MUZIEKTHEATER Kamp Holland

KIA & KLOBUS

De Orkater-voorstelling Kamp Holland handelt over de soldaten van de gelijknamige Isaf-basis in de Zuid-Afghaanse provincie Uruzgan. De vertelling werkt toe naar de dood van een joch dat sneuvelt door een bermbom, in het jargon: een KIA (killed in action) wiens lot nader wordt verklaard voor de KLOBUS, de ‘klote burgers’ van het vaderland. Waartoe niet de dierbaren van het thuisfront behoren die door geruststellende of verontrustende mails op de hoogte worden gehouden. Van het thuisfront krijgen ze overigens liever brieven, want daar kun je zo lekker aan ruiken. Naar het thuisfront schrijven ze trouwens ook liever brieven – dan weet je dat er straks door woorden en schrijfblaadjes gebladerd en geritseld zal worden.
Kamp Holland zit boordevol met dit soort details. Ook minder poëtische trouwens. Zoals de wonderlijke wereld van afkortingen als KIA en KLOBUS waarmee militairen een kale codetaal hebben ontwikkeld. Die weer haaks staat op hun uitmonstering in de voorstelling: allemaal in wit ondergoed, wat iets vertederends heeft en een goed alternatief vormt voor onverdraaglijk realisme: allemaal in uniform.
Er zijn nog enkele valkuilen waar de makers van Kamp Holland niet in zijn getuimeld. Terwijl wij, de toekijkers onder de KLOBUS, ons hier om de oren laten rammelen met al dan niet gefundeerde opvattingen over de zinloosheid van deze vecht/hulpmissie, gaat het er in deze voorstelling een stuk genuanceerder aan toe, vragender, op het zuigerige af. Bitter ook. Tweety-knuffels uitdelen aan woestijnkotertjes terwijl elders een paar kut-Afghaantjes staan te dansen bij het lijk van een opgeblazen Nederlander. Een minister die in gesprek met een pr-kwal demonstreert dat het eerste slachtoffer van een oorlog de waarheid is en het tweede de taal. Een ex-hippievader die op zijn negentiende tegen de Vietnam-oorlog was, die nu zijn negentienjarige zoon helpt bij het invullen van een formulier waarin hij wel of niet kiest voor een begrafenis met militaire eer, en die een paar maanden later hulpeloos van verdriet en ongeloof op diens begrafenis staat te speechen.
Wat me brengt op een andere valkuil waar de makers niet in zijn gevallen: snotterige inleving, meevoelende identificatie. O zeker, de schrijvers van Kamp Holland (Geert Lageveen en Leopold Witte) weten zo niet alles, dan toch veel van de omstandigheden daar, ze zijn er geweest en hebben er met de neus bovenop gestaan. Dat deel stopten ze in een dagboek (Tragische helden) en daarna zijn ze met hún werk begonnen, het maken van theater. De hele ploeg en regisseur Gijs de Lange weten dat je bij zo’n link onderwerp – want actueel; altijd tricky in de (podium)kunsten – de emoties het repetitielokaal uit moet schoppen en je toneelmiddelen zo moet organiseren dat de verantwoordelijkheid voor het emotioneren en identificeren komt te liggen waar ze hoort: bij het publiek. Die beschermingslaag noemen we sinds Brecht cum suis: stileren.
Alles is hier effectief gestileerd, van het witte ondergoed tot de klimconstructies, die beide naar niks anders verwijzen dan naar… wit ondergoed en klimconstructies. Ook de muziek van de vijfkoppige formatie susies haarlok biedt gestileerd commentaar. Tot in de messcherpe details van het moment waarop een pantservoertuig de beschutte basis uitrijdt naar open woestijngebied, met de eerder genoemde fatale afloop. Thrillermuziek is dat, horrorgeluiden die tot in het merg gaan, gekmakende suspense.
Het slotcommando van Kamp Holland is misschien wel het meest keelsnoerend: alles lijkt van voren af aan te beginnen. Niet echt hier. Elders wel, zo weten we. Zintuigen en hersencellen worden in Kamp Holland door mekaar geschud. Was dat niet een omschrijving van wat theater kan doen?

Tournee t/m 1 februari. www.orkater.nl