Kijk, daar heb je het

Deze roman bevat vier min of meer met elkaar samenhangende liefdesgeschiedenissen van vrouwen. Elke geschiedenis start met een staccato beginzin: ‘Hij is op de fiets gekomen.’ ‘Dan slaap ik in.’ ‘De telefoon gaat.’ ‘Het regent.’ De Moor houdt haar kaarten in het begin dus op zak, dit is kenmerkend voor haar stijl en aanpak, ze wil je werelden binnentrekken zonder dat alles je al direct bekend voorkomt.

Margriet de Moor, Melodie d'amour, € 19,90 gebonden, € 24,90

Medium cover 1

Liever maakt ze het bekende onbekender, ze liet dat al vaker dwingend in eerder werk zien. Neem De verdronkene (2005) over de watersnood, of De kegelwerper (2006) over variététheater of Eerst grijs dan wit dan blauw (1991). Altijd op zoek naar het bijzondere is ze, naar de bewogen emotie, naar het onbekende daarvan.

Natuurlijk, deze nieuwe roman gaat over iets erg bekends, daar zijn we op voorhand zeker van: de liefde, de liefde en niets anders. Maar ook nu weer zoekt De Moor niet op wat we al weten, maar wat we dreigen mis te lopen wanneer we niet goed opletten. Wat een gewaagd project! Valkuilen aan alle kanten, dat spreekt vanzelf, dat kon ze weten voordat ze eraan begon en natuurlijk wist ze dat ook. Sentimentalisme. Kitsch. Liefdesgedoe. Vreemdgaan en daarna jammeren. We kennen het allemaal van horen zeggen, uit literatuur of uit ‘het echt’, misschien wel van onszelf en toch weten we er in de ogen van deze schrijfster niets van af en zijzelf ook niet. Dat is haar starthypothese.

De Moor brengt in deze geschiedenissen niet de ‘logica’ van de verhoudingen in beeld, ze laat zien hoe de dingen gebeuren en wat zich allemaal in de hoofden van de verschillende figuren afspeelt. Vooral in die van vrouwen, mannen zijn in deze roman op afstand, laat die maar eens in hun sop gaarkoken, moet ze gedacht hebben. Al zet ze ons geen schurken voor, eerder kampioen-kop-in-het-zandstekers, vage kletsmeiers en goeie bedoelers die er verder niks van snappen. Over het waarom van de gebeurtenissen laat ze ons voortdurend in het duister tasten. We treffen geen beschrijvingen aan van ruzies tussen man en vrouw, broer en zus, of de andere figuren die elkaar bedriegen, kwellen, dodelijk verliefd zijn of afgewezen. Ruzies moet je er als lezer zelf maar bij bedenken, daar gaat het helemaal niet om in deze roman, waarin niemand gelijk krijgt. Alles gebeurt en het gebeurt dus zo en zo.

Vader Gustaaf verwekt bijvoorbeeld in de eerste geschiedenis een kind bij huisgenote Marina en daar krijgen we een schitterend beeld van voorgetoverd wanneer zoon Luuk hem met haar betrapt. ‘Betrapt’, schreef ik, typisch zo’n cliché-woord uit kitschboekjes dat De Moor in ieder geval nooit zal gebruiken, dat is haar eer te na. ‘Hij zit als een uiterst intieme danspartner tegen haar aangeklemd. Wanneer de ombouw van het Vlaamse bed aangeeft dat ze er zijn, verschijnt Marina’s gezicht even boven de schouder van zijn vader. Luuk ontmoet haar blik, die totaal onherkenbaar is. Doods, vindt hij, koud, angstaanjagend. Secondenlang zien ze elkaar recht in de ogen.’ Niet alleen het treffend laconieke van deze zinnen en de doodse blik van Marina maken deze beschrijving hemeltergend fraai, maar vooral dat detail van het ‘Vlaamse bed’. Dat Vlaamse moest er dus in, zo’n schrijfster is De Moor wel, ze kon het natuurlijk ook weglaten, alleen ‘bed’ had ook gekund, maar met dat ‘Vlaamse’ erbij heb je ineens een echt bed. En een scène als een brandend beeld. We zien alles voor ons.

Het eigenaardige is dat De Moor hierna niet ruw geschreeuw laat volgen van Luuk die zijn vader wil doodslaan en Marina die gillend wegloopt, of zoiets pathetisch, iets dus waar de logica van het verhaal om lijkt te vragen. Geen sprake van, niemand heeft het er nog over, ook later niet, het is gezien en gebeurd en dus gaan we weer door.

Nog eigenaardiger is dat Atie, de echtgenote van Gustaaf, moeder van Luuk, alles lijkt te aanvaarden. Zij lijkt het kind te accepteren dat uit de verhouding voortkomt (let weer op de cliché-woorden die ik hier gebruik, ‘accepteren’, ‘verhouding’, ‘voortkomt’, niets daarvan is bij De Moor te lezen). Ze aanvaardt en begeleidt zelfs de zwangerschap van Marina. Maar dan doe je Atie te kort, ze haat als geen ander, terwijl ze Gustaaf liefheeft, ze ontzegt zichzelf in de loop van haar verdere leven (weer zo’n cliché dat De Moor nooit zal gebruiken) zo ongeveer alles. Ze zet Gustaaf de deur uit, ze wordt ziek, ze sterft en hij wil haar nog een keer in de kist zien liggen.

Een hartverscheurend verhaal, maar De Moor laat zich niet meeslepen door de verschrikkingen ervan. Ze maakt er iets normaals van, iets laconieks en lichts, af en toe is ze geestig en vrolijk, en ook sentimenteel, gelukkig maar. Wat natuurlijk alles te maken heeft met haar stijl, die ik hier, bij gebrek aan een betere term, dan maar ‘wijzend’ zou willen noemen. Ze wijst aan, kijk daar heb je het allemaal, wel goed kijken, anders zie je het niet.

Vaak laat haar beschrijvingskunst ons alle hoeken van de kamer zien. Neem dit inkijkje in een paardenslagerij dat uiteraard tegelijk dient als kijkje in de menselijke samenleving. Weer laat ze Luuk kijken, maar nu naar de slacht van een paard. ‘Hij voelde zich onpasselijk omdat bij het openhakken van het borstbeen, het hakken van de benen, het verwijderen van de tong en het uitscheppen van de dampende massa ingewanden een stank wordt uitgewasemd die zich in de hele omgeving verspreidt en die, vooral als je daar niet aan gewend bent, nog wel een halve dag als een lauwwarme pap in je mond blijft hangen.’ Lees dit en kijk in jezelf, bepeins dat ‘nog wel een halve dag’ en dat ‘lauwwarme pap’ en weet dat je hier schrijven van de bovenste plank mocht lezen.

Alles in deze vier geschiedenissen is wijzend en tastend, nooit oordelend, of ingeklemd in een dodelijke logica waar de meeste schrijvers onze wereld in willen vangen om hem zo te kunnen verkleinen. De Moor wil niks vangen, ze wil tonen en de vreemdheid laten zien. Ze neemt nergens afstand van haar personages, ze is haar personages tijdelijk ook zelf en schept er plezier in tegenstrijdigheden en raadselachtigheden zo scherp mogelijk in beeld te brengen. Die tegenstrijdig­heden dringen ook door in haar wonderlijke, vaak tedere en dan weer wrede beschrijvingen van mannen en vrouwen en alles wat daarbij hoort. ‘Ik ben lief. Ik doe erge dingen. Ik ben best aardig. Ik doe dingen die niet kùnnen, onmogelijke dingen die zich niettemin rustig voltrekken.’

Margriet de Moor

Mélodie d’Amour

De Bezige Bij, 304 blz., € 19,90