Kiezen tussen zondvloed en eco-fascisme

De oude hindoes noemen het de kali yuga, de laatste ronde in de cyclus van de aarde, die in het teken zal staan van algeheel verval en resoluut af zal koersen op een ‘purificatie’ middels zondvloeden, uitdroging en ander klimatologisch geweld. Sinds madame Blavatsky heeft ook het Westen weet van dit doemscenario. De smeltende ijskappen op de polen, de gaten in de ozonlaag, de kaalkap in de regenwouden, de razendsnel opgevoerde uitstoot van kwalijke gassen en meer van dat fraais - het wordt allemaal in verband gebracht met deze eindtijd. De overtuiging dat het hier een onomkeerbaar - want natuurlijk - proces betreft, wordt steeds vaker gehoord, resulterend in een soort milieufatalisme dat ervan uitgaat dat geen enkele menselijke interventie de keten van catastrofen zal weten te doorbreken. De enige troost, aldus Jocelyn Godwin, auteur van het uiterst verhelderende Arktos: The Polar Myth (1993), is dat de grote finale van de kali yuga volgens de berekeningen in ieder geval nog enkele duizenden jaren op zich zal laten wachten.

Op de mondiale conferentie over klimaatsverandering en -verruwing die verleden week in Berlijn werd afgesloten met een volgens de meeste deelnemers ‘uiterst waterige’ slotverklaring, werd de indruk gewekt dat de kali yuga zich echter hier en nu aan het voltrekken is. De notie dat grote delen van de wereld op de nominatie staan om a la Atlantis in de golven te verdwijnen of juist - zoals Zuid- Spanje - geheel te verwoestijnen, bleek hier diep gezaaid. Vooral de Alliance of Small Island States (Aosis) fungeerde als een belangrijke omroeper van dit ondergangsscenario. De organisatie, die zesendertig eilandstaten vertegenwoordigt, luidde de alarmklok over het verdwijnen van de kleine eilanden onder een immer stijgende zeespiegel. Enkele eilanden van de Malediven-archipel in de Indische Oceaan verdwenen in 1988 reeds in de golven, terwijl het water bij de bewoners van eilanden als Tuvalu, Tokelau en de Marshall-eilanden in de Stille Oceaan letterlijk tot aan de lippen staat. 'De laagst gelegen landen zijn het meest kwetsbaar en zijn tevens niet verantwoordelijk voor de ontstane situatie’, aldus Aosis, dat de geindustrialiseerde landen van het rijke Noorden als hoofdschuldige aanwijst voor de stijging van de zeespiegel. Uiteindelijk wordt daar immers in het hoogste tempo doorgegaan met het verbruiken van fossiele brandstoffen.
Zoals gebruikelijk volstond het Noorden in Berlijn met sceptische opmerkingen: er is nog steeds geen sluitend bewijs dat verbranden van koolwaterstoffen leidt tot stijging van de zeespiegel. Waarop de eilandstaten op hun beurt reageerden met de mededeling dat zij geen tijd hebben om te wachten op dat sluitende bewijs. 'Dat bewijs, vrezen wij, is dodelijk voor ons.’ Vandaar dat de Aosis aandrong op een zo rigoreus mogelijke beperking van de CO-2- uitstoot: met twintig procent in het jaar 2005, en dat gerelateerd aan de aantallen van 1990.
Ook Nederland heeft veel te verliezen door de stijgende waterspiegel. Bij Rijkswaterstaat liggen de noodscenario’s al klaar om de vaderlandse kustlijn tot ergens bij Tiel te verplaatsen. De haven van Rotterdam en Schiphol zouden in dat noodplan fors landinwaarts moeten verschuiven. Een miljardenverslindende operatie die een enorme reductie van het toch al zo krap bemeten oppervlak zou betekenen. Vandaar dat Nederland zich tijdens de Berlijn-conferentie opstelde als een van de felste voorvechters van een akkoord over maatregelen tegen CO-2- uitstoot. Dat akkoord wordt door de milieubeweging zwaar bekritiseerd, maar vertegenwoordigers van diezelfde organisaties die in Berlijn aanwezig waren, willen in vertrouwen wel kwijt dat het huidige akkoord wellicht het 'maximaal haalbare’ is.
Noord en Zuid stonden regelrecht tegenover elkaar tijdens het congres. De oorspronkelijke tekst van de slotverklaring behelsde dat landen als China en India, nog volop in ontwikkeling, hun industrialisatie nu al een halt zouden moeten toeroepen. Dat was voor die landen begrijpelijkerwijze onacceptabel, zeker gezien het feit dat de Verenigde Staten als hoofdvervuiler van de planeet relatief veel minder zouden verliezen dan de armere landen. Het uiteindelijke compromis, totstandgekomen op initiatief van India, laat nog wel ruimte voor industriele groei van de nog onderontwikkelde landen.
Alleen de Arabische oliestaten, die de verkoop van olie zien dalen als de reductie van CO-2-uitstoot werkelijk wordt doorgezet, lagen dwars. Die landen pleitten in Berlijn voor een verdubbeling van de olieprijzen. Opmerkelijk was de geringe bereidheid van de Verenigde Staten, daarbij gesteund door Canada en Japan, om tot veel verder beperkende maatregelen te komen. Veel conferentiedeelnemers vroegen zich af of vice-president Al Gore, een van de belangrijkste vertolkers van de milieugebonden catastrofeleer, zijn eigen boeken over deze materie wel had gelezen. Daarbij stak Duitsland, waar de Bondsdag al een reductie van CO-2-uitstoot met dertig procent in 2005 heeft verordonneerd, zeer positief af.
'Het is niet genoeg’, schreeuwden de demonstranten nog na afloop van de conferentie. Ze stonden niet alleen. Zo presenteerde de herverzekeringsreus Suisse de Reassurances tijdens het congres een uiterst apocalyptisch rapport over de schade door milieuverruwing. Alleen al de orkaan Andrew, die ook in verband wordt gebracht met milieuvervuiling, zorgde in de Verenigde Staten voor een schade van vijf miljard dollar. Dergelijke catastrofen brengen de planeet tot een bankroet, aldus de maatschappij, die zo zwartgallig is gestemd dat ze haar rapport besluit met de verzuchting: 'Het is al te laat.’ Ook het aan de Verenigde Naties gelieerde Intergouvernemental Panel on Climate Change (IPPC) bleek niet tevreden: volgens deze machtige adviesgroep zal het geindustrialiseerde Noorden de CO-2-uitstoot voor het jaar 2030 met 80 tot 85 procent moeten hebben teruggebracht. Een dergelijke ingreep, zo vrezen ingewijden, is alleen mogelijk door middel van een dictatuur. De enige manier om dat toekomstige 'eco-fascisme’ te stoppen, is door onmiddellijke invoering van nieuwe technieken. Zo mogen in Californie met ingang van 1998 alleen nog maar elektrisch aangedreven auto’s worden verkocht. En tevens zou onmiddellijk de teelt van hennep, uiterst geschikt tegen het CO-2-gevaar, moeten worden vrijgegeven. Dergelijke drastische maatregelen zijn vereist om het juk van een wereldregering van eco-keizers te voorkomen.