Essay: SC Heerenveen

Kijk uit blinde

SC Heerenveen is razend populair. Wat is er aan de hand? Kees ‘t Hart volgde de voetbalclub een jaar lang. «Kom op fluiten scheids, Jezus wat een lul.»

Dinsdag 7 november

Ik ben tijdens het ontbijt toenemend terneergeslagen, vind dat de groep dat ook is, ik kan er geen vinger achter krijgen. Ik kijk zwijgend bij het tapen en zwachtelen, loop lullig heen en weer, ben nergens benieuwd naar. Het is nog steeds niet zeker of Tieme vanavond meedoet, hij wil in ieder geval niet naar de ochtendtraining op de bijvelden van Valencia. Jeffrey is het er niet mee eens. Natuurlijk moet je mee, zegt hij, geen gelul, je kunt je team niet in de steek laten. Ze grijpen elkaar bij de keel en stoeien heen en weer in de tapekamer die zich ergens boven in het hotel bevindt.

In de bus naar het veld gaat Romano’s telefoon af. Dit is een boete, dat is duidelijk. Ik zeg bij wijze van grap dat het mijn telefoon was, maar Gj wijst me er scherp op dat ik het niet voor de jongens mag opnemen, anders nemen we je niet meer mee. Heul ik te veel met de spelers, begint het de trainers dwars te zitten? Ik zit met ze te praten en slap mee te ouwehoeren, dat is duidelijk. Als ik alleen met de trainers zou heulen, zou ik als halfgare antropologisch onderzoeker geen boek hebben. Het is toch al de vraag of ik een boek bij elkaar krijg, omdat ik nog steeds niet zeker weet of beschrijvingen van verweerde kleedkamers, tapen en bustochten naar bijvelden op de lange duur interessant genoeg zijn. Ik moet me misschien meer gaan toeleggen op gedetailleerde beschrijvingen van kleedkamers, op de winkels in de buurt van stadions, op de gezichten van de mensen die naar ons roepen, zwaaien of de vuisten ballen. Ik ben uiteraard voor iedereen hoofdzakelijk lastig, misschien zelfs ondoorgrondelijk omdat ik heel weinig vraag en veel te opzichtig probeer nergens in de weg te staan.

Dat is het natuurlijk, stond ik maar in de weg, ging ik me maar overal mee bemoeien, dan was mijn aanwezigheid duidelijk. Nu heul ik zowel wel als niet en ik doe dat tegelijkertijd met spelers en trainers. Ik ben volkomen onbetrouwbaar.

De trainingsvelden van Valencia bevinden zich aan de rand van de stad op een prachtig sportcomplex. De gang bij de kleedkamers is bezaaid met Valencia-trofeeën. Ik bestudeer oude elftalfoto’s, maar Faas Wilkes staat er niet op. Op het trainingsveld waait een scherpe en koude wind. Een paar Heerenveen-supporters juichen en schreeuwen naar de spelers, die de meeste kennen, dat is die en die, daar heb je die ook. Wat de zin van hun aanwezigheid hier is, valt moeilijk in te schatten. Ze zijn er gewoon bij, ze hebben met elkaar overlegd wat ze vanmiddag zullen doen en toen zei iemand dat ze naar de training van Heerenveen zouden kunnen gaan omdat er in de stad toch erg weinig te doen was.

Aan de rand van het veld kijken Jeffrey, Tieme, Tjitte Wiersma, de clubarts en ik naar de training. De zon schijnt tegen ons aan, we zitten hier beschut voor de wind. We praten over de supporters. Supporters zijn verloren, zeg ik, ze zijn wanhopig en halfverliefd, net als mensen die altijd naar dezelfde film of revue gaan. Ze weten niet waarom ze gaan, maar ze gaan toch omdat er geen redding is. Ik begin in mijn eigen verhaal te geloven en zet nog een tijdje door. Voetbal heeft alles met doodsangst te maken, beweer ik, mensen gaan erheen om daar niet meer over na te hoeven denken. Ze vergeten hun eigen identiteit. Ze hebben tijdelijk geen eigen bestaan, dat is hun ontnomen. Maar ze kunnen zich spiegelen aan de ritualiteit van het voetbalbestaan waar nog werkelijk geleefd wordt, denken ze. Die wereld gaan ze tijdelijk binnen. De heren laten me uitrazen, bekijken me enigszins verbaasd, dit hadden ze niet helemaal achter me gezocht. De voetbalwereld heeft wel iets van de revue, zegt Tieme.

Dan gaan we terug. De training was niet zwaar. F. liet na de warming up een paar vaste momenten oefenen, corners en vrije trappen. De spelers douchen en kleden zich om in de fabuleuze kleedkamer die veel mooier is dan die in het stadion.

Op de parkeerplaats staat een stel prachtige auto’s, een Ferrari, een Mercedes-sportwagen, een Porsche. Die zijn vast en zeker van Valencia-spelers. We hangen er verlekkerd bij rond, prachtige auto’s vinden we, ja, die jongens verdienen fantastische bedragen. Ik vraag me af of de spelers van Valencia niet ergens boven stiekem staan te kijken hoe wij ons door deze machines laten inpakken. Ze hebben ze waarschijnlijk van een paar filmsterren uit de omgeving geleend en hier neergezet, alleen om ons te imponeren.

Na het middageten in het hotel zit ik buiten bij het zwembad in Dylan te lezen. Het is koud. Later kijk ik bij kaarters waar de kaarttaal bedwelmend op me in werkt: ruiten, dat is goed, ruites, kijk uit blinde, wat denk je lang mafkees, hé pisnicht, waarom speelde je de tien niet, ik kraak, ik kraak eroverheen, schoppen, dat is dus dubbele kraak, weet je het zeker, kom maar op, dit is dus goed kut, ja je kunt kaarten of je kunt het niet, hoeveel, 72, dat valt niet tegen, delen, wat heb jij?

Ik ga naar mijn kamer. Op de gang staan Tjitte Wiersma en Tieme over de blessure te praten. Tjitte raadt aan er nu maar eens grondig met F. over te praten, anders blijf je maar heen en weer lopen. Ik werk in mijn kamer het dagboek bij en ga weer naar beneden. In de videoruimte kijken spelers naar een video. Ik heb geen zin, anderen zijn op hun kamer. Ik lees in de lobby en wacht. Ik weet niet wat ik zal doen, ergens anders gaan zitten maar weer, praten met Gj die ergens vlakbij zit te telefoneren? Waar zijn Foppe en Henk? Hoe kom je deze uren door?

Ik pool met Johnny en verlies schandelijk, Gj en Johnny gaan squashen. Weer zitten en kijken. De klaverjassers zijn verdwenen. Er lopen weinig mooie vrouwen in het hotel rond, wel eentje met huiveringwekkende mooie benen waar ik mijn ogen niet van af kan houden, maar zij heeft een langdradig gezicht dat op stupide verveling staat. Ik haal het Dylan-boek van mijn kamer en lees zonder te lezen.

Om vijf uur breekt eindelijk de laatste voorbespreking aan. F. houdt het kort, hij slaat de peptalk over, dat geloven ze nu wel, zegt hij. Er is eindelijk zekerheid dat Tieme niet speelt. De kogel is door de kerk, Arjan moet aan de bak. Tot grote hilariteit ben ik te laat in de bus, een paar minuten, maar toch. Ik had een andere vertrektijd in mijn hoofd maar die was fout. Ik voel me echt opgelaten. Jezus, waarom let ik niet goed op? Hier in Valencia gaat alles mis. Ik ben niet scherp, zoals dat heet, loop als een blinde rond. Het lijkt erop dat ik geen vat op mezelf heb en maar beter vervangen kan worden door een andere schrijver die a. altijd op tijd is, b. geen lul verhalen over voetbal houdt en c. veel meer dingen vraagt dan ik. You sexy motherfucker zing ik zachtjes in de bus, weer naast Mile die opnieuw niet in de basis staat en daar stil over treurt omdat een profvoetballer altijd in de basis wil staan.

De kleedkamer in het stadion van Valencia is niet alleen zeer oud, maar ligt ook direct naast of onder een tribune. We kunnen bijna letterlijk het geschreeuw en geroep van sup porters horen. Ik wijs de spelers nog maar eens op de bizar mooie verzorgingsbank, kan er nauwelijks over ophouden. Wat een bank, vinden jullie niet? Het stadion is natuurlijk reusachtig en dwingend, maar de intimiteit van het geheel is groot, niet alleen omdat het veld direct aan de tribunes grenst, maar ook omdat er veel mannen rondlopen die geruststellend veel lijken op de morsige voetbalmannen in Nederland. We geven elkaar handen, we praten internationale voetbaltaal met elkaar, ze hebben allemaal dezelfde badge op. We kloppen elkaar op de schouder. Het veld ruikt naar een veld en we begeven ons allemaal langzamerhand de roes in waarvoor we gekomen zijn. We hoeven ons niet te haasten, alles gebeurt vanzelf.

De Heerenveen-supporters zijn op de allerhoogste verdieping van het stadion bij elkaar gezet, je kunt ze nauwelijks zien. Riemer vertelt me dat hij hemel en aarde heeft bewogen ze naar beneden te krijgen, dat Valencia het best vond omdat er genoeg plaats was, maar dat de politie het verbood. Waarom weet niemand. Ik kijk naar de wedstrijd vlak achter de Heerenveense dug out, hoor het geschreeuw van Foppe, hij probeert tijdens de wedstrijd wanhopig Harvey te bereiken maar dit lukt niet.

In de rust neemt Foppe met wat spelers hun positie door. Het gaat behoorlijk goed, ze laten zich niet wegspelen. Het is 1-1, dankzij een miraculeus doelpunt van Ronny Venema. Het begint allemaal in alles op een gewone wedstrijd in Nederland te lijken, het nieuwe is eraf. Heerenveen begint aan de Champions League te wennen, de tijd van de geïmponeerdheid is voorgoed voorbij. Zelfs in het hotel was dat voelbaar, besef ik nu, mijn eigen onrust en verveling hadden te maken met de rust van de spelers. Vijf minuten voor het einde van de wedstrijd ga ik alvast naar binnen, de gang in naar de kleedkamers, maar voor ik de trappen bestijg zie ik Ep. Hij vraagt zich nog steeds af of die rooie kaart van net wel terecht was. Ik weet het niet zeker maar het is nu niet meer belangrijk.

We bekijken de laatste minuten van de wedstrijd op een monitor in de gang. We smeken en schreeuwen handen wringend dat ze het houden, laat ze het houden, laat ze het houden, het is tijd scheids, kom op fluiten scheids, Jezus wat een lul, fluiten man, het is allang tijd. En dan is het tijd geworden.

In de kleedkamer schouderkloppen, handenkletsen, fantastisch man, gefeliciteerd Jensen, Harvey, Ron, gefeliciteerd jongens, godverdomme mooi man, Harris, Foppe, Henk, prachtig man, geweldig, Sander, Gj, we vieren dit als een overwinning. Wanneer het rustiger is, spreekt Ronny Venema de volgende gedenkwaardige tekst: ik dacht, als jullie het niet doen, doe ik het wel. Kees, Hugo en Johnny ruimen de materiaalkisten in, proppen de gebruikte kleren in grote tassen, die moeten vanavond nog gewassen worden. Ik wacht tot iedereen is omgekleed, ga dan met Kees en Johnny naar de bus. Vlak bij de bus staan een paar vrouwen en vriendinnen van spelers achter een afrastering, dichterbij mogen ze niet komen. Ze praten nog gauw met hun jongens, ja ze hebben het leuk gehad, lekker in de stad geweest, het was leuk.

In de bus kijk ik er verder naar met andere spelers. Ik laat me precies inlichten wie bij wie hoort. Kijk die is van Jensen, die van Van Gessel, dat is Claudia, o ja, die ken ik al, en dat is de vrouw van Vonk, Annelies heet ze, en wie is dat, die hoort er niet bij man, ja maar die is wel hartstikke mooi, Jezus wat ben jij een viespeuk, dat is een ouwe vrouw. We nemen in de bus ook nog even gezamenlijk de esthetische en vrouwelijke kwaliteiten van de vrouwen door. Ja die is wel mooi, die ook, dat is absoluut een lekker ding, die van hem ook, vind je niet, ja ik vind het ook, ze zijn wel wat jong vind ik, ik hou meer van oudere vrouwen omdat die meer ervaring hebben en geiler uit hun ogen kijken, meen je dat nou, ja, dat komt omdat jij een ouwe lul bent, ja, daar heb je gelijk in.

Tieme en ik praten in de bus over het vermeende lege leven van voetballers. Het valt wel mee, zegt hij en wat bedoelen ze daar precies mee? Is het leven van mensen die zoiets zeggen dan zo vol? Laat ze naar zichzelf kijken, ze snappen er helemaal niks van. Hij speelt zes jaar bij Heerenveen, zijn hele voetbalvorming heeft hier plaatsgevonden, af en toe krijgt hij er weleens genoeg van, altijd hetzelfde, altijd dezelfde mensen, altijd dezelfde trainers.

Terug in het hotel eten we nog een broodje. Thomas Holm ziet er gelukkig uit, hij heeft goed gespeeld. Ik herinner hem aan een knallende omhaal vlak voor het einde, ja dat moest even, zegt hij, lekker was dat. Een paar spelers hebben nog plannen om de stad in te gaan, hoor ik, maar ik ga niet mee, dat staat vast, ik ben duizelig van vermoeidheid en stress, wat moet ik in de stad, wat ga ik daar doen en zeggen?

De drie trainers bespreken aan de broodjestafel uitvoerig de capaciteiten van hun spelers. Ze spelen vaak veel te ingewikkeld, vinden ze. Ze signaleren tekorten op het vlak van mentaliteit en fysiek, daar moet heel hard aan gewerkt worden, het komt in topvoetbal steeds meer aan op grote en sterke kerels, de kleine jongens kunnen het wel schudden langzamerhand. Ik kijk later bij de klaverjassende spelers. Riemer vraagt Foppe of hij het goed vindt dat de spelers ook een biertje drinken. Het mag, al denk ik dat Foppe dit in zijn hart maar niks vindt. Er wordt bier aangerukt.

Ik moet aan de tafel bij de begeleiders en sponsoren uitvoerig vertellen over mijn boek. Waar gaat het eigenlijk over, schrijf ik alles op, ja alles, ook wat je nu tegen me zegt, dat ga ik straks op mijn kamer allemaal opschrijven. Iemand vraagt of ik ook Kees Smid, de materiaalman, ga beschrijven. Reken maar, zeg ik. Gj roept dat er waarschijnlijk heel weinig over hockey in komt te staan, dat lijkt me inderdaad sterk.

Hij plaagt de dames in het gezelschap , vooral wanneer een van hen tegen haar man zegt: zullen we naar bed gaan? Hij wijst op de erotische lading van deze zin en verbaast zich over het rare gedoe van stelletjes die altijd in de we-stijl met elkaar discussiëren. Zullen we dit, zullen we dat, wat een onzin. Als je nog niet naar bed wilt omdat je zin hebt om eens lekker door te zakken, dan moet je dat gewoon doen en je niet door manlief laten meetronen. Als mijn vriendin zoiets zegt van, zullen we dit of dat, dan zeg ik altijd, nou ga jij maar, ik blijf nog even. De dames in het gezelschap vinden dit alles zeer vermakelijk. Gj heeft een grote naam op het gebied van de vrouwenversierderij, en dat vinden ze wel interessant.

Later op de avond vormen Daniël Jensen en Riemer een klaverjaskoppel dat gehakt maakt van het team Venema/Hans ma. Ik heb het gevoel dat ik op kaartgebied vooruitgang begin te boeken.

Zaterdag, 11 november

We hebben eerst hier een lichte training, reizen dan per bus naar Roermond, daar overnachten we en dan morgenmiddag tegen Roda. Harris heeft gelezen dat ik binnenkort in Stadskanaal optreed over mijn boek, hij kent het daar wel. Men wil weten hoeveel ik daarmee verdien, ƒ800 zeg ik, reiskosten komen er nog bij, men vindt dit niet gek. Heb je nog vrijkaarten Kees? Echt iets voor profvoetballers, vindt Hans, altijd om vrijkaarten zeuren, altijd op de penning zijn.

Tieme informeert of je eigenlijk mensen in een roman mag zetten die nog leven en dat je er dan iets over verzint, dit in verband met De revue waarin André van Duin in levende lijve voorkomt. Ik vind het zelf op de rand, zeg ik, maar het mag wel, ik belaster hem niet, integendeel. Nee, dat is waar. Toch is het een punt, alles moet dan wel mogen in literatuur, maar er zijn ook grenzen, al weet ik niet zo gauw een voorbeeld. Koningin Beatrix in een roman opvoeren als hoerenmadam, dat gaat ver, al weet ik niet of ik het erg zou vinden als het heel goed en mooi gedaan was.

Zo vliegt de tijd om. We praten over onze vakanties tijdens de winterstop. Veel spelers blijven gewoon thuis, Arek gaat naar Polen, Ronny en Tieme gaan skiën, Mika naar Finland, Sander gaat naar de wintersport, Mile naar Macedonië. Jeffrey blijft thuis, zijn vrouw is zwanger en het duurt niet meer zo lang, ergens in januari is ze uitgerekend. Ik ga met de hele familie een paar dagen naar Parijs.

In de fysioruimte spelen we tegenwoordig vaak darts via internet, een volkomen verslavend spel waaraan ik me ook thuis helemaal overgeef. Mijn record tot nu toe is in 31 beurten uit. Dat stelt in vergelijking met de spelers niet veel voor. Iggie is er erg sterk in, Jeffrey heeft een record van dertien beurten. Als er spelers bij staan te kijken maak ik er helemaal niks van, 54 beurten, dat is niks man.

De training is op het hoofdveld. Vlak voor we beginnen komt Johnny vertellen dat Thomas net belde dat hij ziek is. Foppe is zowel teleurgesteld als boos, zijn opstellingsplannen voor morgen vallen in het water. Hij moppert terwijl we naar de warming up kijken. Wat een baan, ik had hem opgesteld, het ging net goed met hem. Hakkenbillen, terug, lopen, zijwaarts, tillen, looppas, doorgaan, strekken, goed strekken, lopen weer, zwaaien, huppelen. De geluiden van de training galmen tegen de lege stoelen van het stadion.

Ik zit tijdens de busreis in een viercoupeetje met Harris die zijn lange benen over het middentafeltje uitstrekt. Hij kaart niet, hij kijkt en praat wanneer het de moeite is te praten, rustige ontspanning. Het nieuwe blad Maxim, met mooie halfontklede dames erin, gaat de bus rond. Er staan foto’s in van Anouk, maar ik kan nog niet wennen aan haar gouden voortanden, denk dat ze er ieder ogenblik uit zullen vallen en dat haar mond dan een gapend en bloederig gat is waarbinnen slijmerige slierten rondzweven. Ik heb de biografie over Dylan bijna uit.

Ik val in slaap. Als ik wakker word, rijden we door een bebost gebied, ik herken niets, waar zijn we? We logeren in het hotel waar we eerder gegeten hebben toen we tegen Fortuna moesten, vlakbij de Duitse grens. We eten soep en brood, gezond beleg, we zitten nu in een andere zaal dan de vorige keer en bespreken de mogelijkheid een gezamenlijke sinterklaasviering te houden. Harris zou wel een geschikte sinterklaas zijn, vinden we. We zien het al voor ons: Foppe zit op zijn schoot en zingt voor straf een liedje, Romano kan een goeie zwarte piet zijn, Hans Vonk zou ook een ijzersterke sinterklaas zijn, vinden we. Ik wil weten wanneer toch dat beroemde voetbalgala is waar alle spelers komen en hun dames vrijwel ontkleed rondlopen. Dat is naar januari verplaatst, maar ik moet me er niet al te veel van voorstellen. Er zijn wel mooie vrouwen, dat valt ieder jaar op, maar verder is het niks.

Na het eten tafelen Foppe, Gj en ik nog lang na, we drinken eerst Spa maar later toch maar een biertje en een glas wijn. Ik vertel dat ik Riemer laatst hoorde zeggen dat er meer gespecialiseerd getraind moet worden. Apart op corners, vrije schoppen, ingooien, dat dat echte specialisaties moeten worden met desnoods gespecialiseerde trainers. Mij lijkt het in de toekomst die kant op te gaan, dat je speciale verdedigings- en aanvaltrainers hebt. Er is te weinig tijd om allerlei speciale situaties te trainen, vinden ze. Dat zou wel moeten, maar men is beslist tegen een verdere uitbouw naar specialismen, dat wordt niks. De trainer moet het overzicht houden, alles moet binnen een geheel passen. Tijdens ons gesprek vraagt een vrouw om een handtekening van de heren. Zij is wel fan van Roda, maar wenst ons veel succes. Ik zet ook maar een handtekening, anders is het zo raar. Ze vertelt dat het een erg slecht veld is, maar dat laatst de tegenstander nauwelijks weggleed en Roda wel. Gj vraagt of ze de opstelling van Roda morgen weet, dat weet ze niet.

Ik wil weten of er veel onderling contact tussen trainers bestaat. Dat is er weinig, het zit ’m niet alleen in de bestaande concurrentie maar het komt er gewoon niet van, er is geen trainersplatform op inhoudelijk gebied, iedereen vindt zijn eigen wiel uit. Foppe had wel goed contact met Advocaat, ze wisselden ook trainingsopzetjes uit, maar erg diep ging het toch niet. Gj heeft ook goeie contacten met trainers, maar ook bij hem komt het op incidentele contacten aan met mensen met wie hij goed kan opschieten.

Vrijdag, 17 november

Ron zit zich al te verheugen op de winterstop, Tieme en hij gaan skiën in La Plagne. Volgens Barry mag je bij sommige clubs helemaal niet skiën, dat staat dan zelfs in het contract. Maar hier wel, Henk Heising stimuleert het zelfs. In de fysioruimte kijk ik naar het internetdarten, ik gooi volgens de heren duidelijk als een blinde.

De training bestaat uit licht balgetrap, niet datgene waar spelers op hopen. Dit vinden ze matig, veel tactische stil leggingen. Ik slaag erin de bal twee keer acht keer in de lucht te houden, zorg ervoor dat de spelers mijn onbeholpen gestuntel niet kunnen zien. Speel die bal eens, roept Hans, die bal is speciaal van mij, zeg ik, doe nou toch eens mee man, nee, ik doe niet mee.

Ik ben duidelijk recalcitrant vandaag, zeg tegen Gj dat ze volgens mij de bal veel harder naar elkaar toe moeten schieten, keihard verplaatsen, dat verhoogt het tempo, die lullige balletjes daar komen ze er niet mee. Hij vindt dit dus onzin, je moet de bal goed inspelen, niet speciaal hard of zacht. Hard is zeker niet altijd goed, maar het zou een methode kunnen zijn de bal sneller te verplaatsen, probeer ik. Harvey speelt een prachtige crossbal naar Mika. Kijk, zegt Gj, die bal is dus perfect, hard genoeg, precies goed, harder hoeft helemaal niet.

In de kleedkamer zit ik na afloop naast de moedeloze Hansma die morgen niet kan spelen tegen PSV, hij komt maar niet bij, heeft steeds wat, is woensdag gekraakt en heeft daar veel last van, pijn in billen, kuiten, dijen, eigenlijk overal. Hij is er treurig van, het is allemaal vlak voor de start van de competitie begonnen, als je eenmaal achterstand hebt haal je het maar moeilijk weer in.

Ik maak een fotokopie van de boetelijst die in de kleedkamer tegen de muur hangt. Ik sta er ook op, ƒ25 boete wegens valse informatie verstrekken. In Valencia heb ik dus de verkeerde tijd doorgegeven van busvertrek waardoor ook Gérard te laat kwam. Even kijken of Iggie erop staat, zeg ik hardop. Nee nee, roept die spottend, ik sta er nooit op, ik ben gedisciplineerd. Lur staat er niet op, Angelo voor ƒ25 wegens Hakkinen-gedrag op de openbare weg, Harris ƒ25 voor te laat komen, Santi ƒ5 wegens bij uitwedstrijd geen aandacht voor corvee, Tieme ƒ5 handdoek onbeheerd achtergelaten, A. Ebbinge ƒ5 scheet in de medische ruimte. Arek staat er niet op, Mika ook niet, Hans Vonk niet, Gj zelf weer wel wegens Mitrita-praktijken, Godfrey voor ƒ100 gevaarlijk rijgedrag, Mile ƒ25 te lang in dromenland, Romano ƒ25 te lang geslapen.

Het is een mooie lijst waar ik lang naar kijk. De kleine boetes wegens slippers laten staan of handdoek vergeten hebben de overhand, dat zijn op zich de mooiste boetes, ik zou er kampioen in zijn omdat mijn slordigheid op dit gebied niet te overtreffen valt. Ian Claes heeft een boete omdat hij een keer te vroeg naar België is vertrokken en bij de plaatselijke McDonald’s in Heerenveen is betrapt. Dit vinden de spelers onredelijk, welke zeikerd heeft dat doorgegeven? Blijkbaar houdt de plaatselijke bevolking hen scherp in de gaten. Wat een paardenbeffers!

De heren klagen over de training van vanochtend. Niks aan vindt Harris, zo'n tactische training, zet het maar in je boek. Aan tafel wordt doorgeklaagd over de training, zouden de blessures toch niet daardoor komen? Anderen vinden van niet, het is doodgewoon pech en jullie moeten niet zo zeiken. Jeffrey vertelt dat hij in zijn eerste jaar bij Heerenveen langdurig geblesseerd was, Barry vertelt dat hij de eerste weken bij Heerenveen nauwelijks kon eten, zo zwaar was het. Arjan Ebbinge is stil, hij komt bij van een zware keelontsteking die nog niet helemaal over lijkt.

Als de voorbespreking achter de rug is, vraagt iemand wie van de aanwezigen er morgen om kwart over zes moeten zijn. Iedereen, zegt F., behalve Jacques Storm en Kees, want die heeft alles opgeschreven en hoort dus tot de vijand.

Kees ’t Hart, Het mooiste leven…

Uitg. Hard Gras