kerst 1994 drong iemand Shimomura’s computer binnen en ging er vandoor met honderden documenten. Aan de inbraakmethode kon Shimomura zien dat hij met een kwaliteitsdief te maken had. Hij waarschuwde de FBI en zette zelf de achtervolging in. Via een digitale jacht kwamen Shimomura en FBI uit bij een flatje in North Carolina, waar de hacker van zijn bed werd gelicht.
Mitnick heeft nooit willen deugen. Arm gezin, foute vrienden, regelmatig op het politiebureau. Mitnick ontdekte dat hij elektronica kon gebruiken om anderen te pesten. Hij bewerkte de speakers van een drive-in hamburgertent zodanig dat elke klant die iets bestelde, werd uitgescholden. Als twintiger snuffelde hij in andermans computerbestanden. Hij werd regelmatig opgepakt en veroordeeld en voorwaardelijk vrijgelaten, maar kon het hacken niet laten.
Mitnick wordt nu verdacht van talloze computerinbraken bij software-bedrijven als Motorola, Nokia en Novell, waar hij voor miljoenen dollars aan bestanden zou hebben gestolen. Ook zou hij een universiteitscomputer gemolesteerd en de systemen van diverse Internetleveranciers verziekt hebben.
Hoe ernstig of gevaarlijk Mitnick is, blijft onduidelijk. De New York Times heeft de zaak in 1995 tot nationale kwestie verheven door een exclusieve reportage op de voorpagina te publiceren. Verslaggever John Markoff kende Shimomura, volgde de jacht op de voet en had het verhaal dus als eerste. Bijna meteen hadden speurder en reporter een boekcontract voor naar verluidt 750 duizend dollar, plus een paar honderdduizend dollar voor de filmrechten. Markoff maakte Mitnick aanvankelijk nog belangrijker door te schrijven dat Mitnick als tiener had ingebroken in computers van het Pentagon, maar dat verhaal kwam in het boek niet meer terug en is vermoedelijk ook niet waar.
In de gevangenis wordt Mitnick behandeld als een volksgevaarlijke tovenaar. Hij mag niet eens naar een computer kijken, en hij wordt van tot tijd volkomen geãsoleerd. Zijn papieren met het huiswerk dat hij voor het proces had gedaan, werden in beslag genomen; hij heeft ze teruggekregen, maar waarschijnlijk bezit de officier van justitie er nu een kopie van voor de verdediging. Ook werd zijn radiootje ingepikt, want hij 'kon er een zendertje van maken om het personeel mee af te luisteren’.
De overheid doet haar best de zaak flink op te blazen. Mitnick moet aan de schandpaal als afschrikwekkend voorbeeld. Tevens hoopt ze op een stevige veroordeling, om in nieuwe gevallen tegen de verdachte te kunnen zeggen: als we dit aan een jury voorleggen, ben je de klos, maar als je een bekentenis aflegt, kunnen we de eis verlagen. En als het publiek denkt dat cyberspace is vergeven van de zware criminelen, krijgt de overheid meer steun in het debat over regeringsbemoeienis met het Internet.
Natuurlijk moet Mitnick van andermans computers afblijven, maar tot op heden is niet gebleken dat hij een groot gevaar vormt voor de samenleving. Hij heeft de gestolen bestanden niet verkocht of defensiesystemen ontregeld. Het lijkt meer op een uit de hand gelopen kwajongensstreek.
En Shimomura kan hem dankbaar zijn. Het cyberduel heeft hem kennis en landelijke publiciteit opgeleverd die hij als adviseur in computerbeveiliging uitstekend kan gebruiken.