Het rechtengevecht rond genetische informatie

Kijk uit met DNA

Het ziet er op dit moment naar uit dat grondrechten als veiligheid en rechtvaardigheid zwaarder beginnen te wegen dan privacy en integriteit van het lichaam. Terwijl met name omtrent het afnemen en opslaan van DNA-materiaal ten behoeve van de bestrijding van de criminaliteit de laatste jaren veel te doen was. «Je hebt altijd iemand nodig die zegt: ho, ho, gaan we niet veel te ver?»

De veiligheid was een hamerstuk tijdens de formatiebesprekingen tussen CDA, LPF en VVD. Over een strengere aanpak van recidiverende criminelen, de invoering van een algemene identificatieplicht en de toepassing van DNA-onderzoek hoefde niet lang gesproken te worden. In den lande was geen proteststem te horen. En dat terwijl met name omtrent het afnemen en opslaan van DNA-materiaal ten behoeve van de bestrijding van de criminaliteit de laatste jaren veel te doen was. In oktober 2000 verkondigde CDA-parlementariër Wim van de Camp dat wat hem betrof een DNA-paspoort kon worden gemaakt van alle pasgeboren baby’s in Nederland. Dat was een brug te ver voor het CDA. Want het is nog altijd niet duidelijk welk inzicht het erfelijke materiaal biedt; de kennis en de technologie om DNA-materiaal te doorgronden, neemt nog altijd toe.

Inmiddels heeft VVD-minister Bengt Korthals van Justitie tot tweemaal toe, zij het aarzelend, besloten de barrières voor het afnemen en opslaan van DNA-materiaal voor opsporingsonderzoek te verlagen. Aanvankelijk mocht slechts materiaal worden opgeslagen van personen die werden verdacht van misdrijven waar acht jaar gevangenis of langer op stond. Die grens is inmiddels verlaagd tot vier jaar. In februari nam het parlement bovendien een wet aan die het vanaf 2004 mogelijk maakt DNA op te slaan van eenieder die zich schuldig heeft gemaakt aan gewelds- of zedenmisdrijven. De DNA-samples worden bewaard door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), het voormalige Gerechtelijk Laboratorium, in Rijswijk.

Jan Holvast, van Holvast & Partner, een privacyadvies- en onderzoeksbureau: «We weten nog lang niet genoeg van DNA om het vast te leggen in een databank. Zolang je niet weet wat je in handen hebt, moet je daar niet aan beginnen. Als DNA werkelijk alleen zou kunnen worden gebruikt voor de identificatie van personen, zou het geen probleem zijn. Maar aan de hand van DNA kun je historische kenmerken en voorspelbaarheid van ziektes analyseren. Een databank is nooit waterdicht.»

Een woordvoerder van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam: «Als de politie kwaad zou willen, kan dat. Het hangt af van de biologische sporen die worden opgeslagen. In principe maakt men alleen gebruik van ‹junk-DNA›, maar afhankelijk van het materiaal dat men in handen heeft, zijn er ook veel uitgebreidere en omslachtige tests te doen die iets zeggen over bijvoorbeeld de aanleg voor ziektes van de persoon in kwestie.»

Het NFI slaat niet alleen het uit junk-DNA verkregen profiel op, maar ook celmateriaal (haren, bloed, wangslijm, sperma en huidcellen). In juli 1999 bleek dat het NFI sommige DNA-profielen te lang bewaarde; van wie niet langer onder verdenking staat, moet het erfelijke materiaal worden vernietigd. Hetzelfde gold voor het celmateriaal. Twee jaar later trok het NFI zelf aan de bel toen bleek dat de hand werd gelicht met de regels. Inmiddels heeft justitie de regels en het toezicht verscherpt en de toegang tot de databank beperkt tot «slechts enkele daartoe geautoriseerde personen».

Onduidelijk is van hoeveel personen nu precies biologisch materiaal en DNA-profielen in de databank zijn opgeslagen. In juli 1999 werd de omvang van de databank door het NFI geschat op tweeduizend profielen. In februari maakte minister Korthals bekend dat er nu genetisch materiaal van 1436 personen is opgeslagen, en dat die hoeveelheid over vijf jaar zal zijn uitgebreid tot veertigduizend. In andere publicaties wordt echter gerept van «bijna vierduizend profielen». Volgens een woordvoerder van het NFI is de getalsmatige verwarring te wijten aan het verschil tussen kernhoudend DNA en zogenaamd mtDNA, verkregen uit de mitochondriën. MtDNA is veel minder betrouwbaar dan kernhoudend DNA. Het mag daarom nooit als sluitend bewijsstuk worden gebruikt. Toch werd dat geprobeerd in de Puttense moordzaak. Op grond van een profiel verkregen uit mtDNA probeerde het Openbaar Ministerie een van de verdachten die al zeven jaar in de cel zat langer vast te houden. Hij bleek onschuldig.

Uit een enquête van het Nipo in februari 2001 bleek dat meer dan negentig procent van de ondervraagden bereid was DNA af te staan voor politieonderzoek, en 43 procent geen problemen had met het opslaan van het DNA van de hele Nederlandse bevolking in een blijvende databank. Naar verluidt was minister Korthals verbluft door deze uitslag.

Machiel Zwanenburg, hoogleraar onderzoeksmethoden en wetenschapsfilosofie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam: «De efficiency wint het zo zoetjesaan van de privacy. De samenleving is zeer individualistisch geworden. Het is ‹ik› tegenover ‹de anderen›. Men heeft niet door dat men ook de eigen bescherming opgeeft, en niet slechts die van de ander. Het gebruik van DNA-profielen past mooi in het verstoorde veiligheidsgevoel. Er worden toch criminelen door gepakt? Dát is wat de deskundigen ons vertellen. En die geloven we. We nemen zelfs hun terminologie over.»

Volgens Zwanenburg heeft het goedkoper worden van DNA-analyses bij een frequentere toepassing, gecombineerd met het in de media breed uitgemeten DNA-onderzoek in schokkende delicten als de Puttense moordzaak, en de verkrachtingsmoorden op jonge meisjes als Sybine Janssons en Marianne Vaatstra, ertoe geleid dat de weerstand tegen DNA-onderzoek sterk is afgenomen. Ongeacht het feit dat het afnemen en analyseren van erfelijk materiaal, en zeker het opslaan ervan, een inbreuk kan vormen op de persoonlijke levenssfeer.

In september 2000 ontstond commotie toen bleek dat sinds 1994 bloedmonsters uit de hielprik van zo’n 1,4 miljoen Nederlandse kinderen werden bewaard. Op de monsters werd volgens een betrokkene «grootschalig medisch onderzoek verricht». Besloten werd dat ouders die daar bezwaar tegen hadden de monsters konden laten vernietigen. Twee maanden later werd bekend dat de medische, genetische en stamboomgegevens van de hele 270.000 zielen tellende IJslandse bevolking waren bijeengebracht in een databank die vervolgens werd verkocht aan een commercieel biotechnologisch bedrijf.

Inmiddels is Groot-Brittannië in rep en roer nu blijkt hoe makkelijk het is om onrechtmatig verkregen biologisch materiaal (uit de haren van een tandenborstel, op een sigarettenpeuk of een koffiekopje) via het internet te laten analyseren, en bijvoorbeeld te gebruiken (veel meer is nog niet mogelijk) om vaderschap aan te tonen. Een officiële adviescommissie van de regering heeft voorgesteld dergelijke praktijken te verheffen tot criminal offense. In Engeland bevat de officiële DNA-database al meer dan een miljoen profielen. Volgens David King van Human Genetic Alert slaat de politie van elke wetsovertreder genetisch materiaal op. King: «Er is een gen geïsoleerd dat aangeeft dat iemand rood haar heeft. De politie voert dusdanige analyses uit dat het mogelijk is om in een lijst te zoeken naar DNA-profielen van mensen met rood haar die in de databank zitten. Er wordt biomateriaal ingevroren. Men zoekt naar specifieke ziektes in het materiaal van zware misdadigers, zodat ze kunnen worden opgespoord aan de hand van dokterslijsten.»

Ook in Amerika en Canada wordt erfelijk materiaal van grote groepen verdachten langdurig opgeslagen. In Canada trok de vrouwenbeweging ten strijde tegen het inzetten van DNA-profielen bij het oplossen van verkrachtingszaken — iets waar het DNA-gebruik juist om wordt geroemd. Volgens de Canadese organisatie Rape Relief and Woman’s Shelter leidt dat er juist toe dat rechtszaken moeilijker zijn op te lossen. Daders zullen de daad niet meer ontkennen, maar het erop gooien dat de vrouw instemde met seks.

Machiel Zwanenburg wordt vooralsnog niet zenuwachtig van deze ontwikkelingen. Hooguit is hij «mild verontrust». Zwanenburg: «Het is natuurlijk geen goede ontwikkeling. Maar er zal ook een reactie komen. Ongetwijfeld maken wij ons om deze dingen over een jaar of tien minder druk dan nu. Toen de eerste auto in het verkeer verscheen, liep daar nog iemand met een rode vlag voor. Zó bang waren de mensen voor dat ding. Nu vallen er ik weet niet hoeveel verkeersslachtoffers. Ook dat was een proces van gewenning.»

Volgens Anne van der Meiden, communicatieprofessor in ruste, is het een gangbaar ethisch principe dat misdaadbestrijding boven privacy gaat. «Anders verwordt privacy tot een onaantastbare mythe waarmee iedereen aan de loop kan gaan. Ook misdadigers.» Ook in het recente verleden waren er reeds tekenen van een verdwijnende privacygevoeligheid. Toen in 1998 de Koppelingswet een feit werd — bedoeld om het aantal illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen uit te dunnen — en allerlei geautomatiseerde bestanden met elkaar werden vergeleken om hen van voorzieningen uit te sluiten, was er aanvankelijk veel verzet. De toepassing van de wet is alleen maar verbreed, en niemand protesteert meer. Zwanenburg: «Er zijn tegenwoordig mensen die hun medisch paspoort op het internet zetten. Beveiligd met een wachtwoord, dat wel. Dat doen ze voor het geval hun in een ver buitenland iets overkomt. Dan kan men zijn wachtwoord aan een specialist geven, die de medische gegevens vervolgens van het internet haalt. U heeft geen keus, redeneert u: u wilt adequaat medisch behandeld worden. De volgende stap kan zijn dat iemand een hypotheek wil afsluiten voor een droomhuis. Maar daarvoor moet wél duidelijk worden dat hij lang genoeg zal leven om de boel te kunnen afbetalen. Geen nood, u geeft uw wachtwoord. Dergelijke processen verlopen sluipenderwijs. Ze vallen niet te sturen met grote parlementaire debatten.»

Het gaat om de waardering van grondrechten, meent Zwanenburg, en die is onderhevig aan verandering. Momenteel ziet het ernaar uit dat grondrechten als veiligheid en rechtvaardigheid zwaarder beginnen te wegen dan privacy en integriteit van het lichaam. «Van oudsher, ook in de meest klassieke liberale opvatting, geldt dat de politiek fundamentele waarden dient te beschermen. Het is daarom een taak van de politiek om heldere beschermingsregels te formuleren, en steeds weer duidelijk te maken waarom die bescherming van belang is. We kunnen er met z’n allen voor kiezen alles weg te geven, maar dat is niet verstandig, dan kunnen we niet meer terug. Er moeten heldere politieke keuzes worden gemaakt. Memories van toelichting, goed Postbus 51-werk. Geen tijdelijke acties, maar blijvende wetgeving en voorlichting. Democratie is een systeem van checks and balances. Je hebt altijd iemand nodig die zegt: ho, ho, gaan we niet veel te ver?»