Manil Suri, Het trappenhuis

Kibbelen in het trappenhuis

Manil Suri

Het trappenhuis

Uitg. Prometheus, 272 blz., ƒ39,50

Prachtig idee van Manil Suri: een roman die zich afspeelt in en rondom het trappenhuis van een Indiase middenklasseflat. Vishnu is er klusjesman, woont vrijwel zijn hele leven op een van de overlopen zoals dat daar blijkbaar gebrui kelijk is en we maken mee hoe de bewoners op zijn langzame sterven reageren, hoe ze met elkaar omgaan en welke plaats ze innemen binnen de Indiase samenleving. Dit is niet een platgeslagen tendensroman; Suri weet zich op bewonderenswaardige wijze een weg te banen langs de valkuilen van dit genre, ook al omdat hij de stervende Vishnu in een sprookjesachtig licht zet dat het wel en wee van de flatbewoners ruim voldoende relativeert. Vishnu is de katalysator en motor van alle gebeurtenissen.

Toch is deze roman beslist ook op te vatten als een ambitieuze poging binnen kort bestek de Indiase samenleving voor het voetlicht te krijgen. We maken kennis met een gemiddelde van die samenleving, een smeltkroes van religies, van religieuze verwarring, van politieke ambities, van dromers en ongelukkigen, van armen en halfrijken, van wanhoop en onbegrepen veranderingsdrang. Aan de orde komen allerlei Indiase hete hangijzers: uithuwelijking, de tegenstelling moslim-hindoe, de voor- en nadelen van westerse invloeden, de invloed van de religies et cetera. Neem nu de eigen aardige meneer Jalal, een van de flatbewoners, rationalist tot op het bot, maar uit wanhoop over de maatschappelijke ontberingen op zoek naar oplossingen in het Hogere. Omdat een rationele aanpak geen soelaas biedt. Hij verdiept zich in godsdiensten, doet mee aan allerlei ook bloederige religieuze rituelen, bezoekt tempels en moskeeën van zijn stad, besluit zich zelfs als laatste redmiddel en boetedoening neer te vlijen bij het vrijwel dode lichaam van Vishnu omdat hij daar de ultieme religieuze ervaring hoopt op te doen. Wanneer hij dan eindelijk een visionaire droom heeft waarin de god Vishnu aan hem verschijnt, gaat hij ervan uit dat hij de nieuwe profeet is en probeert hij zijn medeflatbewoners van zijn uitverkorenheid te overtuigen, met de nodige hilarische en half fatale gevolgen.

Suri heeft niet een ernstig boek willen schrijven, hij koos voor een luchtige aanpak die hem de gelegenheid gaf afstand te nemen van zijn figuren. Misschien is dat laatste een bezwaar. Het gekibbel van de verschillende families over bijvoorbeeld het gezamenlijke gebruik van de keuken en een kaartmiddagje bij de familie Asrani worden afstandelijk beschreven. Suri maakt deze mensen net iets te belachelijk, waardoor het beoogde realistische effect steeds minder gaat werken. Ik begon me af te vragen wanneer hij nu eindelijk eens Indiase schrijvers belachelijk zou gaan maken die bijzonder vaak dit soort aanklachtachtige boeken schrijven. Hij wijst naar anderen, veroordeelt anderen. De satire van Suri bijt niet genoeg in haar eigen staart. Het mooiste personage blijft Vishnu, wiens leven in dromen, sprookjesachtige hallucinaties en jeugdherinneringen aan ons voorbij trekt. Daarin overtreft de schrijver zich.