Groen

Kies

De afbeelding hierboven is van een kies. Ooit werd er hooi en gras mee vermalen. Jaren geleden opgedolven uit een stuk land waar ooit de voorloper van de familieboerderij stond. De huidige boerderij is van 1913. Het paard dat deze kies in zijn mond had is al meer dan honderd jaar dood. Het is dus niet een tand van Nellie, het paard waarmee mijn grootvader prijzen behaalde bij het arren in de bevroren haven van Kolhorn, ergens in de Tweede Wereldoorlog. Dat ging gewoon door, arren in oorlogstijd, en de gouden medaille die hij won is niet door de Duitsers gevorderd. Het is zeker ook geen tand van het paard waarop mijn zus reed, dat ooit aangereden werd door een man in een auto. De man bleek lipkanker te hebben. Hij liet zich voorstaan op zijn akelige mond, met daarin ook nog een sigaarstomp. Mijn zus liet zich niet door zijn sneuheid vermurwen, bleef met afgewend gezicht op hem schelden en tieren. Ik ben de naam van het paard vergeten, al staat me iets als Belinda bij. Belinda kwam met de schrik vrij, de auto had schade aan de bumper. Het was op een zaterdagochtend, na het wassen van de groene Simca.
Dit paard, van deze kies (waaraan je niet kan zien of het betreffende paard aftands was, dat schijn je alleen aan het hele gebit te kunnen zien), zal er een geweest zijn dat wagens trok, wagens met hooi of schapenwol. Een paard dat nog haver at, geen elektrisch licht gekend zal hebben, één van vele paarden was. Een werkdier, maar vast en zeker goed verzorgd door mijn voorouders. Een paard dat mogelijk karossen trok, waarin boeren in zwarte pakken, over nog niet geasfalteerde wegen, waarop het in de zomer wolkte van stof en in de winter zwaar gaan was. Alles is weg, daar op dat stuk land. Gras staat er. Het zijn altijd de paarden die overblijven, zoals ze altijd overbleven na veldslagen: dwalend tussen rotzooi en lijken, het hoofd omlaag, wachtend, zonder te weten waarop. Ja, altijd de paarden, al is het maar een oude kies.