Kijk omhoog

Sinds een kleine week heb ik een nieuw koosnaampje voor Adam: Habibabi.

Ik hoor het voor het eerst van een vrouw in een EO-programma. Op de vraag wat Habibabi’s precies zijn, antwoordt ze: ‘Gekleurd. Niet… Nederlands.’

Wat ze vindt dat er met Habibabi’s moet gebeuren? Die moeten allemaal op een eiland in de Stille Oceaan gedumpt worden, met een koepel eroverheen. Dat laatste vind ik dan weer zo idioot en kolderiek klinken dat ik begrijp dat ik haar inderdaad niet serieus kan nemen.

Dit fraaie staaltje retoriek zie ik met mijn eigen kleine Habibabi, Adam, op schoot. Ik gebruik de tv om hem af te leiden; voor mij is het een venster naar de wereld, voor Adam een grote lamp die de hele tijd van kleur verandert.

‘Kijk’, fluister ik mijn zoon in het oor (in het Turks overigens, hij wordt tweetalig opgevoed), ‘ze heeft het over jou. Wie weet maak jij ooit een nieuwe habibabi met een van haar kleinkinderen.’ Ik probeer het eens een keer hardop uit: ‘Habibabi.’ Adam kijkt me vrolijk aan. Ik glimlach terug.

Twee dagen later heb ik mijn moeder aan de telefoon. Adam hangt in zijn draagzak tegen mijn borst, zijn gezicht naar me toe. Hij kijkt eerst mij aan en dan dwaalt zijn blik naar omhoog, de lucht.

Die is mooi afgeleid, denk ik, en een van zijn wapperende handjes tikt me op mijn neus. Het begint een beetje te miezeren. Paraplu vergeten, ik moet opschieten.

‘We zijn op weg naar de HEMA’, zeg ik tegen m’n moeder.

Op zondag? Altijd op zondag, moeder, altijd.

De Kalverstraat is om de hoek, ik kan de winkelende menigte horen. Mijn moeder en ik zeggen elkaar gedag, ik druk Adam even tegen me aan, geef hem een kusje van zijn oma en we slaan de hoek om.

Het is voor Adam een feest: overal beweging, geluiden en geuren. Hij draait zijn hoofdje naar rechts, zoekt oogcontact met voorbijgangers en wanneer ze hem aankijken doet hij ze een verpletterend schattige bijna-zeven-maanden-oude-grote-bruine-ogen-glimlach cadeau. Dan draait hij zijn hoofd naar links om het proces te herhalen. Het geluid van een draaiorgel komt ons tegemoet, eerst klinkt het nog als een ver deuntje maar al snel fluiten de orgelpijpjes oorverdovend hard. Tussen de op en neer wippende hoofden van het winkelende publiek ontwaar ik de lawaaierige roze-geel-blauw-groene taart op wielen. Twee mannen staan naast het orgel met hun mans te schudden, keurig op de maat. Ik herken Sammy van Ramses Shaffy en betrap mezelf erop dat ik meeneurie. Hoe lang al?

‘Sammy loop niet zo verlegen/ Zo verlegen door de regen/ Waarom loop je zo verlegen/ Sammy, door de stegen/ Sammy van de stad.’

Ik kijk Adam aan of hij reageert op de muziek. Hij heeft zijn ogen weer omhoog gericht. Wanneer ik zijn blik volg, zie ik dat het is opgeklaard en dat Adam een eenzame meeuw volgt, die boven ons hoofd rondcirkelt.

We zijn waarschijnlijk de enige twee wezens die in de Kalverstraat naar de vogels kijken.

Dan kijk ik weer naar mijn zoon, mijn gekleurde Niet-Nederlandse-Amsterdammer:

‘Hoog, Habibabi’, zing ik,
‘kijk omhoog Habibabi,
want daar is de blauwe lucht.’