HAZELNOTEN PLUKKEN IN TURKIJE

‘Kijk wat ze ons aandoen’

Turkije verdient jaarlijks twee miljard dollar met de export van hazelnoten. Onder de plukkers zijn veel Koerden. ‘Ik zou willen dat we terug konden gaan, zodat hun hazelnoten in de bomen verrotten.’

HAZELNOTEN ZIJN belangrijker dan vuur. Dat was de boodschap van de reclamespot die een paar jaar geleden op de Turkse televisie werd uitgezonden. Het ging als volgt: in het stenen tijdperk zitten twee vrouwen in een grot hun eigen mannen op te hemelen. De een zegt tegen de ander dat haar man het vuur heeft uitgevonden. De ander – mooier en sensueler – antwoordt dat dat niet te vergelijken is met wat haar man de mensheid heeft geschonken. ‘Mijn man heeft de hazelnoten ontdekt’, zegt ze met een twinkeling in haar ogen. Buiten staat de hazelnootheld op een rots, slaat met zijn vuisten op zijn borst en roept zijn vrouw. Hij heeft alweer zin in haar omdat hij een handjevol hazelnoten heeft opgegeten. ‘Ik moet gaan’, zegt de vrouw blij.
De Koerden die zich hier, aan de rand van de stad Konya, op de nachtelijke uren voorbereiden, hebben vandaag geen hazelnoten gegeten. De afgelopen maanden ook niet. Hazelnoten zijn onbetaalbaar voor deze mensen. Maar ze kunnen die nootjes wel plukken. Dat gaan ze dan ook doen. Elk jaar gaan naar schatting tweehonderdduizend Koerden naar het noorden om het karwei te klaren. Ze slaan hun tenten op. Als het donker wordt, maken een paar mannen een groot vuur. Vrouwen en kinderen komen erbij zitten. De vlammen dansen in hun licht weerkaatsende ogen. De krakkemikkige busjes die ze hebben gehuurd staan even verderop geparkeerd.

Een vrouw rent achter een van haar zonen aan die tegen de wil van zijn ouders het parkeerterrein heeft verlaten. De jongen krijgt een paar klappen. Hij huilt. Even later komt moeder thee schenken. In gebroken Turks zegt ze, zo nu en dan haar dunne, witte hoofddoek rechtzettend: ‘Als we elke dag werk hebben op de hazelnootvelden komen we de winter wel goed door. Maar vaak betalen de veldeigenaren niet het hele bedrag. Elk jaar komen ze met de smoes dat we niet ons best hebben gedaan. Dan houden ze een deel van ons geld in. Moge Allah ons een goed plukseizoen gunnen. We hebben het nodig.’
Ze heet Fatma en is zo dun als een potlood. Je zou niet zeggen dat ze vier kinderen heeft gebaard. Zij, haar man en drie kinderen gaan dit jaar plukken. Het jongste kind is vier jaar, zij zal verzorgd moeten worden. Fatma’s man Bekir rekent uit hoeveel ze kunnen verdienen als het allemaal meezit: ‘Twintig lira per dag per persoon. Honderd lira voor vijf personen. In twee maanden maakt dat zesduizend lira. Tweeduizend lira gaat op aan reizen, eten en drinken. Houden we vierduizend over. Als er geen tegenslagen zijn natuurlijk.’ Vierduizend lira is 2200 euro.
Een grote pan wittebonensoep wordt op het vuur gezet. Als het eten klaar is, dompelen de families broodstukjes in de soep en verorberen het. Ze doen denken aan de aardappeleters van Van Gogh. Zoals de gezichten van de Brabanders op dat schilderij de kleur hebben van stoffige, ongeschilde aardappels, zo zijn de gezichten van deze hazelnootplukkers bijna net zo bruin als hazelnoten.
Het eten is snel op. Een van de oudere mannen steekt een goedkope sigaret op en zingt: ‘Zoon, lieve zoon. Laat mij een roos zijn in jouw tuin. Ik ben zelfs dat niet waard. Moge die roos verbranden en as worden. Zoon, lieve zoon. Laat me jouw slaaf zijn. Het geeft niet dat ze mij je slaaf noemen…’
Kinderen en vrouwen gaan de tenten in. Mannen blijven achter om nog even te babbelen. ‘We moeten zuinig doen’, zegt een van hen. ‘Het geld dat we straks verdienen willen we niet opmaken aan de reis. Daarom huren twee of drie gezinnen samen een busje. Bij het kleinste ongeluk vallen er doden. We weten dat, maar er is niets aan te doen. Wij hebben tenminste nog busjes. Een heleboel mensen worden in vrachtwagens gepropt.’
De laatste glaasjes thee zijn ook opgedronken. Het vuur sterft langzaam. Ook de mannen gaan de tenten in. De krekels zingen. Het wordt morgen een zware dag.

Het is onmogelijk om de hazelnootplukkers bij te benen. Al voor zonsopkomst hebben ze hun tenten ingepakt en zijn gaan rijden. Met honderden busjes tegelijk rijden ze richting Ankara om daar een splitsing te nemen. Als ze het Zwarte Zee-gebied naderen gaan ze verschillende kanten op.
Het hele noorden heeft arbeiders nodig. De hazelnoten groeien langs de hele kust. In de rest van de wereld zijn er geen hazelnoten die kwalitatief in de buurt kunnen komen van deze. Chocoladeproducenten willen alleen de Turkse hazelnoten. De Turkse hazelnootsector is zo groot dat rond de acht miljoen Turken en Koerden er geheel of gedeeltelijk van rondkomen. Zolang mensen hazelnoten in hun chocoladerepen willen, zal dat niet veranderen. Turkije verdient elk jaar twee miljard dollar met de export.
Voorbij Ankara wordt het nog drukker op de weg. De ‘Koerdenbussen’ zijn als dartele kinderen die staan te popelen om de groene heuvels te bereiken. Er wordt niet meer gestopt, geen eetpauzes meer. De Zwarte Zee openbaart zich langzaam in de stad Samsun. Nog een paar uur doorrijden en de hazelnootvelden worden zichtbaar. Maar eerst moeten de Koerdische mannen met hun ongeschoren gezichten velden vinden waar ze kunnen kamperen. Een hels karwei, omdat de bestuurders van de steden de Koerden liever kwijt dan rijk zijn. De velden vlak bij de steden zijn opeens verboden terrein voor de Koerden.
De eerste echte hazelnootstad is Ordu. Noch de gemeente, noch de gouverneur wil de Koerden toegang geven tot het centrum van de stad. Ze hebben in Turkse kranten gezegd dat deze maatregelen in het voordeel zijn van de plukkers. Ze zijn volgens hen bedoeld om de arbeiders te behoeden voor ongeregeldheden die plaatsvinden wanneer ze in de Turkse steden komen. Ook is het gevaarlijk om langs de beken te kamperen, omdat bij hevige regen de tenten in een mum van tijd onder water staan en er zelfs levensgevaar dreigt.
De Koerden die net komen aanrijden, verkeren in paniektoestand. Een woedende twintiger zegt met trillende stem: ‘Ze zijn racisten. Dat is het. Ze willen geen Koerden in de stad omdat ze racisten zijn. In hun ogen zijn we allemaal pkk-terroristen. Ik zou willen dat we bij machte waren om terug te gaan, zodat hun hazelnoten in de bomen verrotten. Maar we kunnen dat helaas niet. Ik voel me machteloos. God heeft ons zo geschapen dat we afhankelijk zijn van deze racisten.’ Hij staat op het punt om te gaan huilen.
Sommigen willen zo snel mogelijk met werken beginnen. Ze geloven niet dat het elders beter is dan in Ordu en verspreiden hun gezinnen over de velden. De rest trekt verder naar de buurstad Giresun. Daar gelden dezelfde regels, zo wordt via mobiele telefoons doorgegeven. Ook daar geen toegang tot het centrum en geen kampeerveld. De Koerden worden er ook nog eens onderworpen aan een strenge identiteitscontrole.

De mannen vinden een verlaten industrieterrein buiten de stad. Er is geen water in de buurt, het is er stoffig en de ruimte is te klein om de tientallen gezinnen te herbergen. Het vorige veld, waar een beek stroomde, lonkt in de verte.
‘Dit doen ze elk jaar met ons. Als het echt moet, gaan we stiekem de stad in. Wat moet je anders?’ zegt Seyhmus, die voor de twaalfde keer hazelnoten komt plukken. ‘De ramadan is deze maand in september. Hopelijk krijgen ze ten minste in die maand medelijden en kunnen we hier in betere omstandigheden verblijven. Kinderen worden zonder twijfel ziek straks. En we kunnen niet eens naar de apotheek in de stad om medicijnen te halen.’
De tenten staan, de vrouwen hangen de was aan touwen die aan de busjes zijn geknoopt. De kinderen rennen rond. De mannen worden zonder tijdverlies meteen aan het werk gezet.
Dit jaar puilen de heuvels uit van de hazelnoten. Het wordt een jaar met een van de beste oogsten. Hoe meer er gewerkt wordt, hoe beter. De Koerden gooien de noten in mandjes die ze om hun middel hebben gebonden.
Gelukkig wordt het snel avond. De arbeiders, die zeshonderd kilometer in een volgepropt busje achter de rug hebben, kunnen eindelijk gaan zitten. Een eigenaar van een van de velden komt eten brengen. Deze baas hanteert de regel dat hij voor het eten zorgt, maar per arbeider wel vijf lira per dag minder betaalt. Een regel waar de vrouwen vooral goed mee kunnen leven. Ze hoeven niet te koken en kunnen net als de mannen uitrusten.
De schemer valt. In de verte ligt Ordu, aan het water, de heuvels bezaaid met huizen… een schilderachtige stad waar de Koerden geen voet binnen mogen zetten.

Azad, die zijn gezin heeft ondergebracht in een tent op het veld waar hij werkt, zegt: ‘Ze hebben het zo vaak over de Europese Unie. Wat kan de Europese Unie doen aan onze situatie? Het Turkse leger heeft drieduizend Koerdische dorpen in de fik gestoken. Ik woonde in een van die dorpen. Ik had een goed leven daar. Nu ben ik seizoenarbeider geworden. Ik zweer het, als ik twintig jaar jonger was geweest en vrijgezel, dan was ik ook de bergen in gegaan om tegen de staat te vechten. Kijk wat ze ons aandoen. En wat doet Europa? Helemaal niets.’
Ik mag de stad wel in. Met lichte gêne loop ik door de straten. Ik ga een muziekwinkel in en vraag of ze het liedje kennen dat begint met de woorden ‘Zoon, lieve zoon. Laat mij een roos zijn in je tuin’. Ze kennen het niet.
Een dag later ga ik terug naar de velden. Het motregent. Nog zwaardere omstandigheden voor de arbeiders. Plukken in natte bomen en slapen in de modder. De jongen die een dag eerder bijna begon te huilen blijkt een goede werker. Zijn boosheid is weg. De ene hazelnoot na de andere verdwijnt in snel tempo in zijn mandje. ‘Ga je vanavond mee naar de stad?’ vraag ik hem. Natuurlijk wil hij mee. Het is een geweldige kans om met de regels te breken.
Enkele uren later haal ik hem op. Trots vertelt hij aan iedereen dat hij met een journalist de stad in gaat en of ze iets nodig hebben. Hij heet Ismail en is 24 jaar oud.
Na het avondeten in een restaurant kopen we bier en gaan op een rots zitten bij de zee. We eten zonnebloempitjes. Ik vraag hem of hij het gedicht van Nazim Hikmet kent dat als volgt begint: ‘Ik ben een walnotenboom in het park Gulhane. Jij hebt mij niet in de gaten en de politie ook niet.’ Hij lacht, de Koerdische plukker van wie de politie niet weet dat hij in de voor hem verboden stad vertoeft.
‘Wat ze hier met ons doen is voor ons onbegrijpelijk, omdat wij in onze streek altijd zo gastvrij zijn’, zeg Ismail. ‘Als mensen bij ons op bezoek komen, krijgen ze het beste eten, ook al blijft er voor ons niets over. Aan de andere kant weet ik dat ze bang zijn dat onder ons pkk-militanten zitten. Maar op deze manier zorgen ze ervoor dat meer jongeren zich bij de pkk aansluiten.’
Met het geld dat hij hier verdient wil hij volgend jaar trouwen. De vader van het meisje vraagt een bruidschat van vijfduizend lira. Nog even doorwerken dus.
Ik vraag of hij het liedje kent dat begint met ‘Zoon, lieve zoon…’ Hij kent de tekst. Samen doen we een poging. Maar zoals die oude Koerd het zong in Konya, daar kunnen wij niet aan tippen. Bij die man had zelfs de maan zijn oor te luisteren gelegd.
Ik vertel hem dat ik in een supermarkt in Istanbul ooit die mooie, sensuele vrouw had gezien die speelde in die reclamespot voor hazelnoten, de vrouw van de man die de hazelnoten had ontdekt. Ismail vraagt of ze in die winkel hazelnoten aan het inslaan was. We lachen. Hazelnoten geplukt door de eeltige handen van Ismail. Hij koopt in de apotheek pijnstillers en een middel tegen luizen: ‘De kinderen krijgen vast weer luizen in hun haren.’
Ik breng hem terug naar zijn tent. Deze keer geen controle onderweg. De opslagplaatsen raken langzaam vol met de beste hazelnoten van de wereld.