Kijken

Bij verzamelen gaat het erom verschillende werken in elkaar te schakelen, zodat ze gezamenlijk door hun uitgekiende opstelling een verhaal vertellen.door Rudi Fuchs

Schakelen

Voor ik toekom aan de fragiele schoonheid van Robert Mangolds Manila Area eerst een enkele herinnering. Dit was een van de eerste werken die ik heb aangekocht voor de collectie van het Van Abbemuseum in Eindhoven. Voordat ik daar in februari 1975 als directeur was begonnen, had ik eigenlijk nooit zo nagedacht over het verzamelen van kunstwerken – voor een openbare verzameling nog wel en met publiek geld dat op een of andere manier moest worden verantwoord. Het was pas na een paar maanden dat me desbetreffend het een en ander begon te dagen. In musea werd voornamelijk gesproken over het maken van tentoonstellingen en daarbij behorende educatieve programma’s. Dat bracht beweging en opwinding. Maar het aankopen van een enkel kunstwerk, leerde ik toen, kan tot grote veranderingen leiden in de esthetische atmosfeer van een collectie. In de jaren zestig bijvoorbeeld kon mijn voorganger Jean Leering een belangrijke groep schetsen en studies verwerven van El Lissitzky die vervolgens, vanwege hun kwaliteit, een gewicht in de collectie betekenden. Bij het verzamelen, vond ik, moest je daar rekening mee houden. Zulke zaken groeien langzaam en vragen een precieze en behoedzame omgang met kunstwerken – vooral ook buiten het rumoer van de opwinding.

De tweede of derde dag dat ik er werkte, kon ik de prachtige Picasso uit 1909 zelf in handen houden en er de achterkant van bekijken. Ik kon ook bepalen waar die moest hangen, naast welk werk van andere kunstenaars. Dat was een sensatie die mij duidelijk maakte dat een verzameling uit dingen bestaat die met elkaar een soort vertelling moeten gaan vormen. Zo’n vertelling is niet iets algemeens over de kunst maar iets veel concreters – een vertoning van die dingen namelijk. Door ze met omzichtigheid te presenteren (naast of tegenover elkaar) moesten ze helder en uniek worden.

Manila Area zag ik toen ik begin 1976 voor het eerst in New York was. Hetwas een spannende tijd

Het grijze geel in Manila Area is een dunne, schrale kleur. Het strak vierkante oppervlak van verf is egaal en mat, een bijna neutrale vorm. Manila is de kleur van die ouderwetse gele enveloppen, niet een artistieke kleur dus. Naar onderen toe wordt de kleur iets voller: er gebeurt daar iets dat doet denken aan hoe over het zand op het strand ineens wat schaduw voorbij komt. Verticaal door het midden gaat een dunne potlood­lijn die ruimte aangeeft. Dat is eigenlijk alles. Dat vreemde schilderij zag ik bij de galerie van John Weber hangen toen ik begin 1976 voor het eerst in New York was. Het was een spannende tijd toen. De geometrisch abstracte kunst, ooit begonnen door Mondriaan en Malevich, had een nog radicalere fase bereikt die minimal art genoemd werd. Het epicentrum daarvan was New York. Daarom was mijn reis toen ook een soort bedevaart. Ik was nog te zeer gegrepen om te beseffen dat er in Europa ook andere kunst broeide (Arnulf Rainer bijvoorbeeld of Jannis Kounellis). Het duurde tot de aanloop van mijn Documenta van 1982 voordat ik zeker wist dat tegengestelde ambities heel goed kunnen samengaan en dat er nooit maar één kunst is. Van de minimal schilders in Amerika vond ik Mangold de beste. Maar dat vond ik vooral ook in de context van hoe ik de verdere ontwikkeling van de Eindhovense collectie zag: daar zou het schilderij passen en zin hebben.

Inmiddels had ik begrepen dat het bij verzamelen ging om het in elkaar schakelen van, nogmaals, verschillende dingen – op zo’n manier dat die dingen ten opzichte van elkaar contour krijgen en voor elkaar ruimte scheppen. Een hoofdwerk in onze kleine collectie was een compositie met enkele zwarte lijnen op wit van Mondriaan (1930). Vergeleken met zijn werken met rood, geel en blauw (met nog een bijzondere helderheid) is dat zwart-witte schilderij nogal streng en karig. Maar ook was er van Frank Stella, uit 1960, een prachtig zwart stripe-painting, dat een baken was in de kleine collectie. Maar die droge, schrale Mangold was nog kariger. Mij intrigeerde juist die radicalisering als een leitmotiv voor de verzameling. Dat schilderij zou in de toon passen die in de Van Abbe-collectie al was gezet door die Mondriaan en ook door El Lissitzky. Het zou die toon verder mee gaan bepalen.

Volgende keer ga ik door over hoe het met Manila Area verder ging in de verzameling – welke andere werken het bijvoorbeeld tegenkwam in wat toen ook wel fundamentele schilderkunst genoemd werd – ook weer zo’n woord.