Antisemitisme - Breekpunt

Khalil, doe me een lol

In een poging om bevolkingsgroepen dichter bij elkaar te brengen schreef Margalith Kleijwegt jarenlang over integratie en discriminatie. De tweet van een PvdA’er dat Isis een zionistisch complot is, valt haar dan ook rauw op het dak.

Medium asmar

Vice-premier Lodewijk Asscher had nu eens geen zin om zich diplomatiek uit te drukken. ‘Mijn maag draaide zich om’, was zijn reactie toen hem na de ministerraad van 15 augustus werd gevraagd te reageren op de tweet van Yasmina Haifi, medewerkster van het ministerie van Veiligheid en Justitie. De terreurdaden van Isis waren volgens haar het gevolg van een ‘zionistisch complot’. Daarom had ze in volle overtuiging de wereld laten weten dat: ‘Isis niets met Islam te maken heeft, is vooropgezet plan van zionisten die bewust Islam willen zwart maken.’

Asscher noemde deze klassieke vorm van antisemitisme ‘buitengewoon schokkend’. Dat Haifi zich verdedigde door te zeggen dat ze deze theorie niet zelf had verzonnen maar op internet had gelezen maakte Asscher niet minder verontwaardigd. Integendeel, ‘onmetelijk dom’, noemde hij de afgestudeerd cultureel antropologe. ‘Ze moet nog even verder studeren als ze dit soort artikelen gelooft.’

Er was meer verontwaardiging. Premier Rutte noemde de theorie dat Isis door de zionisten werd bestierd zelfs ‘een achterlijke gedachte’. Vanuit moslimhoek kwam opvallend weinig kritiek op de bewering van Haifi, die volgens ingewijden al langere tijd circuleerde. Ze kreeg wel bijval; zeker nadat ze was geschorst riep iedereen ach en wee. Schandelijk vond men het dat ze niet hardop mocht zeggen dat de zionisten achter Isis zaten. Waar was de vrijheid van meningsuiting? Haifi had toch het volste recht deze theorie uit te dragen? Op Facebook en Twitter viel op hoe vaak men vond dat er ‘met twee maten werd gemeten’. ‘Mondjes dicht’, schreef Faical. ‘In dit kikkerlandje mag niets worden gezegd. Men buigt voor Israël.’ Daar was iedereen op Facebook en Twitter het roerend over eens.

De uitspraak van Haifi hakte er zo diep in vanwege de complottheorie, de joden als bron van alle kwaad. Onbegrijpelijk dat politici als Fatima Elatik en Tofik Dibi, die worden geacht goed te kunnen denken en die in dialooggroepen zitten, niet meteen en ondubbelzinnig afstand namen van deze gevaarlijke redenering. Dibi nam het zelfs voor haar op. ‘Eerlijkheid wordt te snel afgestraft’, schreef hij.

Na meer dan twee decennia te hebben geschreven over integratie, discriminatie, het soms lamlendige gedrag van allochtone jongeren, het geploeter van ouders, maar ook hun wegkijken bij problemen, de lichtpuntjes, de inzet van de jongere generatie, was de tweet van Yasmina Haifi voor mij een breekpunt. Voor het eerst in die twintig jaar overviel me een groot gevoel van moedeloosheid en teleurstelling. Waarom hadden niet meer moslims zich uitgesproken tegen die puur antisemitische uitspraak van ambtenaar Haifi? Dat hadden autochtone Nederlanders toch ook gedaan na het abjecte optreden van Wilders tijdens de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen in maart, toen hij in een zaaltje ‘minder Marokkanen’ liet scanderen? Toen waren er steunbetuigingen, petities, werd er honderden keren aangifte van discriminatie gedaan, want zoiets mochten we niet laten passeren. Asscher maakte zich ook bij die gelegenheid terecht enorm kwaad. ‘Ik heb met walging naar deze beelden gekeken’, zei hij achteraf. ‘Het vormt een triest dieptepunt in onze politieke geschiedenis.’

Moslims kwamen niet in opstand tegen de uitspraak van Haifi, omdat, zo bleek, ze als één man achter Haifi stonden. Er kwam een speciale Facebook-pagina met de naam ‘Wij steunen ambtenaar Yasmina Haifi’. Ik kan me voorstellen dat je haar wilt steunen omdat ze geschorst is, maar daar bleef het niet bij. De 6500 adhesiebetuigingen die ze binnen een paar dagen kreeg, hadden ook betrekking op de inhoud van haar tweet. ‘Wij steunen Yasmina en haar uitspraken met betrekking tot Isis’, meldde de Facebook-pagina.

Een paar weken eerder werd in Parijs na een anti-Israël-betoging een synagoge belegerd door pro-Palestijnse sympathisanten. De joodse gelovigen zaten als ratten in de val en moesten ontzet worden door de politie. In datzelfde weekend was er een anti-Israël-demonstratie in Den Haag, waarbij Isis-vlaggen werden gedragen en de Hitlergroet werd gebracht. Kennelijk is het steeds onvermijdelijker dat wat er in Israël en de rest van de wereld gebeurt tot onversneden antisemitisme in Europa moet leiden. De weerzin tegen joden zit van oudsher diep. ‘Moslims dichten joden zoveel macht toe’, zei Haci Karacaer, de vroegere directeur van de Turkse geloofsbeweging Milli Görüs, jaren geleden tegen me. Het idee dat joden de wereld beheersen wordt ze met de paplepel ingegeven, vertelde hij. Getalsmatig lijkt die wereldheerschappij nog ver weg. In Nederland wonen ongeveer vijftigduizend joden tegenover bijna een miljoen moslims. Wereldwijd wordt het aantal joden rond de veertien miljoen geschat terwijl er 1,6 miljard moslims zijn.

In de afgelopen twintig jaar waren er vaker incidenten, spraken politici hun afschuw uit, werd gezegd dat antisemitisme/racisme nu niet mag, nooit meer mag. Werd er opgeroepen tot dialoog, werd de hulp ingeroepen van het onderwijs dat gedegen informatie over de geschiedenis van beide volkeren moest bieden. Als jongeren de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog kenden en de complexiteit van het Midden-Oostenconflict beseften, was er een wereld gewonnen, hoopte men. Maar hoe lang zeggen we dat al? En wat heeft het opgeleverd?

In 1991 schreef ik voor Vrij Nederland een verhaal over de islam in Amersfoort. ‘Als we onze cultuur niet houden, kunnen we ons niet aanpassen’, luidde de kop 23 jaar geleden. Voor het artikel sprak ik vertegenwoordigers uit Marokkaanse en Turkse kring en de Turkse imam zei toen wat je nog steeds hoort: ‘Joden zijn de rijkste mensen ter wereld en wij moeten steeds horen dat ze slachtoffers van de nazi’s zijn. De wereld kijkt weg als een Palestijn wordt geslagen, als het een jood is, is iedereen verontwaardigd.’

‘Waarom moeten we nog steeds over de Tweede Wereldoorlog leren?’ Na een paar minuten zei hij: ‘Dat weet ik echt niet juf’

Zulke eenzijdige denkbeelden vond ik niet alleen in religieuze kring. F. Killi, destijds voorzitter van de linkse politieke organisatie Atigd en inmiddels voorzitter van de pvda Amersfoort, viel de imam bij en beklaagde zich over de joodse lobby in Europa en in Nederland. ‘Kijk maar naar de media en de politiek.’ Toen ik hem vroeg wie die joodse lobby precies was kwam hij met Marga van Praag op de proppen, die inderdaad het Jeugdjournaal presenteerde, maar bij wie ik niet meteen de associatie had van een invloedrijke speler op het wereldtoneel. Net zo min als bij de inmiddels overleden Ralph Inbar van het kiekeboeprogramma Bananasplit, die hem ook te binnen schoot. Na lang nadenken bleek zijn grote troef in de politiek Ernst Hirsch Ballin, toen minister van Justitie en hoewel kind van een joodse vader belijdend katholiek.

In 2003, het jaar dat tijdens de dodenherdenking in Amsterdam-West Turkse en Marokkaanse jongeren met kransen voetbalden en ‘dood aan de joden’ riepen, was ik geschokt. Ik wilde graag weten waar die haatgevoelens vandaan kwamen. Waarom namen de ouders van de jongens die de herdenking verstoorden niet openlijk afstand van het gedrag van hun kinderen? Wisten de jongens die dat riepen wat ze zeiden, en belangrijker nog: wat kregen ze van thuis mee over de Tweede Wereldoorlog?

Met deze vragen in mijn hoofd bezocht ik alle ouders van één klas van een vmbo in Amsterdam-West en ik herinner me nog goed hoe glazig een moeder me aankeek toen ik haar vroeg over de oorlog. Het was een ongemakkelijk samenzijn aan haar keukentafel, terwijl zij beleefd nog een kopje thee inschonk. Het leek of ik haar overhoorde over een onderwerp waar ze niets van wist. Ze had geen idee, niet welke oorlog het was, laat staan wanneer die had plaatsgevonden of wat er op het spel had gestaan. De meeste Marokkaanse en Turkse gezinnen bleken trouwens geen affiniteit met dit onderwerp te hebben. Na een paar moeizame pogingen de oorlog te bespreken, was ik ontnuchterd. Mijn verwachting hierover te kunnen praten was niet realistisch geweest en ik besloot dit onderwerp niet meer ter sprake te brengen. Deze ouders hadden genoeg andere problemen aan hun hoofd en daar hadden we het voortaan over. Hun wereld was klein en geïsoleerd, hun eigen buurtje en het land waar ze vandaan kwamen was hun biotoop.

Antisemitisme maakte ik mee toen een van de leerlingen in 2003 tijdens de geschiedenisles over de jodenvervolging zachtjes ‘Joden moeten we doden’ begon te zingen. Meer uit provocatie dan uit overtuiging. Hij deed het, zei hij later, omdat andere klasgenoten hem daartoe aanspoorden. Zij werden niet gepakt en hij wel. Voor straf werd hij apart gezet, hij moest blijven zitten tot hij een antwoord had geformuleerd op de vraag: ‘Waarom moeten we nog steeds over de Tweede Wereldoorlog leren?’ Hij tuurde minutenlang in zijn boek om vervolgens met een diepe zucht te concluderen: ‘Dat weet ik echt niet juf.’

Ook toen, inmiddels elf jaar geleden, identificeerden de leerlingen zich met de Palestijnen en werden zionisten, joden, voorgesteld als beesten die een weerloos volk vertrappen. Na 9/11 was de overtuiging dat er bij het vallen van de Twin Towers sprake was van een joods complot wijdverbreid. Anti-joodse sentimenten kwamen via buitenlandse, voor mij soms exotische media de huiskamers in Amsterdam-West binnen. Leerlingen lieten me hartverscheurende beelden van dode baby’tjes zien met eronder teksten als ‘Allahu Akbar. De vlag van Israël gaat vallen. We zullen doodgaan moeder. We zullen sterven en Palestina zal leven’.

Op de veelbekeken zender Iqraa TV, een Saoedi-Arabisch station dat mede een groot succes werd dankzij de populaire televisie-imam Amr Khaled, spoot het gif in 2003 al van de buis. ‘De moordzuchtige joden zijn niet te vertrouwen’, of ‘Als ik een jood een hand geef, moet ik mijn hand afhakken’, en: ‘Er is geen grotere vijand dan de jood.’ Nog steeds zijn er opmerkelijke uitzendingen, zoals op de Arabische zender van het Turkse televisiestation waar een Palestijnse geleerde zich onlangs bijna een beetje jaloers uitsprak over de ongekende wereldwijde macht van joden, zeker in Amerika. ‘Ze controleren alles, de media, de economie. Ze kennen geen normen en waarden als het op geld en seks aankomt, kijk maar naar die Lewinsky. Ze persen af, ze infiltreren, overal, ook tijdens verkiezingen.’

Daar was de vroegere Egyptische minister van Huisvesting het een paar maanden eerder op de Egyptische zender Sada El Balad TV het roerend mee eens. ‘Er is geen twijfel over’, zei de wat dikkige in een net pak gestoken politicus terwijl hij zich samenzweerderig naar voren boog. ‘Ik heb de protocollen van Zion gelezen en laat me je vertellen: het is een complot, de joden regeren de hele wereld.’

Wat doet het met je als je dat soort geluiden regelmatig te horen krijgt? Dan krijg je toch een verwrongen beeld van joden? In 2002 zei de invloedrijke Duitse socioloog professor Wilhelm Heitmeyer in Vrij Nederland dat isolement kan leiden tot verlies van realiteitszin: ‘Denken dat de joden de aanslag op de Twin Towers hebben gepleegd is daar tekenend voor.’ Hij betreurde toen dat moslims zich niet krachtig genoeg tegen het gepleegde geweld uitspraken. ‘Dat durven ze niet, omdat ze loyaal willen zijn.’ En profetisch: ‘Wanneer in zo’n klimaat rechtspopulistische sentimenten de kop opsteken, kun je echt problemen verwachten.’

Achmed Charrai uit Lelystad, toen twintig jaar, liet in datzelfde nummer van Vrij Nederland in één zin weten dat hij een joods vriendinnetje had (zijn vrouw haalde hij later in Marokko) en dat het enige volk dat hij echt haatte de joden waren: ‘Omdat ze mijn broeders afmaken.’ Dat Charrai uitging met een joods meisje, maar tegelijkertijd joden als groep verachtte, was enigszins onnavolgbaar. Kennelijk was een jood vooral een vijand wanneer hij onderdeel van een groep was.

‘Ze controleren alles, de media, de economie. Ze kennen geen normen en waarden als het op geld en seks aankomt’

Wat weten moslims buiten de dialooggroepen eigenlijk over joden? Een goede moslimvriend vroeg me laatst of ik vanwege alle turbulentie in de wereld overwoog om te gaan remigreren. Hoezo? vroeg ik. Toen ik snapte dat hij Israël bedoelde, was ik verbijsterd. Ik legde geduldig uit dat ik nauwelijks een band met dat land had, bovendien was ik geboren en getogen Nederlandse en woonde de joodse familie van mijn moeder hier al meer dan vierhonderd jaar. Zijn goed bedoelde opmerking echode lang na.

Toen de twintigers en dertigers van nu geboren werden, was de strijd om Palestina al in alle hevigheid aan de gang, zij weten niet beter of er is mot in het Midden-Oosten en de uitzichtloze positie van de Palestijnen daar is ook moedeloos makend. Maar wanneer wordt een anti-Israël-sentiment antisemitisme?

Het vroegere Kamerlid Tofik Dibi is met die ellendige situatie in Israël opgegroeid en hij liet op Facebook en in een interview in Het Parool onlangs weten dat hij niet langer de nuance zocht. Hij was geradicaliseerd. Eigenlijk kon hij alleen nog maar huilen. Een opmerking van zijn moeder was de druppel geweest. ‘Ik haat ze allemaal’, had ze in een restaurant gezegd over de Israëliërs. ‘Je ziet toch wat ze doen?’ Haar weerzin tegen het joodse volk was zo groot dat ze onlangs in de tram was opgestaan en ergens anders was gaan zitten toen ze door had dat ze in de buurt van een paar joden zat. ‘Lucht je hart’, raadde Dibi zijn lezers aan. ‘Het reinigt.’

Tofik Dibi zou beter moeten weten, als oud-parlementariër heeft hij een verantwoordelijkheid om zich naar buiten toe verstandig op te stellen. En dat deed hij gelukkig ook. Een paar dagen na zijn hartenkreet sloot hij zich aan bij de wandeling door de joodse buurt georganiseerd door de gelegenheidscoalitie Salaam-Shalom met vertegenwoordigers van de joodse en Marokkaanse gemeenschap. Dezelfde dialooggroep die een straatgesprek organiseerde op het Krugerplein in Amsterdam-Oost waar aan de gevel van een aantal huizen tegenwoordig Palestijnse vlaggen hangen. Een bewoonster had als reactie hierop een Israëlische vlag over haar balkon gehangen, hetgeen leidde tot de nodige frictie in de buurt.

Ondertussen maken veel joden zich zorgen, het klimaat wordt grimmiger, merken ze. Tijdens een door Joods Maatschappelijk Werk georganiseerde bijeenkomst op een regenachtige zondagmiddag vertelde een jonge moeder dat zij uit voorzorg haar zoontje geen keppeltje meer opzet als ze naar joodse les fietsen, een ander overwoog haar kinderen van de joodse school Rosh Pina te halen. Een vrouw van middelbare leeftijd, die vanuit de joods liberale gemeente in een dialooggroep zat, merkte dat de verhoudingen de afgelopen tijd gespannener waren. De ene aanwezige was bang, de andere strijdbaar. ‘Ik laat me niet wegjagen’, riep een vrouw uit Amsterdam-Oost bij wie de ramen waren gesneuveld.

Ook hier had de tweet van Yamina Haifi en de bijval die ze kreeg er hard ingehakt. Iedereen was er stil van. Een hoogopgeleide vrouw die zulke beweringen de wereld in slingert, daar achter bleef staan en steun kreeg van andere hoogopgeleiden, dat gaf een groot gevoel van onveiligheid.

Burgemeester Eberhard van der Laan van Amsterdam heeft nauw contact met alle groeperingen en iedereen roemt zijn inzet. Maar wat kan hij doen tegen zo’n hardnekkig probleem? Er is al zoveel in geïnvesteerd en de problemen lijken zich niet alleen te herhalen maar ook te verdiepen. Wat kan en moet je doen als overheid? Nog meer praatgroepen? Lessen over de holocaust of tripjes naar Westerbork of desnoods Auschwitz? Waarom zou je de oorlog er eigenlijk steeds bij moeten halen om te zeggen dat antisemitisme niet deugt?

Het gevoel achtergesteld te zijn leeft bij zowel hoog- als laagopgeleide allochtonen. Terecht of niet, daar zit ’m de kneep. Niet alleen hier, maar in alle landen om ons heen en dat is een beangstigende gedachte. Want hoe kanaliseer je die gevoelens die zoals Tofik Dibi ons voorhield tot radicalisering leiden?

Intussen had Khalil Aitblal zich in de discussie gemengd. Vroeger actief in de groep ‘Islaamaangenaam’, die debatten en bijeenkomsten organiseerde, en inmiddels een bekende ondernemer en veelgevraagd zanger bij islamitische diensten vanwege zijn loepzuivere stem. Orthodox gelovig en behoorlijk fel. In Het Parool liet hij weten weinig te zien in de Marokkaans-joodse praatgroep Salaam-Shalom. Leuk dat gebabbel, maar daar win je op dit moment niet de oorlog mee, beweerde hij. Het antisemitisme vond hij niet zo’n groot probleem. Moslims moeten eerst bij zichzelf te rade gaan en antwoord vinden op vragen als: welke kant wil ik op met mijn religie en wat doe ik tegen onrecht en islamofobie in de wereld? Hij pleitte voor een nieuwe organisatie: Salaam-Salaam. Hij schreef: ‘Geloof je in “Er is geen God behalve Allah en Mohammed is zijn boodschapper”, dan hoor je bij de club.’ Aitblal wil vanuit het geloof de gemoederen binnen de moslimgemeenschap tot bedaren brengen.

Elk initiatief dat een blijvende bijdrage kan leveren, juich ik van harte toe. Maar Khalil, doe me een lol, spreek je eerst even uit tegen de verwerpelijke tweet van Haifi. Pas als uit moslimhoek onomwonden afstand wordt genomen van haar bewering dat de zionisten/joden achter Isis zitten, heb ik weer vertrouwen in de toekomst.


Beeld: Den Haag, Hobbemaplein, 4 juli, pro-ISIS demonstratie na afloop van het vrijdagmiddaggebed (Phil Nijhuis / HH).