Kiezersbedrog en concurrentiehysterie

Deregulering, lastenverlichting voor het bedrijfsleven, privatisering. Koks regeerakkoord lijkt wel een liberaal manifest. Hoe de concurrentiehysterie van de Europese denktanks uitmondde in het kiezersbedrog van de Nederlandse socialisten.

IS HET MEDIUM dan toch de boodschap? De neiging om de politiek aan personen te koppelen heeft ertoe geleid dat de Nederlandse pers de kabinetsformatie is gaan beschouwen als een spannend spelletje kwartetten rond de Hofvijver, waarbij Wim Kok voorlopig de sterkste kaart in handen heeft. Het ontwerpakkoord dat hij vorige week presenteerde, wordt alom beoordeeld in termen van de ‘mannetjes’ en de 'mannetjesmakers’ die erachter zouden zitten. De Telegraaf schrijft de drastische bezuinigingsplannen van de formateur toe aan de strenge maar rechtvaardige hand van zijn gedoodverfde coalitiepartner Bolkestein. Vrij Nederland meent te weten dat de voorgenomen privatisering van de WAO het werk is van een ambtelijk-politieke combine van de hoogleraren Wolfson (PvdA), Kolnaar (CDA) en Zalm (VVD).
Maar Kok heeft geen influisteringen van elders nodig om zich te voorzien van onversneden rechtse adviezen. Ze bereiken hem voortdurend vanuit zijn eigen partij. De grote lijnen in de partij worden al jaren uitgezet door weekendsocialisten die de rest van de week in ondernemersland verkeren, of het nu gaat om bedrijfsadviseur prof. A. van der Zwan, de Haagse eendagsvlieg prof. R. in ’t Veld of de president van de Nederlandsche Bank, dr. W. F. Duisenberg.
Veel ruimte voor het aanbrengen van fundamentele beleidsveranderingen is er niet - gegeven de smalle marges van de Nederlandse coalitievorming - maar als het ontwerp dan toch in een bredere context moet worden beschouwd, is dat niet de Haagse context, maar de Europese. In een eerste reactie op het ontwerp van Kok maakte de CDA-woordvoerder voor Europese zaken, R. van der Linden, zich onsterfelijk met de opmerking dat er 'te weinig Europa’ in zit. Want mocht deze tekst de basis worden van een kabinet dan is dit het allereerste regeerakkoord waarvan de hoofdlijnen zijn gedicteerd door Europese verplichtingen en beleidslijnen. Wim Kok schrijft dat de komende vier jaar 'in het teken moeten staan van de uitvoering van overeengekomen beleid, ook in internationaal verband.’ Een eufemisme van de eerste orde.
Een eerste, strikte beperking van de begrotingsruimte vloeit al voort uit het verdrag van Maastricht. In de aanloop naar de Economische en Monetaire Unie (Emu) zijn alle lidstaten gehouden om hun overheidstekort uiterlijk in 1998 terug te brengen tot maximaal drie procent van het bruto binnenlands produkt. In Koks eigen woorden: 'De druk van de rentelasten op de rijksbegroting en de eisen die de Emu stelt maken een verdere verlaging van het financieringstekort noodzakelijk.’
RECENTE STUKKEN van de Europese Commissie en de Europese Raad geven aan hoe dit in twee fasen moet worden bereikt: 'In de eerste fase dient de staatsschuld te worden bedwongen, waarna in de tweede fase de overheidsbesparingen moeten worden opgevoerd.’ Met die tweede fase wordt het verwachte herstel van de Europese groei bedoeld. De rol van de overheid moet de komende jaren hoe dan ook drastisch worden teruggedrongen en ieder economisch herstel dient uit te monden in nog meer besparingen. Het is maar dat we het vast weten.
Tijdens de jongste verkiezingsstrijd wilde Kok dan ook niets beloven behalve 'rust aan het sociale front’ - en zelfs die belofte blijkt ijdel te zijn geweest. In zijn onbetamelijke regeerdrift heeft de formateur gekozen voor een rechts herstelplan naar Europese maat, uit te voeren door een paarse coalitie die bij voorbaat alle effectieve oppositie in de Tweede Kamer uitsluit. Een soort Europees manifest met een onvervalste neoliberale inslag.
Toegegeven, een bezuiniging van achttien miljard gaat minder ver dan de draconische bezuinigingseisen van CDA en VVD of de besparing van 23 miljard die de Nederlandsche Bank in haar laatste jaarverslag wenselijk noemt. Het venijn zit echter in de structurele aard van de maatregelen. Kok heeft principieel gekozen voor een neoliberaal herstelbeleid zoals dat momenteel in alle landen van de Europese Unie gestalte krijgt. Afgezien van de privatisering van Ziektewet en WAO en een bezuiniging van een miljard op de vut voor ambtenaren en nog eens een miljard op de studiefinanciering, beoogt het ontwerp een uitdrukkelijke aantasting van het sociaal minimum, in het bijzonder bij de AOW en het minimumloon, en indirect ook bij de WAO.
De privatisering van de WAO zal ertoe leiden dat bedrijven hun gezondheidsrisico’s niet langer kunnen spreiden, maar zelf voor de kosten moeten opdraaien. Door de mogelijkheid van opting out zullen de Gemeenschappelijke Administratiekantoren moeten gaan concurreren met particuliere verzekeraars om bedrijven als klant binnen te halen. Risicovolle sectoren als de transportsector en de bouw zullen worden opgezadeld met veel hogere premies, terwijl bepaalde risico’s in de praktijk onverzekerbaar kunnen zijn. Zoals in de meeste dagbladen al is gememoreerd, bestaat er een gerede kans dat de privatisering uitdraait op het ministelsel waarvoor de VVD pleit en dat groepen uitkeringsgerechtigden onder een aanvaardbaar minimum zullen zakken.
Ook de AOW, in Koks woorden een 'stevig houvast voor iedereen’, wordt in het ontwerp uitgekleed. De AOW-uitkering wordt 'gefiscaliseerd’ (er wordt voortaan premie over geheven), de koppeling aan de loonontwikkeling wordt losgelaten en de partnertoeslag wordt verminderd na toepassing van een 'inkomenstoets’. Getrouw aan zijn darwinistische uitgangspunt van 'meer concurrentie en meer prikkels’ heeft Kok voor het eerst in zijn politieke carriere de gedachte verlaten dat een sociaal minimum toereikend moet zijn; voortaan is het niet meer dan een inkomenscomponent. Daarmee valt de bodem uit het stelsel van sociale zekerheid dat in meer dan honderd jaar moeizaam is bevochten.
DOOR DE RITUELE dans rond de WAO en AOW is een ander onderdeel van het ontwerp aan de algemene aandacht ontsnapt. Dat is het voorstel om de economie aan te jagen met behulp van het midden- en kleinbedrijf, volgens Kok de 'banenmotor van de economie’.
Hij mikt daarbij ongegeneerd op het voorbeeld van de onder economen beruchte 'Amerikaanse banenmachine’. In de Verenigde Staten zijn in de jaren tachtig veel banen geschapen dank zij een reele verlaging van lonen en uitkeringen met twintig procent. Het land beschikt over een leger van ongeschoolde en onverzekerde reisgidsen, portiers en afwassers die onder de officiele armoedegrens leven. Het is deze schijnwerkgelegenheid waartegen het PvdA-verkiezingsprogramma Wat mensen bindt zich uitdrukkelijk verzette: 'De PvdA wil niet op de glijbaan komen van “Amerikanisering” van het arbeidsbestel’, aantasting van het minimumloon kan 'nimmer een gerechtvaardigd middel’ zijn.
Ogenschijnlijk bouwt Kok voort op het rapport De onderste baan boven van de commissie-Andriessen. Daarin werd voorgesteld om laaggeschoolde werklozen een belastingvoordeel van tweehonderd gulden per maand te gunnen als ze een vuile baan aannemen in handel, horeca, onderhoud of verzorging. Kok wil maar liefst veertigduizend van zulke banen scheppen - echter niet door middel van een belastingverhoging, maar door het verlenen van 'dispensatie van de Wet op het Minimumloon voor bepaalde sectoren en voor beperkte tijd’. In de praktijk wordt het minimumloon voor bepaalde beroepsgroepen dus opgeschort en wie niet wil werken, moet rekening houden met 'forse sancties’.
MAATSCHAPPELIJKE organisaties reageerden geschokt op het ontwerp en in de PvdA-fractie gingen ook direct proteststemmen op. De Jonge Socialisten gaan een stap verder en eisen het aftreden van de politiek leider: 'Koks geloofwaardigheid als partijleider van de PvdA is in het geding.’ Het ontwerp is volgens de JS volledig in strijd met het verkiezingsprogramma en de verkiezingsbeloften van Kok zelf. Het is niet voor het eerst dat de sansculotten van de Witsenkade het hoofd van een vooraanstaand partijlid eisen, maar ditmaal lijkt er alle reden om de guillotine in stelling te brengen.
Toch mag de strekking van het ontwerp niet alleen worden toegeschreven aan een plotselinge politieke wilszwakte van de voormalige vakbondsman. Nederland staat onder zware Europese druk. Sedert de jaren tachtig (toen de conservatieve partijen in Engeland, Duitsland en Frankrijk en de maffiakabinetten in Italie aan de macht kwamen) bestaat er een Europese consensus over de aanpak van groei en werkgelegenheid die regelrecht uit de koker van de Europese industrie komt. Die consensus is vastgelegd in de Europese Akte, het Verdrag van Maastricht en andere besluiten waar de afzonderlijke lidstaten niet onder uit kunnen.
Voor de ideologische onderbouwing zorgen denktanks als de onderzoeksafdeling van de Oeso in Parijs of de European Round Table of Industrialists (ERT). Eind vorig jaar verblijdde de ERT ons bijvoorbeeld met het rapport Beating the Crisis. In dit advies stellen zes Europese captains of industry vast dat de achtergronden van de Europese crisis 'diep en complex’ zijn. Zij gaan er dan ook niet op in, maar pleiten vanaf de eerste bladzijde voor een drastische verlaging van de Europese arbeidskosten: 'Er is wel werk, maar niet tegen zulke prijzen.’
Jaarlijks verschijnt er een stortvloed van zulke werkstukken die de crisis, werkloosheid en sociale uitsluiting in Europa toeschrijven aan te hoge arbeidskosten, waardoor Europa niet zou kunnen concurreren met lage-lonenlanden in Oost-Europa en Azie en tevens de 'internationale technologierace’ dreigt te verliezen. Het rapport was niet eens meer nodig. De Europese Commissie had het daarin uitgesproken standpunt zojuist formeel overgenomen in het Witboek van voorzitter Jacques Delors, dat door de Europese Raad op 10 en 11 december enthousiast werd begroet. De uitweg uit de crisis komt volgens het Witboek neer op verdere deregulering van de markten voor kapitaal, arbeid en intellectueel eigendom, verlaging van de arbeidskosten, verlaging van de overheidsuitgaven, ontmanteling van de sociale zekerheid, overheidsfinanciering van grote infrastructuurprojecten en research and development ten bate van het bedrijfsleven, en het oogluikend toestaan van steeds omvangrijker fusies en overnamen tussen de Europese industriegiganten.
ZIEDAAR HET RECEPT van de Europese Unie voor de jaren negentig. En het moet gezegd: vergeleken bij de besluiteloosheid van de EU als het gaat om steun aan Oost-Europa of het gemeenschappelijk buitenlands beleid (bijvoorbeeld in ex-Joegoslavie) leggen de lidstaten op economisch gebied een opmerkelijke eensgezindheid aan de dag. De sociale afbraak in het Duitse tien-jarenplan of het Spaanse Pacto Social, de Belgische gezondheidsindex (die de automatische loonindexering opheft) en het streven van de Franse regering om het minimumloon af te schaffen zijn allemaal pogingen in de geest van het Witboek om de 'internationale concurrentie’ voor te zijn. Ook het ontwerp van Kok is een rituele bezwering van de 'toenemende economische concurrentie’ in een 'open wereldsysteem’.
De vraag dringt zich op of er wel gegronde reden is voor al die concurrentiehysterie. Nauwkeurige cijfers over de internationale concurrentie bestaan niet, maar de handelscijfers geven een goede indicatie van de positie van een land. Volgens het Witboek van Delors vond in 1992 het grootste deel van de handel van de Europese lidstaten - zestig procent van hun invoer en 61 procent van hun uitvoer - plaats binnen de Unie, en dat was nog voor invoering van de interne vrije markt. Ook buiten Europa komen de Europese handelsreizigers elkaar voortdurend tegen. Het is dus niet teveel gezegd dat de lidstaten van de Europese Unie hoofdzakelijk tegen elkaar concurreren.
De Nederlandse cijfers spreken nog duidelijker taal. Volgens de handelstabellen van het CBS betrok ons land vorig jaar 58 procent van zijn invoer uit de EG en ging 72 procent van de uitvoer naar EG-landen. De percentages liggen nog hoger als ook de nieuwe lidstaten Zweden, Noorwegen, Finland en Oostenrijk erin worden betrokken. Het aandeel van de gevreesde goedkope invoer uit Oost-Europa staat al sinds 1989 op hetzelfde peil: 2,4 procent. De export naar Oost-Europa groeide daarentegen, hetgeen betekent dat Nederlandse producenten het op die markt beter zijn gaan doen. Wat Azie betreft groeiden zowel de Nederlandse export als de import. De goedkope import kwam vooral uit landen als China en Taiwan (met lonen waarmee geen westers land ooit kan wedijveren) en de goede import uit Japan, dat zijn handelsbalans ondersteunt door krachtig protectionisme.
Op de vrees voor massale verplaatsing van werkgelegenheid naar lage-lonengebieden (de zogenaamde global shift) heeft de Nederlandse industrie zelf het antwoord gegeven. Uit onderzoek van het Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf blijkt dat Nederlandse bedrijven de komende drie jaar 21.000 arbeidsplaatsen naar een ander land denken over te brengen, dus zevenduizend per jaar. Op een werkloosheid van honderdduizenden is dat peanuts. De reden wordt genoemd in de recente Bouwstenennotitie van Wim Koks eigen ministerie van Financien: de Nederlandse lonen (inclusief het minimumloon) horen tot de laagste van de westerse wereld.
Het argument van de keiharde concurrentiestrijd tegen de rest van de wereld is dus boerenbedrog. De Tilburgse hoogleraar Sociale Zekerheid Berghman vat de toestand aldus samen: 'Wij kunnen toch niet concurreren met de Pacific Rim, wat de arbeidskosten betreft. Dit is juist, maar geldt slechts voor vijf tot tien procent van onze werkgelegenheid. Wij concurreren voor de overige 90-95 procent in een Europese context. Dus is het wel degelijk zinvol om te pogen de loonkosten te verminderen om de concurrentie in een Europese context aan te kunnen. Alleen de andere landen doen dat ook. Het einde van het verhaal zal dan zijn dat men de loonlasten heeft verminderd, maar dat de vraag naar arbeid niet is toegenomen.’
REST DE VRAAG waar de neerwaartse druk op de lonen en arbeidskosten wel vandaan komt. Een mogelijk antwoord is de enorme hoeveelheid ongebonden kapitaal die sedert de deregulering van de financiele markten wereldwijd circuleert, op zoek naar maximale winst op korte termijn. Volgens een Duitse schatting verwisselt elke dag een bedrag van duizend miljard dollar wereldwijd van eigenaar zonder dat nationale overheden daar enige zeggenschap over hebben. Een deel van dit geld is losgekoppeld van de reele sfeer van goederen en diensten en leidt een eigen leven in gedaanten die varieren van bijzondere kredietvormen tot afgeleide waardepapieren. In het huisjargon van de beurs heet dit funny money. Het blad Management Team schat dat Nederlandse multinationals en beleggers de laatste jaren met zulk geld in het buitenland zeshonderdduizend banen hebben geschapen - bijna evenveel als er werklozen in ons land zijn.
Een deel van dit geld is overigens helemaal niet funny. Het dient ter financiering van de internationale drugs- en wapenhandel die niet voor niets met de deregulering van de kapitaalmarkten zo'n hoge vlucht heeft genomen. De nachtwakerstaat van Wim Kok - die het moet hebben van 'een uitbreiding met enkele duizenden agenten’ - zal nooit opgewassen zijn tegen de grootschalige internationale misdaad, die gewoon bij klaarlichte dag plaatsvindt omdat westerse regeringsleiders er de financiele voorwaarden voor scheppen.
In zijn laatste jaarverslag waarschuwt de Nederlandsche Bank uitdrukkelijk tegen de risico’s van deze vrije kapitaalstroom, die leidt tot 'ongelukken’ en 'kettingreacties uit andere landen en markten, veroorzaakt door te hoge risicoposities en te geringe regulering’. De bank is geschrokken van de monetaire instabiliteit van de afgelopen jaren, want die vormt 'een bedreiging van het financiele bestel’. Duisenberg pleit voor beter toezicht, niet omwille van de werkgelegenheid maar omwille van de Europese industrie die afhankelijk is van buitenlandse investeringen. De Bank erkent wel dat grote financiers ook in de toekomst de Europese munten met hun ongelimiteerde fondsen onder druk kunnen zetten.
Het is kennelijk niet bij de socialist Duisenberg opgekomen dat controle op kapitaalstromen en opheffing van het bankgeheim al een stuk zouden helpen. Meer in het algemeen lijkt het besef dat de economische mondialisering een monster van menselijk maaksel is maar niet tot de Europese regeringsleiders door te willen dringen. Laat staan tot Koks eigen partijgenoten. De PvdA'er en commissaris van de Koningin Han Lammers meent dat het ontwerp van Kok leidt tot 'een heel verkeerd ingericht land: dat kan de bedoeling niet zijn’. Je vraagt je af of zulke mensen nog wel eens buiten de deur komen. De Nederlandse welvaart is in een kwart eeuw bijna verdubbeld, maar uit CBS-gegevens blijkt dat het besteedbaar inkomen van de onderkant van Nederland sinds 1983 met tien procent is gedaald, terwijl de bovenlaag er 12,5 procent op vooruit ging. Volgens de Utrechtse hoogleraar Wilterdink, die deze berekening uitvoerde, is het aantal miljonairs in die periode verdubbeld tot 51.000. Hoezo crisis?