Lévi Weemoedt

Kietel eens onder mijn oksel

Zo klinkt dus weggesmeten geld: De geestigste gedichten uit ‘De Tweede Ronde’ Bijeengebracht door Meindert Burger en Jos Versteegen
Mouria, 288 blz., € 15,-

Lévi Weemoedt
Vanaf de dag dat ik mensen zag: Verzamelde gedichten
Nijgh & Van Ditmar, 272 blz., € 19,90

‘Geestig’ is op het clubhuis van de golfvereniging een heel normale uitdrukking. Als iemand een mopje vertelt, meestal helemaal niet zo’n geslaagd mopje, dan slaat een van de toehoorders de spreker op de schouder en zegt hij: ‘Haha, da’s geestig.’ Snel verdwijnen de lippen dan in de schuimkraag. Je zou toch niet verwachten dat buiten die golfclub het woord nog wordt gebezigd. Maar daar denken Meindert Burger en Jos Versteegen heel anders over.

Zij stelden een bloemlezing samen van gedichten die eerder werden gepubliceerd in het tijdschrift De Tweede Ronde. En nou ja, dat is dus 288 bladzijdes gieren. Geestig is eigenlijk een understatement. Het is hilarisch.

Neem dit Kwintijn van Cees van der Pluijm:

‘Komaan,’ zei de beul, ‘nu maar niet langer wachten’
(Hij had er die dag wel zo’n vijftien te slachten)
Ik werk graag op tijd, anders regent het klachten’
En daar ging de eerste op weg naar het graf
Ziezo,’ sprak hij monter, ‘de kop is eraf’

Leuk hè? Het is natuurlijk een beetje jammer dat een beul niet slacht, en dat iemand die op weg is naar het schavot nog niet op weg is naar het graf, dat komt later pas, maar rijm rules en bovendien: die woordspeling van ‘de kop is eraf’, die is natuurlijk ontzettend grappig.
Nog eentje, van Kees Stip, het gedicht Biceps:

Mijn bicepsbal verbaast
nog altijd talloos velen.
Men rekent mij welhaast
tot de bicepsuelen.

Whoehahahahaha! Is dat niet geweldig grappig? Bicepsuelen! Hoe kom je erop! En zo staan er dus heel erg veel geestige gedichten in dit boek. De samenstellers schrijven in de inleiding dat dit soort ‘humordichters’ zich ‘in het zweet werken om in een strakke vorm, met fraai ritme en melodieus rijm, een boeiende voorstelling te geven’. Het is dus heel hard werken, om de woordspeling ‘bicepsuelen’ te bedenken. Dat u niet denkt dat zo’n moppentrommelaar zich ineens aandient.

Mijn poging om het roken af te zweren
Werd wederom een regelrechte flop
Je kunt van therapieën weinig leren
Integendeel: je steekt er wat van op

Nou, dat was de laatste die ik citeer, het gedicht Roken van Frank van Pamelen. Met ook weer zo’n geweldig leuke vondst aan het eind. ‘Je steekt er wat van op’. Snapt u ’m? Kietel eens onder mijn oksel!

Nee, maar serieus. Het is natuurlijk poëzie waarvan je spontaan in een depressie schiet. Het zijn spitsvondigheden, een soort Beierse dijenkletsers, mopjes van het niveau erlopen-tweegekkenopstraatzegtdeeentegendeandermagikinhetmiddenlopen. In het allerbeste geval maakt zich een flauwe glimlach van je meester. Maar werkelijk komische poëzie, daar zit hevige pijn, angst en walging achter, omdat de lach de uitvergroting is van de traan.

Zoals de poëzie van Lévi Weemoedt, die er wél toe doet, omdat je de wanhoop voelt, de depressie, het verlammend verdriet. Hij maakte overigens diezelfde woordspeling op stoppen met roken al eerder (‘Ik zag/ een cursus/ ‘stop met roken’// Ik heb/ er veel/ van opgestoken’), zoals in de bloemlezing van Burger en Versteegen zowel Kees Jiskoot als Carel Helder een pseudogeil meisje beschrijft dat een topje draagt, waarna wordt verzucht dat het het ‘topje van een ijsberg’ betreft.

Maar Weemoedt, hij schreef een rij werkelijk geslaagde humoristische gedichten, zoals Oudhollands tafelgebed:

Ick doe mijn handjes
samen
Ick doe mijn ooghjes
dicht
En bid dat
na het
Amen

_mijn gehackbal
er nog ligt

En hij persifleerde meesterlijk het plezierdichtgenre, in Limerick:

Er was eens een kikker in Ommen
(Kan het ú ene klote verdommen?!)

Maar in zijn Verzamelde gedichten trof mij vooral het gedicht Frontbericht:

’k Heb niks gezien vandaag, dat wou ik u nog schrijven:
’k heb heel de dag wat voor het raam gestaan
en niks gezien, ondanks het noestig wrijven
in beide ogen. Toen maar vroeg naar bed gegaan.

Ook moet u weten: ik heb niks gehoord.
Voor uren in een diepe slaap gelegen
en niks gehoord. Zelfs hart en longen zwegen.
Een snik werd in het hoofdkussen
gesmoord.

Voor ’t raam en ook in bed heb ’k niks bedacht.
Dat wou ik u al heel lang laten blijken
maar ’k wist niet hóe! Ik miste werkelijk nog de kracht
om naar een potlood of een velletje te reiken.

Hier moet ik ’t voor thans helaas bij laten:
’t gaat nu weer redelijk, ’k ben aardig opgefleurd.

O wél bedankt dat u mij even bij liet praten!
Ik schrijf u weer zodra er niks gebeurt.

Het is niet voor niets dat Lévi Weemoedt in een radio-interview van enige tijd terug liet weten dat hij nogal tevreden was over dit gedicht. Want het heeft een kwinkslag aan het eind, omdat de dichter nu eenmaal niet zonder kan, maar midden in het gedicht, in dat ‘dat wou ik u al heel lang laten blijken’, daar zit een crux. Het is het relaas van een uitgeschreven grappenmaker, die het verwaand acht om het clownsmasker af te werpen, maar ons wel een blik op het snikkenbijten in het hoofdkussen gunt.

Alsof we dachten dat Lévi Weemoedt ’s ochtends met een vuist in de lucht opstaat, yes! roepend, klaar voor een nieuwe geestige dag. Plotseling weten we dat de schrijver niet een gedicht verzínt over een man die de hele dag voor een raam heeft gestaan en niets heeft gezien, maar verslag doet van een dag die ook werkelijk zo verlopen is._