De aanpak van Syriëgangers

‘Kijk, ze willen je niet eens terug’

De val van het IS-kalifaat is aanstaande. De AIVD waarschuwde voor een stijging van de terugkeer van vooral de geharde strijders. Hoe moet Europa hiermee omgaan? ‘Het inkrimpen van vrijheden zal terreurorganisaties als IS alleen maar voeden.’

Medium gettyimages 590679987
IS-strijder op een buit­gemaakt gevechtsvliegtuig in Raqqa, Syrië, 2015 © Universal History Archive / Getty Images

‘Gisteren is een belangrijk IS-bolwerk nabij het Iraakse Mosul gevallen. Maar het westen van de stad is nog niet helemaal veilig’, zegt jihad-onderzoeker Pieter van Ostaeyen, die aan de Katholieke Universiteit in Leuven promoveert op de verschillen tussen al-Qaeda en Islamitische Staat in het gebruik van sociale media. Hij volgt de ontwikkelingen op de voet. Niet alleen in Irak verliest terreurgroep IS rap terrein. In juni begonnen strijders van de Syrische Democratische Strijdkrachten, geholpen door de Amerikaanse luchtmacht, met de finale aanval op Raqqa, in 2014 door IS uitgeroepen tot hoofdstad van het kalifaat. ‘Meer dan zestig à zeventig procent van Raqqa is terugveroverd’, zegt Van Ostaeyen. Er is echter geen reden voor een hosanna-gevoel. Bij de strijd vallen veel burgerslachtoffers. Bovendien is de terreurgroep nog lang niet verslagen. ‘IS heeft veel strijders geëvacueerd, als dat het juiste woord is, naar Deir-ez-Zor en het zuidoosten. Daar is de terreurgroep nog sterk en heeft het olievelden. Maar zelfs als we erin slagen IS helemaal op te rollen, dan is een oplossing van het probleem nog ver te zoeken. Het zal ons nog jaren, zo niet decennia, bezighouden.’

Onder de IS-troepen bevinden zich vele buitenlanders, die de afgelopen jaren gehoor gaven aan de oproep van de terreurgroep zich in het kalifaat te vestigen. Op het hoogtepunt waren het er veertigduizend, stelt Alastair Reed, directeur van International Centre for Counter-Terrorism (icct) in Den Haag. Eind vorig jaar was hun aantal geslonken tot zo’n vijftienduizend. De groep buitenlanders bestaat niet alleen uit mannelijke strijders, maar ook uit vrouwen en kinderen. Tunesië is met zes- tot achtduizend uitreizigers topleverancier, terwijl de Europeanen met vijfduizend personen een minderheid vormden. Tot 1 juli 2017 zijn in totaal circa 280 Nederlanders uitgereisd, meldt het Openbaar Ministerie. ‘In mijn database heb ik zo’n 650 personen die uit België zijn vertrokken of een poging daartoe hebben gedaan’, stelt Van Ostaeyen.

De redenen om naar islamitische strijdgebieden af te reizen kunnen enorm uiteenlopen. ‘Een deel van de mensen is boos en wil wat doen vanwege het onrecht in de wereld, zoals de illegale inval in Irak en de Syrische dictator Assad die zijn hele volk in de tang heeft’, zegt Christophe Paulussen, senior onderzoeker bij het Asser Instituut en icct. ‘Een andere factor is dat veel moslims zich hier niet thuis voelen, vanwege het wij-zij denken in onze landen en de politiek van uitsluiten. In een rebelse periode voelen sommigen zich aangetrokken door IS en gaan domme dingen doen. Ook problemen in het privéleven kunnen meespelen. Mensen hopen dat ze straks in Syrië of Irak macht, wapens en vrouwen krijgen. Vertrekken kan een “reset” zijn. Uitreizigers kunnen worden aangetrokken door het idee van kameraadschap. Het kan ook een vlucht zijn omdat ze een strafblad hebben. Die laatste groep mensen denkt – soms terecht – dat ze bij IS worden gewaardeerd omdat ze bepaalde criminele vaardigheden hebben. Sommigen zullen zo aangetrokken worden door oorlog, chaos en crimineel gedrag dat ze hierna – als ze het overleven – naar een ander (oorlogs-)gebied zullen gaan waar ze kunnen doen wat ze willen.’

Sinds de inkrimping van het kalifaat is de stroom buitenlandse strijders naar Syrië echter nagenoeg gestopt. De grenzen zitten dicht. Ook veranderde IS vorig jaar van retoriek. De IS-woordvoerder verklaarde dat mensen niet langer naar het kalifaat hoeven te komen, maar thuis kunnen blijven om in eigen land aanslagen te plegen. ‘De kaart van rechtmatige vergelding wordt openlijk gespeeld’, zegt Van Ostaeyen. Na de oproep volgden door IS geïnspireerde aanslagen in Nice, Londen, Stockholm en Barcelona. Ondanks de barrières is het enkele maanden geleden nog één jonge Marokkaanse Nederlander uit Arnhem gelukt zich bij de rebellengroep Jahbat Al-Nusra (Jabhat Fateh al-Sham) in de Syrische regio Idlib te voegen. ‘Hij zocht contact met mij via Twitter’, zegt Van Ostaeyen. In zijn laatste tweets beweerde de Arnhemmer, die zich Abu Muawiya noemde, dat er honderden strijders klaarstaan om in Nederland aanslagen te plegen. ‘Ik vind dat nogal ongeloofwaardig’, zegt Van Ostayen. ‘Maar cruciaal is: is deze mens in staat anderen tot geweld aan te zetten.’ Ook bedreigde de jihadi via Twitter journalist Harald Doornbos die in de regio op reportage was. ‘Als ik jou vind, ga ik met je afrekenen.’

In 2013 doken de eerste verhalen op over Nederlandse uitreizigers, toen ouders in de Haagse Schilderswijk aangifte deden van vermissing van hun kind. ‘Een enkele Europese politicus opperde indertijd: laat de mensen die willen afreizen maar gaan als ze zich in Syrië of Irak bij rebellengroepen willen voegen. IS was toen nog niet prominent in zicht. Deze politici dachten het probleem te kunnen verplaatsen’, aldus Reed, en hij vervolgt: ‘Het was een opvatting die je kunt huldigen, maar die politici dachten niet na over de gevolgen.’

De toenmalige Belgische regering onder premier Di Ruppo sprak zich weliswaar niet expliciet op deze manier uit, maar de overheid ondernam in de begintijd nauwelijks actie om uitreizen te voorkomen, zegt Van Ostaeyen. ‘Ik had toen al 385 uitreizigers in mijn database staan. Maar men vond dat ik overdreef en de boel sensationaliseerde. Men stelde dat het probleem zich vanzelf wel zou oplossen zonder dat wij er last van zouden hebben. Die redenering klopte natuurlijk niet, want we kunnen die personen wel laten vertrekken, maar ze zullen in die landen vreselijke misdrijven begaan.’ De wereld kon online op IS-video’s zien hoe de Britse Mohammed Emwazi, alias Jihadi John, westerse journalisten en hulpverleners onthoofde en Syrische soldaten liet vermoorden. In november van dat jaar zou de negentienjarige Maastrichtse student Sultan Berzel, alias Abu Abdullah al-Hollandi, zich met een bomvest opblazen op een politiebureau in Bagdad, met 23 doden tot gevolg.

Het fenomeen is niet nieuw. Eerder vertrokken Europeanen op eigen houtje om mee te vechten in voormalig Joegoslavië. ‘Maar de schaal van het probleem is nu veel groter. Overheden raakten overweldigd door de aantallen strijders’, zegt Paulussen. Op internationaal niveau is het probleem vanaf 2013 opgepakt. ‘Achter de schermen begonnen de Europese landen intensiever samen te werken, want men zag in dat deze mensen zich niet in één land ophouden, maar juist reizen. Er werd veel informatie uitgewisseld om mensen te kunnen volgen’, aldus Reed.

In september 2014 nam de VN Veiligheidsraad resolutie 2178 aan die staten opriep tot het nemen van maatregelen om terrorisme te bestrijden. Elk land zou een eigen aanpak kiezen. Er bestaat geen wondermiddel. Aan elke maatregel zit een keerzijde. ‘In een soort paniek is er veel uitgeprobeerd. In sommige landen, zoals Frankrijk, was sprake van een ware legislation fever. Politici kondigden en namen telkens nieuwe wetten aan, zonder dat de bestaande mogelijkheden goed waren getest’, zegt Paulussen.

Ook voor de Nederlandse autoriteiten was het zoeken. In eerste instantie werden Maher H. en zijn vrouw Shukri F. op 17 juli 2013 op het Centraal Station van Rotterdam door de politie aangehouden. Hij werd echter niet van een misdrijf beschuldigd en vrijgelaten. Maar bij het doorzoeken van zijn spullen zag de politie wel dat hij had gezocht op de termen ‘jihad’, ‘Syrië’, ‘Taliban’ en ‘terrorisme’. In chatberichten had hij gezegd dat als hij tijdens de jihad zou omkomen, het zo moest zijn. Maher H. zou alsnog naar Syrië vertrekken, waarna Shukri F. hem volgde.

Nederland zou een heel pakket aan bestuurlijke maatregelen ontwikkelen. Het werd gemakkelijker om mensen meteen thuis te stoppen als de autoriteiten signalen kregen dat zij reisplannen hadden. Zo verklaarde Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, Dick Schoof, begin dit jaar dat Nederland 299 paspoorten heeft ingenomen van mensen die wilden vertrekken. Bij het verhinderen van uitreizen behoort ook het bevriezen van bankrekeningen tot de mogelijkheden waardoor het voor mensen moeilijker wordt hun reisplannen te financieren. Bij banken houden medewerkers verdachte overboekingen in de gaten.

Een enkeling kreeg een gebiedsverbod opgelegd, waardoor deze personen zich niet langer in de omgeving van bijvoorbeeld een moskee mochten ophouden om te voorkomen dat ze anderen zouden inspireren. ‘Het is in principe goed om afreizen te voorkomen, zodat mensen geen misdrijven kunnen gaan plegen als zij in landen als Syrië en Irak aankomen, of als zij – getraind en mogelijk getraumatiseerd – terugkeren naar hun land van herkomst’, zegt Paulussen.

‘Men wil een signaal afgeven: als je bent afgereisd, kan het niet anders dan dat je bij de jihad betrokken bent’

Nederland heeft als beleid om Syrië- en Irakgangers geen hulp te geven als ze spijt hebben en terug willen komen. Zij moeten op eigen kracht proberen het kalifaat te verlaten en een consulaat zien te bereiken. Nederland zit niet op hen te wachten. Zo verklaarde premier Mark Rutte in 2015 tijdens een verkiezingsdebat dat Nederlanders die als jihadist naar Syrië of Irak reizen, beter daar kunnen sneuvelen dan terugkomen. Die kans is ook groot, want verblijf in deze contreien is levensgevaarlijk. Van de 280 Nederlanders zijn er volgens het OM weliswaar vijftig in geslaagd veilig terug te keren, maar zo’n 45 zijn omgekomen, aldus het laatste ‘dreigingsbeeld’ van het nctv. Strijders komen om bij bombardementen of gerichte acties. Westerse landen zoals de VS, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk werken in Syrië en Irak aan het liquideren van eigen jihadi’s zodat zij niet terugkeren. Nederland heeft niet zulke dodenlijsten, maar levert wel inlichtingen en kan indirect bijdragen aan de liquidatie van strijders van Hollandse bodem, zo schreef de NRC.

In een poging terugkeer verder te blokkeren heeft Nederland sinds maart, na een wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap, ruimere mogelijkheden om een uitreiziger het Nederlanderschap te ontnemen, mits deze persoon twee nationaliteiten heeft. ‘Het kon altijd al na een strafrechtelijke veroordeling, maar nu kan dat reeds na een besluit van de minister van Justitie’, legt Paulussen uit. Op 13 september 2017 liet het ministerie van Veiligheid en Justitie weten dat van vier Syriëgangers de nationaliteit is ingetrokken. Ze kunnen niet legaal naar Nederland terugkeren. ‘Ik heb echter principiële bezwaren tegen deze maatregel’, zegt Paulussen. ‘Het lijkt efficiënt, maar je maakt die persoon dan wel het probleem van een ander land. Deze maatregel past niet bij het internationale karakter van dit probleem.’ Reed is het met hem eens: ‘Je zadelt Turkije, Irak of andere landen met deze mensen op. Als het moeilijker is voor een buitenlandse strijder om terug te keren, steunt dit ook de propaganda van IS dat zal zeggen: kijk, ze willen je niet eens terug.’ In de Volkskrant stelde Hans Ulrich Jessurun d’Oliveira, oud-hoogleraar migratierecht aan de Universiteit van Amsterdam, dat het afpakken van de nationaliteit bovendien onrechtmatig is omdat het in strijd is met Europese verdragen.

In Nederland kan deze bestuurlijke maatregel alleen worden opgelegd als iemand een dubbele nationaliteit heeft. Paulussen: ‘Jij en ik zullen niet door deze maatregel worden getroffen. Vaak zijn het Nederlanders met tevens een Marokkaanse nationaliteit. Dit kan indirecte discriminatie zijn.’ De jurist is betrokken bij een groot internationaal onderzoek naar de effecten van het afnemen van de nationaliteit, van onder meer het Asser Instituut. Het Verenigd Koninkrijk kent ruimere mogelijkheden: genaturaliseerde onderdanen kunnen hun nationaliteit verliezen als zij vitale belangen van de staat hebben geschaad, zelfs als zij uitsluitend de Britse nationaliteit hebben. De consequentie is dat zij daardoor stateloos worden. ‘Dat is terug naar de Middeleeuwen’, aldus Paulussen.

Vervolging geldt als de meest repressieve aanpak en inmiddels is het strafrechtelijk instrumentarium om Syriëgangers aan te pakken verder uitgebreid, ook in de rest van de wereld.

Maher H. en zijn vrouw Shukri F. waren in januari 2014 weer terug in Nederland. Omdat het OM niet precies wist hoe het met de strafbaarheid van verblijf in Syrië zat, werden ze niet meteen aangehouden. ‘We wilden eerst een goede bewijspositie hebben’, schrijft het OM in een relaas op internet. Het is meestal niet gemakkelijk om aan bewijs te komen van betrokkenheid bij misdrijven in conflictgebieden. ‘Sommige strijders staan online trots op foto’s met hoofden die zijn afgehakt. Maar dan nog moet je bewijzen dat deze beelden echt zijn, en moet je weten wie het slachtoffer en de dader zijn’, zegt Paulussen.

Maher H. ontkende dat hij naar Syrië was gegaan om mee te vechten en verklaarde dat hij had geholpen met klusjes als voedselpakketten inpakken. Maar in beslag genomen spullen lieten een ander beeld zien. Op zijn telefoon werden foto’s gevonden waarop hij poseerde met een kalasjnikov. Maar het waren de sms-berichten naar zijn moeder die hem de das om deden. Hij had haar laten weten dat hij aan een ‘gewapende verrassingsaanval’ had meegedaan, aldus het OM. Maher H. was daarmee een strijder.

Hij was de eerste teruggekeerde Syriëganger die in Nederland werd veroordeeld. Op 1 december 2014 werd hij schuldig bevonden. Het was niet geheel duidelijk wat Maher H. nu precies in Syrië had gedaan, stelt Paulussen, maar de rechters vonden dat er voldoende bewijs was voor voorbereiding van moord en doodslag met een terroristisch oogmerk. Shukri F. werd vrijgesproken van ronselpraktijken. In hoger beroep kreeg Maher H. vier jaar (waarvan twee voorwaardelijk), en zijn vrouw een half jaar voorwaardelijk voor opruiing.

In die periode werkte justitie aan de zogeheten Context-zaak, die begon met aangiftes van ronselen maar werd uitgebreid tot diverse terroristische misdrijven. Inmiddels zijn rechtszaken voortdurend in het nieuws. Uit onderzoek van Brandpunt+ begin dit jaar bleek echter dat het grootste deel van de vijftig teruggekeerde Syriëgangers niet is vervolgd. Van de vijftien die wel een proces kregen, werd in ‘slechts drie uitspraken van de rechter deelname aan de strijd of trainen in Syrië en Irak bewezen verklaard’, aldus Brandpunt+. De meeste terugkeerders zijn vrij.

Medium anp 27629983
Still uit een door IS vrijgegeven video met vermoedelijke IS-strijders in 2014 © AFP / ANP

Omdat het lastig is om te bepalen wat iemand nu precies heeft gedaan in Syrië en Irak, kiezen aanklagers volgens Paulussen voor de volgende strategie: ‘Ze klagen mensen aan voor lidmaatschap van een terroristische organisatie. Je hoeft dan als OM “alleen” te bewijzen dat iemand zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie, maar je hoeft niet aan te tonen wat iemand exact heeft gedaan op het slagveld. Ook wordt “voorbereidingshandelen” aangevoerd, waarbij iemand bijvoorbeeld wordt verweten dat hij stappen heeft ondernomen om naar Syrië te gaan om daar mensen te gaan vermoorden. Zulke stappen zijn in Nederland strafbaar. De trend in Europa is dat het strafrecht steeds meer wordt ingezet als preventief middel. Sommige aanklagers zeggen: we willen mensen liever eerder kunnen vervolgen dan dat we het onderzoek pas beginnen ná een aanslag, op het moment dat we bij wijze van spreken de hersens uit de muur aan het peuteren zijn.’

Reed ziet het ook elders gebeuren: ‘In sommige landen willen aanklagers elke potentiële buitenlandse strijder vervolgen omdat het een afschrikwekkend effect zou hebben.’ In België, zegt Van Ostaeyen, wordt ‘iedereen die een link met IS en jihadisme heeft, meteen opgepakt. Als er strafbare zaken worden geconstateerd, volgt een rechtszaak.’

‘Iedereen die terugkomt moet minstens een half jaar worden vastgehouden voor onderzoek’

Momenteel werkt het OM aan dossiers van alle 190 Nederlanders die nu nog in het kalifaat verblijven (mannen, vrouwen en kinderen vanaf negen jaar), zodat zij eventueel bij verstek kunnen worden berecht. Paulussen: ‘Hiermee wil men een signaal afgeven: als je bent afgereisd, zeker na de zomer van 2014, kan het niet anders dan dat je bij de jihad betrokken bent en in Nederland tolereren we dat niet.’ Bij verstek veroordelen gaat echter zo makkelijk nog niet. Weliswaar veroordeelde de rechtbank in Den Haag op 27 juni 2017 drie verdachten bij verstek tot zes jaar cel vanwege deelname aan de gewapende strijd in Syrië. Maar een dag eerder stelde de rechtbank van Rotterdam dat tien afwezige verdachten het recht hebben hun proces bij te wonen en besloot over een half jaar de zaak nogmaals te bekijken.

Toch kan er ook een nadeel zitten aan strafrechtelijk vervolgen. Reed vertelt over een zaak in het Verenigd Koninkrijk waarbij de familie naar de politie was gestapt en meewerkte met het onderzoek, nadat twee vrienden naar Syrië waren vertrokken. Bij terugkeer werden de vrienden vervolgd en kregen een hoge gevangenisstraf van twaalf jaar. ‘Hoe gerechtvaardigd ook, er kunnen onbedoelde consequenties aan zulke straffen zitten. Een van de moeders zei: de politie heeft ons gevraagd om te helpen, en welke moeder zou dat hebben gedaan als ze wist dat haar zoon zo lang zou worden opgesloten. Het onderstreept het moeilijke evenwicht dat de politie en justitie moeten zien te bewaren. Terwijl ze voor tips vaak op familie en vrienden van buitenlandse terroristische strijders steunen, moeten ze ook voorzichtig zijn hen niet van het systeem te vervreemden.’

Er klinken ook pleidooien voor een internationaal tribunaal om jihadstrijders te vervolgen. ‘Maar Syriëgangers kun je gewoon nationaal berechten’, zegt Paulussen. ‘Gebruik het recht dat je al hebt. Als je al een internationaal tribunaal opzet, stuit je onherroepelijk op vragen als: welk recht ga je toepassen? Ga je bijvoorbeeld kijken naar terrorisme-zaken? Besef dan dat er geen internationaal erkende definitie van terrorisme bestaat. Om dat probleem te omzeilen zou men kunnen kijken naar misdrijven die wel goed gedefinieerd zijn in het internationale recht zoals oorlogsmisdrijven en genocide, denk daarbij aan de vervolging van jezidi’s door IS in het noorden van Irak. Maar dan nog. Hoe breng je het ten uitvoer? Zo’n tribunaal heeft geen eigen politiemacht en is voor bijvoorbeeld de arrestatie van verdachten dus afhankelijk van de medewerking van staten. Het zal buitengewoon lastig zijn. Niet in de laatste plaats omdat internationale vervolging, zeker van terrorismezaken, politiek ook nog eens heel gevoelig ligt.’

Hij verwijst naar de ontwikkelingen bij de UN Commission of Inquiry on Syria, de VN-commissie die al jaren onderzoek doet naar misdrijven in Syrië, en voorstelde om het Internationaal Strafhof het mandaat te geven om daders te vervolgen of een nieuw tribunaal op te zetten. Onlangs is commissielid Carla del Ponte, voormalig hoofdaanklager van de tribunalen voor Joegoslavië en Rwanda, gefrustreerd opgestapt. Paulussen: ‘Zij is weggegaan omdat de commissie werd tegengewerkt door China en met name Rusland. Moet je nagaan wat er gaande is, als iemand van haar kaliber er niet meer tegen kan.’

Hoe kijkt de onderzoeker aan tegen voorstellen om buitenlandse strijders ter plekke te vervolgen? ‘Ik ben er in principe wel voorstander van om strafzaken te laten plaatsvinden zo dicht mogelijk bij de mensen die onder het geweld hebben geleden. Ook is het gemakkelijker om ter plekke bewijs en getuigen te vinden. Alleen is dat nu nog niet aan de orde.’ Als hij in de toekomst kijkt, kan hij zich eventueel het volgende ‘verdeelmodel’ voorstellen. ‘Straks zullen Syriërs en Irakezen wellicht eigen onderdanen op hun eigen manier berechten en misschien zelfs wel amnestie verlenen, omdat het om zulke grote groepen gaat. Nederland en andere landen zouden dan de zaken kunnen doen van hun eigen onderdanen die naar Syrië en Irak zijn afgereisd. Daarnaast – maar daar zitten dus nog heel veel haken en ogen aan – zou er een internationaal tribunaal kunnen komen voor de berechting van kopstukken als Assad en IS-leiders.’

Zelfs detentie is een vraagstuk vol dilemma’s. Nederland heeft een aparte terrorismeafdeling in de Extra Beveiligde Inrichting in Vught. Van Ostaeyen: ‘Maar is het een goede zaak om ze allemaal bij elkaar te zetten? Nee, want ze peppen elkaar op. Moet je ze dan tussen andere gevangenen plaatsen? Ook dat kan slecht uitpakken omdat ze anderen kunnen aansteken. Eigenlijk weet niemand hoe we moeten omgaan met criminele terugkeerders. Hoe we ze moeten opsluiten, onder welke omstandigheden en hoe lang.’

In februari waarschuwde de aivd voor een stijging van terugkeerders nu het kalifaat verschrompelt en dat het vooral zal gaan om geharde strijders. De experts betwijfelen of het er veel zullen zijn. Dichte grenzen bemoeilijken eventuele terugkeer. ‘Ook IS houdt hen tegen, al was het maar om te voorkomen dat ze de vuile was buiten hangen over de gruwelijkheden die er plaatsvinden’, zegt Van Ostaeyen. Buitenlandse strijders die niet in Syrië of Irak blijven, zullen waarschijnlijk naar de Sinaï, Afghanistan, de Filippijnen, Kaukasus, Libië of Myanmar gaan. Die gebieden vormen een ‘veilige haven’ van waaruit ze mogelijk nieuwe aanslagen op Europa kunnen plannen, stelt Reed. Uiteindelijk zullen vooral de mensen zonder opties naar huis terugkeren. ‘Vrouwen met kinderen zullen eieren voor hun geld kiezen. Zeker als hun man is gesneuveld hebben ze vaak niemand die ze kunnen vertrouwen. Het is gevaarlijk voor ze om in IS-gebied te verblijven’, zegt Van Ostaeyen.

Onduidelijk is in hoeverre de terugkeerders een bedreiging vormen. De aivd wijst erop dat niet iedere terugkeerder een gevaar voor de veiligheid is. Het moet per individu worden bekeken. Reed: ‘Velen zijn gedesillusioneerd teruggekeerd omdat ze zagen hoe corrupt en gewelddadig IS was. Anderen zijn gestuurd om aanslagen te plegen. Maar waar ligt het omslagpunt dat je bereid bent om daadwerkelijk over te gaan tot geweld?’

Van Ostaeyen vindt dat voorzichtigheid geboden is. ‘Ze zijn niet noodzakelijk allemaal tikkende tijdbommen. Maar als je eenmaal op die weg bent, heb je een brandmerk op je ziel. Deze mensen waren getuige van onthoofdingen en zijn dat normaal gaan vinden. Ze zijn gewend geraakt aan barbarij.’ Hij verwijst naar de kinderen die bij IS zijn opgegroeid en getraind werden om te strijden. ‘Ik maak me daar grote zorgen over. Hoe moet het ooit goed komen met zo’n kind. Terugkeer in de maatschappij is eigenlijk onmogelijk. Maar je kunt hen moeilijk in kampen stoppen.’ Hij vervolgt: ‘Ik vind dat iedereen die terugkomt minstens een half jaar moet worden vastgehouden voor onderzoek.’

Zelfs als mensen worden vastgezet, komen ze ooit weer vrij. Er bestaan veel de-radicaliseringsprogramma’s, maar de meeste zijn niet op effectiviteit en resultaat onderzocht. Vaak verwijst men naar het Deense Aarhus, waar een zachte aanpak is ontwikkeld waarbij partijen als de gemeente, politie en jeugdzorg samenwerken. Als blijkt dat iemand geen strafbare feiten heeft begaan, wordt deze persoon intensief geholpen terug naar de maatschappij te keren en kan een woning en zelfs financiële ondersteuning krijgen. ‘De Denen zijn er positief over. Maar daar is het verschijnsel van uitreizigers een veel kleinschaliger probleem’, stelt Van Ostaeyen. Voor de harde kern heeft hij nauwelijks hoop. ‘Ik acht de kans klein dat mensen uit die kringen ook effectief deradicaliseren.’

De experts wijzen erop dat bij alle maatregelen weinig aandacht is voor echte preventie: voorkomen dat mensen überhaupt radicaliseren. Hier ligt een taak voor de gehele samenleving – burgers, politici, bedrijven, scholen – om te voorkomen dat moslims zich buitengesloten voelen en vallen voor de retoriek van terreurorganisaties. Spierballentaal en verharding werken dus contraproductief. Van Ostaeyen: ‘Het meest belachelijke is toch wel het verbieden van de boerkini’s, een idee dat in Frankrijk ontstond. Maar er zijn veel meer maatregelen die discriminatoir zijn voor moslims. Neem het invliegverbod in de VS. Het inkrimpen van vrijheden zal terreurorganisaties als IS alleen maar voeden.’

Politici hebben een verantwoordelijkheid om ‘inclusieve taal’ te gebruiken. Burgers hebben de keuze om elkaar te respecteren in plaats van uit te schelden. Paulussen wijst op het verhaal van een Deense jongen met een migratieachtergrond. Nadat hij naar Mekka was geweest, ging hij zich streng religieus kleden. ‘Hij werd daar in Denemarken fel op aangesproken. Toen zei hij: wil je een terrorist, dan krijg je die ook. De jongen wilde afreizen. Men heeft ontzettend veel coaches ingezet die op hem hebben ingepraat om hem van gedachten te doen veranderen. Ze drukten hem op het hart: je bent een Deen en je hoort bij ons. Nu geeft hij lezingen over zijn leven, over waarom hij niet is vertrokken en gekozen heeft voor de Deense samenleving.’