Kijken en graven

Fanny Schoonheyt aan het front, augustus of september 1936 © Jiuan Guzman / Agencia EFE / ANP

Rebekka W.R. Bremmer maakt het zich in haar nieuwe roman niet makkelijk. Ze volgt vier historische figuren die een rol speelden in de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). De Chileense dichter/diplomaat en latere Nobelprijswinnaar Pablo Neruda, zijn vriend, de schrijver Frederico García Lorca, Neruda’s eerste echtgenote, de Nederlandse Maruca Reyes en Fanny Schoonheyt, journaliste en later in Spanje strijdster aan de kant van de antifascisten. Altijd lastig om historische figuren tot romanfiguren om te bouwen. Er is veel over ze bekend, zeker over Neruda en Lorca, maar ook over Maruca Reyes, waarover Hagar Peeters nog vrij recent de met de Fintro Literatuurprijs bekroonde roman Malva (2015) schreef. En over het avontuurlijke leven van Fanny Schoonheyt schreef Yvonne Scholten in 2011 een interessante biografie: Fanny Schoonheyt: Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse Burgeroorlog.

Je dreigt als romanschrijver snel in het moeras van feit en fictie te belanden. Klopt het allemaal wel, zit je er niet een datum of een plaats naast, ga je niet met de figuren op de loop? Laat je je niet te veel meeslepen door je eigen bewondering? Allemaal vragen die bij mij tijdens lezing ook opkwamen. Helemaal goed is het natuurlijk nooit, maar Bremmer besloot zich niet te veel van dit soort bezwaren aan te trekken en schreef een gewaagde, pakkende roman.

Ze beschrijft in vier hoofdstukken fases uit het leven van haar helden en ze zorgt er niet al te nadrukkelijk voor dat hun levens elkaar af en toe kruisen. Verbindende factor is steeds de maan die vanaf een afstand toekijkt, zich zorgen maakt, zich soms vertwijfeld terugtrekt of toe moet zien hoe alles noodzakelijk loopt zoals het ooit ‘echt’ is verlopen. ‘De maan zag de trillende vingers van Frederico’s vader toen hij het briefje openvouwde (…)’, staat er dan, of: ‘En de maan verstopte zich achter een wolk en deed net alsof ze niet keek.’ En op het einde: ‘De maan haalde diep adem en hief haar klaaglied aan.’

De roman is het klaaglied, de schrijfster is de maan

De roman is dit klaaglied, de schrijfster is de maan, zou je kunnen zeggen, die het verhaal vertelt. Deze constructie geeft Bremmer de kans zich diep in de ziele- en gedachtewereld van haar personages in te graven en tegelijkertijd de maatschappelijke en politieke context van hun bestaan meer van een afstand in kaart te brengen.

Dichtbij en veraf, dat probeerde Bremmer met elkaar te verbinden. Ze begeeft zich regelmatig uiterst gedetailleerd in de innerlijke wereld van haar personages, ze haalt ze dicht bij ons. Dan is ze op haar sterkst. Neem bijvoorbeeld de openingsscène wanneer Fanny Schoonheyt in 1935 in een ziekenhuis in Barcelona ontwaakt. Uiterst precieze beschrijvingskunst: ‘Ze opende haar ogen, knipperde een paar keer, gaapte en strekte, strekte, strekte, holde haar rug, vlocht haar vingers ineen, boog haar armen naar rechts, liet haar schouders zakken, boog haar armen naar links en stond op.’ Nog dichterbij kan haast niet. Pas pagina’s later verlaten we de binnenwereld van Fanny en kijken we van grote afstand toe: ‘Ze was naar Spanje gekomen om vrij te zijn. Vrij om te doen wat ze maar wilde. En op een bepaalde manier was ze dat ook.’ Dan komt er meer pathetiek in de schrijfstijl. In die meer afstandelijke stukken vind ik de roman minder overtuigend. Dan hanteert Bremmer de stijl van de politieke propagandaroman, met termen als ‘het volk’, ‘de regering’, ‘de fascisten’: ‘Het volk was het hier niet mee eens. Op straat braken gevechten uit, barricades verrezen, zelfgemaakte bommen explodeerden in wolken van kabaal en stof.’ Bremmer wilde geen afstand van die propagandatoon nemen, ze laat de pathetiek ervan onbekommerd haar roman binnen. Tot aan verheerlijking toe: ‘Een vrouw rende uit de mensenmassa, kuste een verrukte soldaat op de mond en rende toen terug, verdween tussen de anderen, werd weer een van de vele gezichten.’ Ze wil een eerbetoon aan de strijders brengen en citeert zelfs letterlijk een complete toespraak van de beroemde strijdster La Pasionara.

Allemaal goed te verdedigen en het geeft dit boek zonder meer een grote emotionele kracht, maar haar schrijfkunst blinkt toch het meest uit in de ‘dichtbij’-scènes. Niet in de meer algemene beschouwingen over de strijd, daar voegt ze weinig toe aan wat we al wisten. Ze is op haar sterkst als ze kijkt en kijkt, nog preciezer, als ze alles wil laten zien, van dichtbij, ze graaft en graaft en legt precies dan haar sterkste getuigenis af. De beschrijving bijvoorbeeld van een station in Bordeaux, of hoe in de loopgraven een verschrikkelijke jeuk om zich heen grijpt, of hoe Maruca Reyes haar kind de borst geeft.

Hoogtepunt van de roman is de beschrijving van de laatste dagen van Frederico García Lorca. Dan slaagt ze erin haar woede te vertalen in uiterst precieze beschrijvingen zonder dat de zinnen in emotie blijven hangen. En juist dan, in de beschrijving hoe het mogelijkerwijs was, in de dialogen met ouders, vrienden, bewakers, in de onzekerheid bij Lorca, komt de gruwel boven drijven. Niet in grote woorden maar in de beschrijving: ‘Ze werden naar een cel met een zware, houten deur gebracht. De vloer was de aarde, zijn voeten schraapten over de grond, slechts stof om op te staan. Het was donker.’