De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Mee met de Mylaynes

Kijken als een vogel

‘Een performance waarbij alles meedoet: de vogel, de natuur, zijzelf, alles.’ Zo typeren kunstkenners het werk van de Mylaynes, het eigenzinnige fotografenduo dat met het fijnste geduld toeleeft naar ‘dat moment waarop alles samenkomt’.

Jean-Luc Mylayne, B3, november december 2000 – januari 2001. C-print, 123 x 153 cm © Jean-Luc Mylayne

Er zwermen gierzwaluwen rond het amfitheater van Arles, hun hoge, schrille gefluit echoot door de stad. De straten rond de Romeinse arena zijn uitzonderlijk leeg, deze juli, de vogels lijken te profiteren van de rust. Ze nestelen in de holtes van oude gebouwen, verder doen ze alles vliegend: de tien maanden dat ze niet met hun jongen bezig zijn, brengen ze in de lucht door. ’s Zomers leven ze in Europa, vanaf begin augustus begint hun tocht naar het zuiden van Afrika. Ze schijnen zelfs vliegend te kunnen paren.

Vogels hebben in Arles een bijzondere status. Zonder vogels hadden de stad en omgeving er anders uitgezien: zonder vogels was Lukas Hoffmann niet naar Arles gekomen. Zonder Hoffmann was er geen Maja Hoffmann geweest, zijn dochter, voor wie Frank Gehry aan de zuidoostkant van de stad een gigantische spiegelende toren bouwt, bedoeld voor Luma Arles, haar expositie- en onderzoeksruimte voor kunstenaars en fotografen die zich richten op het gebied van ecologie, mensenrechten en onderwijs. Zonder Lukas Hoffmann was ook de Fondation Vincent van Gogh Arles er niet geweest, en was de tentoonstelling van Jean-Luc Mylayne er niet in deze vorm gekomen.

Lukas Hoffmann was telg van de Zwitserse familie van farmacieconcern Hoffmann-La Roche, tegenwoordig kortweg Roche. Het bedrijf dat in 1934 vitamine C in tabletvorm introduceerde, producent van Valium en Rohypnol, en dat onlangs in het Nederlandse nieuws kwam vanwege de stroeve distributie van hun coronatesten. Hoffmann was twintiger en afgestudeerd ornitholoog toen hij in 1948 een landhuis in de Camargue kocht, de drassige Rhône-delta ten zuiden van Arles, leefgebied van onder andere de flamingo. Een paar jaar later opende hij daar het onderzoekscentrum Tour du Valat, dat zich concentreert op het behoud van en onderzoek naar drasland in het hele Middellandse Zeegebied. Tour de Valat werd ook een natuurgebied van 2600 hectare. In 1961 was Hoffmann een van de oprichters van het Wereld Natuur Fonds, hij bleef tot 1988 vicepresident.

En in 2010 initieerde hij de benodigde fondsen en organisatie voor de Fondation Vincent van Gogh Arles, zodat de al eerder opgerichte stichting ook tentoonstellingsruimten en personeel kreeg. Een hedendaagse kunstinstelling rond de beroemde kunstenaar die tussen februari 1888 en mei 1889 in de Zuid-Franse stad woonde en werkte. Hij hoopte er een kunstenaarsgemeenschap op te kunnen zetten, te beginnen met Paul Gauguin. Aan kunstenaarsvriend Émile Bernard schreef Van Gogh dat de streek hem even mooi leek als Japan: ‘Bleekoranje zonsondergangen geven de grond een blauwe aanblik, schitterende gele zonnen.’ Volgens velen maakte Van Gogh hier zijn beste schilderijen, maar de lokale musea bezitten geen enkel werk van hem.

‘Dat gemis is jammer, maar tegelijk geeft dat ons ook een grote vrijheid’, vertelt Bice Curiger (Zürich, 1948 – spreek uit als Bietsje), sinds 2013 artistiek directeur van de Fondation. Ze heeft steil bruin haar, is energiek en heeft een eerlijkheid die je bij museumdirecteuren zelden ziet. Curiger heeft haar sporen verdiend in de internationale kunstwereld. Ze was twintig jaar conservator van het vooraanstaande Kunsthaus Zürich, ze was curator van de Biënnale van Venetië in 2011 en mede-oprichter en hoofdredacteur van Parkett (1984-2017), het Duits-Engelse kwartaaltijdschrift waarin nauw werd samengewerkt met hedendaagse internationale kunstenaars. Via Parkett kwam ze in de jaren negentig in contact met de Mylaynes, ze werkten drie keer mee aan een nummer. Curiger toonde hen op de Biënnale in 2011 en in 2018 cureerde ze de tentoonstelling die nu, na een reis van Arles via Aarau, Shanghai en Hannover, naar Amsterdam komt.

Voordat ze over de Mylaynes zal vertellen, geeft ze een korte rondleiding door haar museum. Fondation Vincent van Gogh Arles is gevestigd in een van oorsprong vijftiende-eeuws hôtel particulier in het centrum van de stad, er was een bank gevestigd voordat het werd verbouwd tot een museum met duizend vierkante meter tentoonstellingsoppervlak. Er zijn tentoonstellingen van hedendaagse en moderne kunst met altijd een verwijzing naar Van Gogh. Curiger: ‘En dat is niet alleen thematisch, het is niet zo dat we de stoel van Van Gogh door hedendaagse kunstenaars opnieuw laten maken.’ Dankzij een langdurige samenwerking met het Amsterdamse Van Gogh Museum en een solide beveiliging en klimaatbeheersing is er altijd één schilderij van Vincent te zien.

Rustig leidt Curiger het bezoek door de huidige tentoonstelling, opgebouwd rond het werk van Roberto Donetta (1864-1932). ‘Een fotograaf wiens vijfduizend negatieven pas in de jaren negentig ontdekt werden, hij werkte aan het begin van de twintigste eeuw in Ticino.

Donetta was oorspronkelijk een ambulante zadenhandelaar, voordat hij vanaf ongeveer 1900 tot aan zijn dood in 1932 als een bezetene begon te fotograferen. Vrij werk, en deels in opdracht – zijn vrouw verliet hem omdat hij al zijn geld uitgaf aan lenzen en camera’s, ze liet alleen hun jongste zoon bij hem achter. Portretten van medewerksters van de chocoladefabriek, geënsceneerde absurdistische situaties, foto’s van een kerkdienst in de open lucht met op de achtergrond de Alpen.

In Arles, waar de tentoonstelling was, hebben vogels een bijzondere status

Wonderlijke beelden an sich – Curiger heeft het werk van meerdere hedendaagse kunstenaars toegevoegd: onder andere korte 16-millimeter-films van (zonne)bloemen en bomen door de in Peru geboren, in Avignon wonende Rose Lowder, gearrangeerde boeketten met wilde bloemen uit de regio van kunstenaar en bloemenkweker Marie Varenne, en werk van Natsuko Uchino, een jonge Japanse kunstenaar die met zand, klei en in de natuur rondom Arles gevonden planten en bloemen tableaus in aardetinten maakt. En in het voormalige kantoor van de bankdirecteur hangt één schilderij van Van Gogh, Square Saint-Pierre in Parijs, bij zonsondergang, een randje groen in de voor Van Gogh zo benauwende hoofdstad. De bezoeker mag zelf de verbindingen ontdekken.

‘Allô?’ ‘Oui allô?’ Curiger heeft Jacqueline Burck-hardt juist voorgesteld: een goede vriendin en net als Curiger een Zwitsers kunsthistoricus met meer dan dertig jaar Parkett-ervaring en eveneens een indrukwekkend cv. Burckhardt kent de Mylaynes ook goed en schreef een essay over hun werk en leven voor de catalogus. We zijn op weg naar Curigers werkkamer als Burckhardts telefoon overgaat. Na enkele woorden met de andere kant van de lijn meldt Burckhardt: ‘C’est Mylène!’ Een kort chaotisch gesprek volgt. Burckhardt legt uit dat er bezoek is uit Nederland. Mylène vertelt over de gezondheidsproblemen van Jean-Luc, haar echtgenoot. En zegt dat ze later terug zal bellen. Burckhardt: ‘Nu en dan bellen ze. Wij kunnen hen niet bellen, want ze hebben geen telefoon. Dus waar je ook bent, als de telefoon gaat met een onbekend nummer, moet je alles laten vallen.’

Mylène heet voluit Mylène Mylayne. Haar echtgenoot, Jean-Luc, nam met een kleine spellingsaanpassing háár voornaam als achternaam toen ze in 1978 besloten hun leven te wijden aan de fotografie. Jean-Luc zegde zijn baan op, ze verkochten hun huis, kochten een bus waar ze in konden slapen en spendeerden al hun geld aan een Hasselblad-camera, later een Sinar, en lenzen. Ze trokken over het Franse platteland, op zoek naar het juiste landschap en vooral de juiste vogels. Ze kregen vanaf 2003 een onderzoeksbeurs van de Amerikaanse Lannan Foundation, en woonden en werkten lange tijd in Fort Davis, in het westen van Texas. In 2008 zijn ze opgehouden met fotograferen, al noemen ze het nog niet definitief. Rentenieren kun je het zeker niet noemen, verzekert Burckhardt even later in de werkkamer van Curiger, de Mylaynes wonen in een heel eenvoudige woning in de Alpen, zo’n drie en een half uur rijden vanaf Arles. Interviews of uitgebreide toelichting op hun werk geven ze liever niet. Curiger: ‘Vaak gaat de toelichting van de kunstenaar het werk beheersen. De Mylaynes zijn terecht bang dat hun uitspraken worden gereduceerd tot één uitleg. Ze zijn allebei juist heel precies met woorden.’

Jean-Luc Mylayne, N° 25, juli augustus 1980. C-print, 33 x 33 cm © Jean-Luc Mylayne

‘Woont en werkt in de wereld’, staat er nog steeds cryptisch in de catalogus bij de gegevens van Jean-Luc Mylayne, en Curiger moet zelfs even nadenken bij de vraag of ze Jean-Lucs ‘oude’, officiële achternaam wel kent – ja, toen ze moesten inchecken in een hotel in Shanghai hoorde ze hem weer. Curiger ontdekte het werk begin jaren negentig. ‘Bij Parkett kregen we altijd veel publicaties opgestuurd, ik zag het werk van Jean-Luc in de catalogus van een Frans museum. Er stond geen biografie, geen referentie van een galerie – die hadden ze niet. Ik schreef een kaart naar het museum met de vraag hoe ik contact met ze kon opnemen. Een paar weken later belde Mylène, ze zei: we hebben een poste-restante-adres, en als je de volgende keer in Parijs bent, schrijf ons daarop, dan komen we. Dat deed ik, en ze kwamen. Tijdens een gezamenlijke lunch heb ik ze uitgenodigd om mee te doen in een tentoonstelling in het Kunsthaus Zürich.’ Een tentoonstelling met grootheden zoals Jeff Koons, Mike Kelley, Ai Weiwei en Cindy Sherman – niet vanzelfsprekend voor onbekende namen als de hunne.

Curiger: ‘Het was ook niet zo dat ze volledig uit het niets kwamen. Mylène heeft op de kunstacademie gezeten, en Jean-Lucs halfbroer was schilder. Ik herinner me dat toen we elkaar voor het eerst ontmoetten, we het over de lijsten om de foto’s hadden. Het was de tijd van de Düsseldorfer Schule, met Gursky en Struth, die hadden allemaal dezelfde lijstenmaker in Düsseldorf. Dat vonden de Mylaynes tot onze verbazing helemaal niet belangrijk. Nu begrijp ik: ze hadden hun methode al gevonden.’ Burckhardt: ‘Er is een ongelofelijke samenhang in hun werk. We zagen het ook weer bij het samenstellen van deze tentoonstelling. Zelfs bij die allervroegste werken, is alles er al: de naam, de methode, het onderwerp.’

Hun methode is op z’n zachtst gezegd tijdrovend te noemen. Op het eerste gezicht is het een tegenpool van het mythische ‘instant décisif’ van Henri Cartier-Bresson, recent door fotohistorici zelfs een ‘tir photographique’ genoemd, een fotografisch schot waarmee je in één beweging een goed beeld vastlegt. De foto’s van Mylayne vergen soms maanden voorbereiding. Ze zoeken een compositie, installeren zich achter de camera. Organiseren en stellen de lenzen scherp – soms zijn er meerdere plekken scherp in één foto, op verschillende afstanden, en andere delen juist heel onscherp. Het weer moet goed zijn, de lichtval, diafragma, tot zover niets bijzonders. Maar dan moet er ook nog een vogel, een vooraf bedachte vogel, op de juiste plek landen en even blijven zitten of voorbijvliegen.

Jean-Luc groeide op in een boerenfamilie en op vijfjarige leeftijd sloot hij vriendschap met een winterkoninkje, op de boerderij van zijn grootmoeder in Noord-Frankrijk. Een postzegel-spaarsysteem waarmee kinderen boeken over een onderwerp naar keuze konden verdienen, bracht hem zijn eerste vogelliteratuur. Bij zijn eerste communie kreeg hij van zijn ouders een fototoestel, een boxcamera. Ook kreeg hij van een vriend van de familie Les merveilles de la nature, en daarin vond hij het deel over vogels, in het bijzonder de Amerikaanse vogels, het meest interessant. Zo boeiend dat toen hij in 2003 voor het eerst zelf in de VS was, hij niets zag dat hij niet al in een boek had gelezen of gezien. ‘Het was precies zoals ik had verwacht’, vertelt hij in de catalogus. Toch veranderde het land, en vooral hun residentie in Texas van 2004 tot 2008, hun manier van werken: ze maakten er meer dan vierhonderd foto’s, dubbel zo veel als ze ooit in Frankrijk hadden gemaakt.

‘Als ze ’s avonds weggaan van de plek laten ze een doos achter die de vorm van de camera heeft’

Maar snelle kiekjes maakten ze nog steeds niet, daar is het moment te bijzonder voor. Curiger: ‘’s Avonds, als ze weggaan van de fotoplek, laten ze een doos achter die de vorm van de camera heeft. Zodat de vogels eraan wennen dat er iets is, en dat zij er zijn, overdag. Ze tekenen de situatie uit, met transparant papier over de zoeker. Zodat als ze de volgende dag de camera terugzetten, ze precies weten hoe ze hem moeten plaatsen.’

Wat zouden ze doen, al die uren dat ze wachten op het juiste moment? ‘Nadenken’, weet Burckhardt. ‘Als je praat, jaag je de vogels weg.’ Curiger: ‘Het gaat ze niet om het vastleggen van zeldzame vogels. Het zijn juist gewone vogels voor de plaats waar ze zijn. De Mylaynes zeggen dat de vogels eigenlijk heel nieuwsgierige wezens zijn, en dat wij onze relatie tot hen zijn verloren.’

Burckhardt: ‘Ze leven ernaartoe om dat ene moment te beleven, dat moment waarop alles samenkomt. Dat ene moment leggen ze vast. Het is een performance waarbij alles meedoet: de vogel, de natuur, zijzelf, alles.’ Curiger: ‘Het is ook een compositie. Op een vroege foto zie je heel ver in de achtergrond een blauw stipje. Elke ochtend reed op een vast tijdstip een blauwe vrachtwagen voorbij, die moest ook op de foto. Ze kijken naar de wereld, nemen een detail, en denken: de bomen moeten daar. Soms zetten ze een stok neer, omdat ze weten dat de vogel ervan houdt op een stok te zitten.’ Burckhardt: ‘En op welk tijdstip de vogel komt, dat weten ze ook.’

Curiger: ‘Er zijn zulke moderne lenzen, infrarood en technologie om duizenden foto’s van vogels te maken. Maar de Mylaynes denken niet zo.’ Burckhardt: ‘Ze amuseren zich met het voorbereiden van details, zelfs dingen die voor niemand zichtbaar zijn. Zo staat hier, op deze foto, een cd van Liza Minnelli, met “New York, New York”, omdat ze in de VS waren.’

Curiger: ‘Je kunt je voorstellen hoe ze dat voorbereiden. Ze zitten er weken en weken lang en ze vinden die details die erin zitten. Dat moet fantastisch zijn. En dat samen te kunnen beleven. In de catalogus maak ik de vergelijking met Van Gogh. De notie tijd is voor hen beiden erg belangrijk. Voor Van Gogh ging het om versnelling, de negentiende eeuw, hij schilderde razendsnel. De Mylaynes hebben de mooiste camera’s, maar ze vertragen het maakproces. Ik zie hen soms als mensen van een andere planeet.’ Burckhardt is het niet helemaal met haar eens: ‘Het mooie is dat het nog steeds onze planeet is, waar dat óók mogelijk is. Zij tonen ons die kwaliteit. Ze zijn kritisch over onze tijd, sommige foto’s zijn verdrietig, sommige heel grappig. En het zijn heel egalitaire beelden: het dier, de natuur, de bomen. Net als bij Donetta.’ Curiger: ‘Het is alsof je het kijken stopt. Opnieuw kijken, meerdere dingen tegelijk zien. Je moet zelf ook vertragen om te zien wat er te zien is. Sommige foto’s geven zichzelf meteen bloot, maar bij Mylayne is het gecompliceerder.’

Burckhardt wijst op de foto die ook op het omslag van de catalogus staat, een detail van foto nummer 341, van april – mei 2005. Je kijkt langs de rand van een houten tuinhek, van buiten naar de tuin. Op een horizontaal ijzerdraadje in het hek zit een vogel, met het hoofd in de tuin. Het oog van de vogel kijkt precies tussen twee planken door. ‘Een belangrijke foto: je ziet het oog van de vogel. Het symboliseert ook de vrijheid: je hebt zelfs in gevangenschap de vrijheid langs de tralies te kijken. Een heel artistieke notie van hoop. Jean-Luc kan de lenzen gebruiken zoals niemand anders, precies zoals alle vogels een eigen gebruik hebben van hun ogen. Wat dat betreft toont hij ons ook niet wat hij ziet, maar dat wat de lenzen ons tonen.’

De Mylaynes drukken één keer op de ontspanner, er wordt één foto gemaakt. Die krijgt een nummer, in de tentoonstelling is nummer 2 hun oudste foto – nummer 1 hebben Burckhardt en Curiger nooit gezien, die is waarschijnlijk nooit afgedrukt. Curiger: ‘Ze toonden nooit meteen hun nieuwste werk. Het was altijd minstens drie jaar oud. Doordat ze maar één afdruk maken, kunnen ze elk werk ook maar één keer verkopen. De meeste kunstfotografen drukken hun foto’s in een oplage, zodat de prijs ook iets lager wordt. Hun prijs voor één foto is dus hoog.’

In totaal gaat de nummering tot 563, maar het systeem is gecompliceerd: soms zijn er subgroepen, bijvoorbeeld bij de foto’s die vanuit binnen gemaakt zijn. Burckhardt: ‘Bij het voorbereiden van de tentoonstelling vergeten ze soms dat wij niet allemaal zo intensief aan de foto’s hebben gewerkt als zij. Dan zeggen ze: ja, je weet wel, zoals bij nummer 368, dat blaadje daar links, met dat takje ernaast. Ze onthouden alles! Elk detail is in hun geheugen gebrand.’ Curiger: ‘En als je ze vraagt of er foto’s mislukt zijn, zeggen ze: nee, er zijn geen mislukkingen.’

Burckhardt: ‘In de catalogus maak ik een vergelijking met het Arnolfini-portret van Jan van Eyck, omdat ik gelijkenissen zag met een werk van Mylayne. En ik vroeg me ook af of het niet te vergezocht was, zo’n observatie die je als toeschouwer hebt. Maar zij vonden het een goed idee. Ze vinden het prima dat je als toeschouwer bepaalde associaties hebt, en hebben er ook belangstelling voor.’

Een overeenkomst met andere ‘componerende’ fotografen, zoals bijvoorbeeld Jeff Wall, zien Curiger en Burckhardt niet. Burckhardt: ‘Het gaat bij Mylayne zo expliciet over de natuur, dat zie je bij Wall niet.’ Curiger: ‘Je hebt kunstenaars die kunst verzamelen, die de ontwikkelingen goed in de gaten houden. En je hebt kunstenaars zoals Sigmar Polke, die veel meer bezig was met geschiedenis, met Renaissance-schilderkunst of zelfs met rommel. En ik denk dat de Mylaynes bij die tweede categorie passen. Er zijn maar weinig kunstenaars die zo’n coherentie hebben in hun oeuvre. Het zijn heel zorgvuldige foto’s; de compositie, de kleuren. Natuurlijk experimenteren ze ook, wordt het werk rijker. Veel kunstenaars werken in fases, beginnen een nieuwe periode, dan gebeurt er iets en moeten ze een andere richting kiezen. De Mylaynes hebben dat niet. Die coherentie zit niet alleen in hun werk, het is hun volledige manier van leven.’

Burckhardt: ‘Denk alleen al aan het idee van de namen. Je had (de Italiaanse kunstenaar – jdw) Alighiero Boetti, die zich in 1973 Alighiero e Boetti ging noemen, Alighiero en Boetti, omdat hij zijn eigen persoonlijkheid en zijn familie als twee verschillende dingen wilde zien. Maar bij de Mylaynes is het juist andersom, ze hebben hun familienaam laten gaan: twee individuen worden één, mijn achternaam wordt die van jou en die van jou wordt die van mij. Twee individuen smelten samen, komen los van de geschiedenis. Prachtig is dat.’